Vrijheid

Over het geheel genomen”, oreerde de kale man vanuit zijn veel te zware leunstoel, “leven we in vrijheid; zijn we vrij om te doen wat we willen.
Daarna liet hij een stilte vallen.
De bleke vrouw van een jaar of 30, die op de bank tegenover hem zat, reageerde niet. Ze liet het woordje ‘vrijheid’ tot zich doordringen, benieuwd wat dat zou zijn.
De stilte duurde voort en haar gedachten kabbelden naar opstaan van de bank, naar het raam lopen, daaruit springen om op de wind te vluchten totdat de wind uitgewaaid was en haar aan de grond zou neerzetten in een gezellig groen land met grote vruchten aan de bomen; nee, op haar handdoek op een heerlijk strand aan een blauwe zee. Nooit meer iets te hoev
Besef je dat, Elsbeth?
Nu moest zij reageren, maar waarop? O, ja, we zijn vrij.
Ik denk het niet, meneer Roere. Ik denk niet dat ik besef vrij te zijn om te doen wat ik wil.
Meneer Roere keek haar vanuit zijn veel te zware leunstoel aan alsof hij een pijp rookte, maar hij was daarmee al jaren geleden gestopt. Een ander in de spreekkamer zou gedacht hebben dat hij op zijn gemakje zittend een sculptuur bekeek, maar Elsbeth voelde zich met zijn blik op haar gericht als een laboratoriummuis.

Met zachte stem probeerde hij: “Elsbeth, de wereld ligt aan jouw voeten. Jij bent het die bepaalt wat jij in jouw leven gaat doen of niet. Jij bent de kapitein op jouw
Wat doet u met uw vrijheid?
Ik help mensen zoals jij hun leven weer in eigen hand te nemen.
Ik zou dat niet kunnen; andere mensen helpen hun leven in eigen hand te nemen.
Maar dat hoeft toch ook niet? Jij kunt doen waar je goed in bent en wat je wilt.
Maar”, nu liet Elsbeth een lange stilte vallen om de juiste woorden te vinden, “maar als er geen andere mensen waren om te helpen; wat zou u dan
Er zijn zoveel mensen, altijd genoeg om te helpen”, viel de heer Roere haar in de rede.
Elsbeth had spijt dat ze daarnet niet was opgestaan om het raam uit te vliegen. Nu kon het niet meer.

Dat hangt ervan af wat het mij waard is om bij mijn keuze te blijven”, antwoordde hij alweer te snel.

Fijn”, zei ze zacht om even later nog zachter te vervolgen met: “Wat is dat eigenlijk, vrijheid?
Dit was bekend terrein voor de heer Roere, die er even voor ging zitten. Nog voor hij van wal kon steken, preciseerde Elsbeth haar vraag: “voor u?
Dat weet ik niet”, flapte hij er naar eer en geweten uit.
Dit antwoord verraste Elsbeth zo dat ze in de lach schoot; een giebellach.
Eindelijk zaten ze even van mens tot mens tegenover elkaar; de zoekende Elsbeth de Boer* van 31 en de vaderlijke Wim Roere* van 46.
De heer Roere wilde zijn gezag herstellen, maar tegelijk beviel hem de situatie van het gebroken ijs te goed om dat te doen. Een nieuwe inval schoot hem te binnen, waaraan hij geen gehoor gaf, omdat hij die te amicaal vond. Zo duurde het menselijk contact langer dan ooit in zijn praktijk. Hij vroeg zich af of het een blunder was geweest toe te geven dat hij helemaal niet weet wat vrijheid voor hem is. Het kon hem nu even niet schelen; blunder of niet. Deze sessie duurt nog 12 minuten. Daarin kan hij haar nog heel wat meegeven. Hij probeerde een vraag: “Weet jij dat; wat vrijheid voor jou is?
Voor mij is vrijheid mijn eigen gang gaan, maar ik geloof niet dat ik altijd vakantie kan vieren.” Elsbeth zocht naar nieuwe woorden en de heer Roere wachtte af welke dat zouden zijn. “Voor mij is vrijheid helemaal niet mijn eigen gang gaan, maar mijn keuzes maken en dat mijn keuzes door mijn partner gewaardeerd worden.” De heer Roere zag dat ze nog niet klaar was. “En door mijn moeder.
Dus vrijheid is ingewikkeld”, constateerde de heer Roere onverwacht, “want jouw keuzes, of laat ik het over de mijne hebben, worden niet altijd met applaus ontvangen.
En dan, als u door uw keuzes afgewezen wordt?
Dat hangt ervan af wat het mij waard is om bij mijn keuze te blijven”, antwoordde hij alweer te snel. In zijn beleving was een tweede blunder in amper vijf minuten een feit.
Maar, meneer Roere, dit heeft toch niets met vrijheid te maken?”
Het valt niet mee”, constateerde de heer Roere.
Staan mijn vriendschappen en mijn partnerschap op gespannen voet met vrijheid?
Misschien gaat het altijd erom wat het je waard is”, vroeg de heer Roere zich geïrriteerd over zijn onprofessionele opstelling hardop af.
Dan is dit mijn laatste gesprek met u met haar gezicht naar de klok. Ik dank u voor de afgelopen maanden van steun. Ik was van het dak gesprongen als ik u niet zo snel had gevonden. Nu ben ik niet zo hopeloos meer. En ik wil mijn man niet ongelukkig maken en ik wil helemaal geen ruzie met hem ook al is hij een onbenullige stier. Dan vul ik mijn vrijheid in met overgave aan een keus die ik ooit maakte. Ik heb veel aan de gesprekken met u gehad. Dank u wel” en zij maakte aanstalten om van de bank op te staan.
Overvallen door zoveel kordaat gedrag van de bleke Elsbeth verschool de heer Roere zich snel achter zijn goed-passend masker en zei: “Het lijkt mij een goede keus, Elsbeth, en ik wens je veel wijsheid in de toekomst. Mocht je het nodig hebben, dan ben je hier altijd welkom.

Elsbeth voelde hoe het onderling menselijk contact weer plaats gemaakt had voor de belerende psycholoog dr. W.J.Roere. Nu wist ze dat hij buiten zijn spreekkamer net zo zoekend was als zij. Al zocht hij op een andere manier.
Na haar vertrek uit zijn spreekkamer zette hij zich aan een kort verslag van het gesprek. Zijn gedachten werden tegen het eind van het verslagje meegevoerd naar de mogelijke partner van Elsbeth. Zou hij eenmaal van zijn voetstuk zich daarmee kunnen vergelijken? Nou, ‘een stier’ zou hij zichzelf nooit noemen.

Nadat Elsbeth achter haar cappuccino zat bij het Italiaanse espressotentje, dat ze altijd na de heer Roere bezocht, vroeg ze zich, vlak voordat ze een tijdschrift ter hand nam, even af of de heer Roere wel zocht.

Die avond liet zij haar partner weten dat het voor haar echt zo niet langer ging.
___________________
* Elke overeenkomst met bestaande personen berust op louter toeval.

Priors vreemde opdracht

Het was een dag in juni dat de vrouw van de tuinman met betraande ogen het ontbijt voor haar kinderen klaarmaakte. Het laatste gewone ontbijt van deze week. Misschien van deze maand en wellicht van dit jaar of hun ganse leven. Het werk van haar man, een uitmuntende en oplettende tuinman zoals later dit verhaal zal blijken, was door het overlijden van zijn heer opgehouden. De beste man had nu geen bron van inkomsten meer en zat al dagen terneergeslagen op een stoel in zijn kleine huisje van leem. ’s Nachts verplaatste hij zich terneergeslagen naast zijn vrouw in de bedstee. Zijn begripvolle vrouw hield zielsveel van hem, begreep hem, liet hem, zoende hem soms tussen de bedrijven door, maar nu maakten de zorgen voor wat er van hun kinderen moest worden zich van haar meester. Zij bracht haar man een deel van het brood en onze tuinman zag haar tranen.

Dit echtpaar had geen woorden nodig. Dat was nog niet in die tijd. De man at slechts zijn brood en stelde voor zichzelf vast dat het zo niet langer kon. Hij verzaakte, en deed gebukt onder de naargeestige omstandigheden zijn door hem beminde vrouw verdriet. Zo boorde hij voorzichtig moed aan onder zijn hopeloosheid en zelfmedelijden. Hij ging wat rechter op zitten. Een glimlach verscheen op zijn gezicht. Dat was voor het eerst sinds zijn thuiskomst met de akelige tijding.

Hij stond op en liep naar zijn vrouw. Hij zoende haar en sprak:
Vanavond kom ik terug, met of zonder werk.
De tuinman vertrok en zijn vrouw putte hoop. Hij liep twee uur en durfde een beetje van de omgeving te genieten. Vooral van de bruisende beekjes, die vanaf de berghellingen naar onder stroomden. In de verte doemde de priorij op, die het doel van zijn tocht was. Nog even en hij zou zijn diensten daar aanbieden.

Aan de poort maakte hij alleen duidelijk dat hij de prior hoognodig had en dat hij, met begrip voor de drukke werkzaamheden van de prior eventueel de rest van de dag zou wachten totdat de prior slechts een klein deel van een uur tijd voor hem vrij zou kunnen maken. De dienstdoende monnik vroeg hem of hij onze tuinman ook zou kunnen helpen. De tuinman antwoordde:
Och kon dat maar, ik zou de hemel danken.” en hij wende zijn gezicht af.
Wacht hier’, reageerde de monnik en hij sloot het spreekluik in de poort.

Na enige tijd werd de poort geopend en de monnik nodigde de tuinman verder te komen. Zwijgend liepen ze naar de werkkamer van de prior.
Wat kan ik voor u doen?”, vroeg deze toen onze tuinman in de deuropening stond.
Mag ik ietsje binnenkomen en de deur sluiten?
Komt u ietsje verder.
Hoogeerwaarde heer en prior van deze prachtige priorij, aangesteld door God en de Paus, voor ik u mijn verzoek doe, zal ik kort uitleggen waarom ik de stoute schoenen aangetrokken heb en nu van uw tijd vraag.” En hij legde de omstandigheden uit waardoor hij geen werk meer had en over het genoegen dat hij altijd aan de uitoefening van zijn vakmanschap beleefde. Hier dacht de prior dat de tuinman slechts een aalmoes vragen ging. Hij werd in zijn vermoeden gesterkt, toen onze tuinman begon over de honger, die zijn vrouw en kinderen nu moesten doorstaan, maar de tuinman besloot met de vraag de tuin van de priorij te mogen onderhouden tegen voedsel voor zijn vrouw en kinderen.

De prior liet de consequenties van zijn antwoord tot zich doordringen, waardoor het een geruime tijdspanne stil bleef in de werkkamer.
Nadat hij een besluit genomen had, verwoorde hij zijn beslissing aldus:
U zegt een goede tuinman te zijn en wij kunnen wel een lekentuinman gebruiken, maar alleen als dat een bijzonder bekwame vakman is. Ik kan u daarom het volgende aanbod doen:
In de tuin van deze priorij wonen vijf broers, maar ik kan ze niet vinden. Zij moeten gemakkelijk te herkennen zijn, want zij lijken sprekend op elkaar. Echter, twee van hen hebben een baard, twee andere zijn kaalgeschoren en de resterende broer heeft een halve baard. Wanneer u deze broers vandaag vindt, kunt u hier als lekentuinman komen werken waarbij wij u normaal naar uw arbeid zullen belonen. Wanneer u de broers niet vindt, zullen wij u uit dankbaarheid voor uw resultaatloze hulp en vanuit mededogen wat brood voor de komende dagen meegegeven naar uw huis.
Wij lunchen op het middaguur en ik nodig u uit tegen die tijd deel te nemen aan onze maaltijd.

De tuinman verliet de werkkamer met de woorden:
Ik dank u voor uw hulpvaardigheid in mijn troosteloze toestand”, en verkende de tuin van de priorij. Daar bleek werk zat, maar nu moest hij eerst zoeken naar de onbekende vreemde broers. Zoekend verstreek de tijd en onze tuinman liet de lunch – ondanks zijn honger – aan hem voorbij gaan. Tegen drie uur die middag verscheen er alweer een glimlach op zijn gelaat. Opgelucht kwam hij overeind uit de bloemperken in de tuin. Hij ging op weg naar de werkkamer van de prior en klampte de eerste de beste monnik aan, die hij aantrof, met de woorden:
Ik heb verheugend nieuws voor uw prior. Zou ik hem in zijn drukke werk mogen storen?
De monnik vroeg de prior en begeleidde wat later de tuinman naar de werkkamer.

Hoogeerwaarde prior, ik heb de door u gezochte broers gevonden.
Dan loop ik met u mee, want ik ben zeer benieuwd ze te ontmoeten.
Onze tuinman begeleidde de prior naar een rozenperk en ongezien glimlachte de prior besmuikt. Hij sprak echter de woorden:
Ik zie geen broers, beste man.
Mag ik u verzoeken door de knieën te gaan en de groene bladeren rondom deze prachtige rozen te aanschouwen? Daar staan de door u gezochte vijf broers in een kring: twee met een baard, een met een halve baard en twee zonder baard.
De prior deed wat de tuinman vroeg en zag de vijf groene broers rond elke bloemkroon die hij in dit rozenperk bekeek.

Misschien zijn rozen door deze broers wel de ‘koninginnen onder de bloemen’ geworden, die we zelfs in onze jaren nog altijd geven bij gebeurtenissen, zoals diploma-uitreikingen, liefdesverklaringen, trouwerijen en verjaardagen. Gebeurtenissen, die verleden en toekomst in het nu aan elkaar verbinden.

Een nieuw metier

Vanmorgen oefende ik met ‘eerste’ en ‘tweede vinger’ en onregelmatige tempi. Ik heb het maar getroffen met mijn buren, die vinden dat ‘als ik het nog moet leren, ik het maar moet leren‘. Mijn linkeroor zit nòg dichter bij het soms snerpend of krassend geluid wat niet om aan te horen is. Wat is het geval?

Op 23 maart jongstleden, nog geen maand terug in de tijd, ging ik met een vriendin naar het lunchpauzeconcert in TivoliVredenburg. ‘De menselijke stem van de cello’ stond op het programma; uitgevoerd door de celloklas van het Utrechts conservatorium HKU onder leiding van Timora Rosler. We hoorden eerst een uitvoering van de ‘Symfonie voor acht cello’s’ van Philip Glass (1937). In één woord: “Prachtig” (als je van Philip Glass’ stijl houdt). Toch 8 woorden. Daarna speelden Laia Terre en Angela Guillen de ‘Suite voor twee cello’s’ van David Popper (1843 – 1913) en toen gebeurde het. Ik fluisterde tijdens het welgemeend applaus mijn vriendin in het oor: “Ik ga cello spelen”. “Fagot is ook mooi”, fluisterde zij als eerste reactie. “Ja, maar het wordt cello”, volharde ik.

Daarna werden nog de ‘Libertango’ van Ástor Piazzolla (1921 – 1994) gespeeld, het ‘Requiem’ van David Popper en ‘Bachianas Brasilieras nr. 1 voor acht cello’s’ van Heitor Villa-Lobos (1887 – 1959). Vervolgens consumeerden we traditiegetrouw nog een koffie met gebak en ik bleef vastbesloten.

Nu had ik na deze afspraak nog met een vriend afgesproken. Ik deelde hem mee hoe mijn leven vanaf (toen) ‘vandaag gaat veranderen’. Hij vertelde nog een cello in bezit te hebben. Die stond nog bij iemand anders, maar zou ik in bruikleen kunnen krijgen.

Ik geniet ervan om aan iets te beginnen wat ik nog helemaal nooit gedaan heb.

’s Avonds vroeg ik via mijn ‘Nextdoor-App’ wie een goede cellodocent voor mij wist en prompt werd mij een docent in de buurt warm aanbevolen. Haar belde ik zaterdagochtend, nog geen etmaal na het concert, en we spraken een eerste proefles af voor woensdag.

De muzikaal leider Timora Rosler toonde zich via de mail verheugd over mijn enthousiasme voor de cello door het concert, net als de programmeurs van de lunchpauzeconcerten in TivoliVredenburg.

Dinsdag belde ik mijn vriend over zijn cello. Die liet nog even op zich wachten, dus via Markplaats zocht ik een geschikt instrument. Ik vond een

    ‘Excellent Cello 4/4 Warm sound, comes with bow and soft case; Bohemian instrument very easy to play and responsive warm, full and round sound for advanced amateurs or beginning conservatory.’

Daar bood ik op en ’s avonds haalde ik mijn nieuwe oude cello in Amsterdam op.

Woensdag werden mij zodoende de allereerste beginselen uitgelegd van het cellospelen, te beginnen met het zitten zonder cello.

En nu probeer ik dus geheim na geheim van mijn cello te ontdekken. Dat ik vroeger verdienstelijk schuiftrombone gespeeld heb, scheelt wel iets. Mijn cellodocente vond deze ontwikkeling wel bijzonder. Zij constateerde: “De cello is onder de strijkinstrumenten, wat de trombone onder de blaasinstrumenten is.” Het scheelt iets, maar hoe ik ook van mijn oefeningetjes geniet, hoeveel plezier ik er ook aan ontleen te tokkelen en te strijken en hoewel ik merk vorderingen te maken, ik bak er nog niet veel van.

Het valt ook niet mee, omdat ik nog geen maand geleden voor het eerst een strijkstok vasthield. Die moet overigens midden tussen de kam en de toets met de haren vlak op de snaren en voor elk van de vier snaren onder twee iets andere hoeken, waarbij de strijkstok losjes en toch ook stevig met de rechterhand vastgehouden dient te worden en met mijn linkerhand moet ik op gehoor mijn wijsvinger, wijs- en middelvinger, wijs-, middel en ringvinger of alle vier mijn vingers op de snaren zetten (terwijl ik nog geen halve tonen hoef te spelen), en terwijl ik de duim van mijn linkerhand tegenover mijn middelvinger tegen of onder de hals behoor te houden en tenzij mijn vingers de snaren niet mogen aanraken, waarbij de muziek aangeeft welke strijkbewegingen ik zou moeten maken van de componist, tenzij ik met mijn linker- of juist rechterhand respectievelijk hoog op de hals of onder aan de toets moet tokkelen.

Ik geniet ervan om aan iets te beginnen wat ik nog helemaal nooit gedaan heb. Al klinkt het soms venijnig scherp of krassend in mijn oren, als ik er al muziek uit krijg, want op de kam strijkend, heb ik gemerkt, komt er haast geen muziek uit ’t ‘very easy to play and responsive warm, full and round sounded Bohemian instrument’.

Oogsten na de storm

Tobias paste in zijn rijtjeshuis met zijn vrouw Godelinde, zijn twee kinderen en zijn hond. Nou ja, hond? Hondje! Zijn kinderen van 9 en 6 keken nog tegen hem op en zijn vrouw hield van hem en van zijn inkomen. Tobias was blij met zijn werk als directeur van een flinke basisschool. Afwisselend werk met kinderen, docenten, ouders, de gemeente, maatschappelijke instellingen en wat niet al. “Wie de jeugd heeft, heeft de toekomst”, zei hij zelfs op ongepaste momenten. Hij was op alle vlakken onomstreden en de school lag in een wijk met jonge mensen, dus wat kon hem gebeuren?

Hij wilde wat meer doen voor de mensen in zijn omgeving. Zijn relatie met Godelinde was stabiel; “Een heerlijke sleur”, zei hij als mensen er naar vroegen. Grote delen van de weekenden reserveerde hij voor zijn twee dochters, en ook doordeweeks wilde hij meedoen in het huishouden als hij van school kwam. Hij realiseerde zich niet dat het gewone alledaagse leven plaats gemaakt had voor de stilte voor een storm.

Tobias besprak met Godelinde dat hij één avond in de week in hun huis mensen wilde gaan masseren. Hij had eerder met zijn vrouw een cursus daarvoor gedaan en “Zou het niet leuk zijn om het geleerde in de praktijk te gaan brengen?
Godelinde: “Je doet maar wat je niet laten kunt, als je aan mij-masseren niet genoeg hebt.
Tobias: “Maar ik wil het samen, tenminste jij zoveel avonden als je wilt en ik op donderdagavond.
Ik heb mijn vader ook nog, Tobbekop.
Ja, natuurlijk, mijn godje.
En als ik dit nu toch ga opzetten?
In de kleine voorkamer? Je doet maar. Maar ik ga de mensen niet ontvangen.

Tobias dacht zijn plannen goed uit en na verloop stond er een massagetafel in de kleine voorkamer. Via zijn school maakte hij bekend dat hij massages aan huis gaf. “Nee, het ging hem niet om het geld.
Nee, niet met een happy end.”

De eerste klanten kwamen voor € 10 per behandeling van zo’n drie kwartier en Tobias praktiseerde zich als een masseur op te stellen. Er volgden nog enkelen tot de tweelingzus van Godelinde vroeg – aan Godelinde – of zij zich ook mocht laten masseren door Tobias. “Je doet maar”, had haar zus gezegd, “als je er maar goed over praat met jouw Karel.
Ik wil geen gedoe in de familie.

Tobias’ schoonzus was drie maanden geleden bij Tobias geweest. Na het vertrek van haar zus – ze hadden achteraf nog even gedrieën een glas wijn gedronken – voelde Godelinde zich er toch niet zo lekker mee.
Hoe was het masseren vanavond, Tobbekop?
Ik heb haar borsten niet aangeraakt, hoor”, antwoordde Tobias, die gevaar rook.
Hoe was het?
Net als de anderen.
Hoe voelen die anderen?
Iedereen voelt anders en jij het fijnst van iedereen”, probeerde Tobias de situatie te redden.
Hoe was het?
En nu kreeg Tobias de ingeving, die een storm zou inluiden: “Lief godje van me, als ik voel, voel ik niet de huid van een ander, maar ik voel mijn eigen vingers. Niets meer en niets minder.
Hmmm”, reageerde Godelinde. Ze had het er verder bij gelaten.
Bij het uitlaten van het hondje voelde Tobias een ongekend chagrijn van zich meester maken.

Die nacht kon Tobias niet in slaap komen. “Als ik voel, voel ik niet de huid van een ander, maar ik voel mijn eigen vingers”, spookte door hem heen.
Als ik kijk, zie ik niet de ander, maar ik zie alleen wat ik zie van de ander”, varieerde hij.
Als ik hoor, hoor ik niet alle geluid, maar alleen de geluiden waarop ik focus; misschien alleen de woorden die ik begrijpen kan. Alleen de zinnen die ik aankan.
Als ik denk, denk ik binnen mijn eigen denkraam, zou Marten Toonder de dwerg Kwetal laten zeggen.

Zijn getob stortte Tobias in een poel van onzekerheid met levensvragen als Wat stel ik eigenlijk voor; eigenlijk? Feitelijk!?! Hij realiseerde zich dat zijn inzicht erger was dan in de bubble leven. Dat kon hij nog wel begrijpen. In een bubble leef je nog met andere, soortgelijke mensen; dit is een knellend, veel te klein luchtbelletje. Wat weet ik werkelijk? Van de werkelijkheid?

Voor het eerst in zijn leven voelde hij zich eenzaam. Voor het eerst vroeg hij Godelinde een paar keer om hem vast te houden. Voor het eerst liet hij zijn eten staan, maar voor zijn kinderen bleef hij de hen-toegewijde vader, die hij altijd voor hen geweest was. Godelinde begreep zijn uitleg voor zijn droevige gezicht niet. Adviseerde hem ‘hiermee op te houden’, en eiste tegen beter weten in meer aandacht. Hem liet het niet meer los alsof hij op de bodem van een oceaan in een eenpersoonsonderzeeboot zat met een uitgevallen motor: geen ontsnappen aan en blijven is ook geen optie.

Afgelopen weekend op een familiebezoek vroeg hij een tante van hem, toen hij haar naar de keuken gevolgd was, wat zij ervan vond; ‘de gevangenschap in zijn lijf’. Die tante reageerde enthousiast. Verbouwereerd hoorde hij haar vreugdekreten aan.
Jochie, wat mooi! Je hebt god gevonden.

Dit was wel het laatste wat hij van zijn atheïstische tante verwacht had.
Mij maakt het somber”, wierp hij tegen, “alleen Judith en Yara doen er nog toe voor mij.
Beste Tobias, er is niets om somber over te zijn. Jij weet iets wat niet veel mensen weten, maar wat voor iedereen geldt. Ook voor mij.
Hoezo heb ik god gevonden?
Willem Kloos zei: ‘Ik ben een god in het diepst van mijn gedachten’. Die god van Willem Kloos heb jij gevonden.
Tobias keek haar verbaasd aan.

Of je bent goed onderweg.
Jouw inzicht, dat jij vergelijkt met een gevangenis, helpt jou bewust te maken van waar het echt om draait. Jouw inzicht gaat over ‘waarheid’.

Jezus, hoe moet ik het je uitleggen?
Jij…
Ieder kind wordt…
Nee, ik… Ik ben geboren met een open mind. Daarna werd me van alles aangeleerd en afgeleerd door jouw opa en oma: Foei!, Lief!, Stout!, Nee!, Afblijven!, Doe eens normaal!
Vervolgens werden er allemaal etiketjes op mij geplakt: ‘Je bent een egoïstisch meisje’, ‘Je kunt goed praten’, ‘Je bent wel scherpzinnig’. ‘Je bent niet te vertrouwen’. ‘Huilebalk’. ‘Als jij je zin maar krijgt’.

Pas toen ik op mijn achttiende het huis uit was, kon ik helemaal zelf bepalen met wie ik omging en met wie niet. Van mijn vriendenkring hoorde ik heel andere kenmerken van mij: ‘Je staat voor iedereen klaar’. ‘Bij jou kom ik tot rust’. ‘Jij kunt ook alles’. ‘Wat ben je snel’.

Weer veel en veel later kon ik veel van die etiketjes van me afschudden, mede dankzij Pim; oom Pim. Die is zo goed voor mij, zo vertrouwd. Alles wat ik met hem bespreek, is bij hem in goede handen.

Ik kreeg meer en meer zelfvertrouwen en waardering voor mijzelf. Mede door mijn werk natuurlijk. En wanneer ik nu emotioneel geraakt wordt, vandaag bij wijze van spreken, willen er oude of nieuwe beelden over mij nog wel eens terugkomen. Ik kan die dan vaak waarnemen op de manier waar jij het over had: ‘Ik ben het die voelt’; alsof ik het niet ben die boos of koppig is, maar dat de boosheid of koppigheid in mij de kop opsteekt.
Ik ben toch ook niet mijn boosheid? Ik ben toch niet mijn karakter? Ik ben ‘ik’, en kan allerlei emoties van mijzelf, en gedachten over mijzelf waarnemen. Alsof het oude vrienden zijn.

Juist daardoor kan ik vertrouwen. Juist daardoor kan ik liefde zijn. Juist daardoor kan ik zelfs mijzelf vertrouwen. Dàt is die god in mij: vertrouwen, liefde, zelfvertrouwen. Ik kan ook waarnemen! Bewust-zijn. Twee aan elkaar gekoppelde woorden. Begrijp je wat ik zeg?

Tobias was alleen naar zijn tante aan het luisteren en reageerde niet.

Tobias, juist daarom leg jij mij jouw probleem voor. Omdat ik jouw gevangenis-gevoel juist als iets moois zie; iets wat alleen mensen kunnen; dieren niet. Op de een of andere manier wist je dat je mij jouw probleem moest voorleggen.
Dat zou best kunnen”, antwoordde Tobias.
Jochie, jouw inzicht dat jij het bent die voelt wat hij voelt, die ziet wat hij ziet, die hoort wat hij hoort, is een inzicht waar mijn zus Godelinde heel veel aan zal hebben. Het is volgens mij”, zei zijn tante, “de eerste echte stap naar afpellen en werkelijk waarnemen. Het zal je nederig maken en trots. Het zal je duidelijk maken wat jouw toegevoegde waarde aan dit ondermaanse is, omdat je er achter gaat komen dat je niks meer en niets minder dan jouw ‘ik’ bent met dezelfde open mind die je had, toen je werd geboren. Geniet hier maar van en wees maar tevreden met jezelf; je bent het zelf die voelt; je bent goed bezig om vanuit jouw ‘ware natuur’ te gaan leven!

Jouw gevangenis-gevoel gaat je misschien in staat stellen om je met tomeloze liefde en vertrouwen te verbinden met Judith, met Yara, met Godelinde, met jezelf en met iedereen.

Zelfs met mij”, grapte ze er achteraan.

Het gaat om ‘wat’

Gisterenavond kwam ik na het avondeten thuis. Bij een vriend had ik tofu, op zijn Chinees klaargemaakt, met groenten en bami gegeten. Ik besloot nog even een haardvuur te maken. Slecht voor het milieu, ik weet het, maar ik deed het toch. Al snel knapperde het vuurtje in mijn woonkamer. Ik zette me op een stoel er tegenover.

Mijn gedachten gingen naar de afgelopen dag. Op de fiets naar Utrecht had ik herinneringen gehad aan mijn jammerlijke gedachten over een gesprek, ooit met een vriendin. In Utrecht sprak ik een andere vriendin onder meer over mijn gedachten over dat gesprek met die eerste. Daarna was ik naar een vriend gegaan, waarmee ik allerlei gesprekken had gevoerd, waaronder… Juist. En toen die tofu met groenten en bami.

Kijkend in het vuur gingen mijn gedachten naar de afgelopen week. Gesprekken en informatie. Indrukken en stilte. Waken, stilzitten en slapen. Mooi woord eigenlijk: ‘indrukken’. Alsof je een versteende voetafdruk van een dinosaurus vindt, zo vind ik herinneringen terug die ‘indruk’ op mij gemaakt hebben.

Wat is nu echt belangrijk? mijmerde ik bij mezelf.
Wat, van wat ik deze week heb meegemaakt, doet er toe? preciseerde ik.
Kan ik dat nu al weten, of weten we dat altijd pas langer achteraf?

Ik deed een blok hout op mijn vuurtje om het aan te houden en liep naar de koelkast voor een glas wijn.
Waarom alcohol? Mijn vriend-van-de-tofu doet mee om 40 dagen geen alcohol te drinken. Omdat hij eerder begonnen is dan na carnaval, is hij nu al op de helft. Hij merkt positieve verschillen.
De druivensap in mijn koelkast is waarschijnlijk niet goed meer. Net als de bosvruchtensap. In de cassis heb ik geen zin.
Met een glas water zet ik mij weer voor het vuur.

Hoe zou ik deze tijd omschrijven? Trump? Rutte? Nee, niet die van Halbe Zijlstra of Thierrie Baudet.
De tijd waarin heel de wereld zich niets aantrok van het lot van de Palestijnen? En van de Grieken, Rohingya, Tibetanen, de nog overgebleven Indianen; van alle Vreemden; de tijd waarin wij-en-zij-denken na de Tweede Wereldoorlog weer mode werd?
De tijd waarin we de klimaatproblemen begonnen te onderkennen maar niet bereid waren iets aan onze levensstijl te veranderen?
Toen had ik geen gedachten meer; keek enkel naar het vuur dat mij verwarmde.
Ik nam nog maar eens een slok water.
Geknesper.
Vlammetjes en één heel lange, sierlijk van onder naar hoog.
Ik wil weten hoe het met een familielid van mij gaat; morgenochtend bellen. Niet nu.
Het is alsof een miniwind door de vlammen raast.

Zo zat ik misschien wel vijf minuten. Misschien een kwartier. Tijdloos en stil zoals het geluid van de golven op het strand me aan stilte kan doen denken. In het geluid van golven aan het strand kan ik alles horen; stilte, maar ook vage gesprekken of muziekstukken.
Het geknesper in mijn vuurtje deed me ineens denken aan bigbandmuziek. Onlangs gehoord in TivoliVredenburg. De klankkleur herinnerde mij aan de tijd dat ik speelde in het Utrechts Jazzorkest en bij Jubal waar ik trombone leerde spelen. Indrukken.
Hi, hi.

Dat is het! Wat er echt toe doet is wat ik deed en doe.
Of ik nu samen muziek maak, gedachten uitwissel, stilzit, slaap of mijn werk uitmuntend doe. Het gaat om ‘wat’: ‘Ik heb een steen verlegd,

in een rivier op aarde.
Het water gaat er anders dan voorheen.
De stroom van een rivier, hou je niet tegen
het water vindt er altijd wel een weg omheen.
Misschien eens gevuld, door sneeuw en regen,
neemt de rivier m’n kiezel met zich mee.
Om hem, dan glad en rond gesleten,
te laten rusten in de luwte van de zee.

Ik heb een steen verlegd,
in een rivier op aarde.
Nu weet ik dat ik nooit zal zijn vergeten.
Ik leverde bewijs van mijn bestaan.
Omdat, door het verleggen van die ene steen,
de stroom nooit meer dezelfde weg zal gaan’, zong Bram Vermeulen ooit. Dat is wat er voor mij toe doet: de steentjes, die ìk heb verlegd. Vandaag, gisteren en daarvoor.

Het vuur liet ik uitbranden tot het gloeide; tot het hier en daar nog gloeide. Ik schonk mezelf een glas witte wijn in, poetste mijn tanden na gerag en geflos, waste mijn nek en ik ging naar bed. Het glas wijn plaatste ik naast mijn bed.

Vanmorgen stond het er nog, net zo vol als ik het gisteren had ingeschonken.
Na opstaan, wassen, ontbijten en bellen dacht ik bij mijzelf: Welk steentje ga ik vandaag in welke rivier verleggen? Wat voor moois ga ik vandaag bijdragen aan de wereld inclusief mijn familie, vrienden en aan mijzelf?
“Wat voor moois nog meer? preciseerde ik.
Hi, hi.

Een bijzonder gesprek

Vorige week vrijdag was ik getuige van een bijzonder gesprek.

Het was koud en ik moest wat inkopen doen. Een neef is binnenkort jarig, zijn zoon ga ik binnenkort zien en zijn moeder is herstellende van een operatie. Ik zal ze alle drie zien. Dan vind ik het leuk iets mee te nemen. Voor het gebaar. Ik liep dus door Utrecht richting De Wijze Kater, want ik verwachtte daar of daar in de buurt wel te slagen. En zo geschiedde, dus tot zover niets memorabels.

Dat ik goed geslaagd was, was een reden om nog lekker ergens iets warms te eten en te drinken. Ik week af van mijn geijkte route en verdwaalde in de buurt van de Oudegracht. Ik weet dat ik vlak langs het water liep. Het was een smal pad met bomen ter hoogte van en aan de waterkant langs de Lijnmarkt. Daar was ik al lange tijd niet meer geweest. Er stond een deur open. Ik dacht van een horecagelegenheid. Daar ging ik naar binnen voor mijn traktatie aan mijzelf. Ik bevond me in een lange gang met ledverlichting aan een kant. De kleuren veranderden steeds. Ik nam een deur naar rechts en liep richting een brandende vintage schemerlamp. Die bleek een hal te verlichten met enkele deuren. Ik woon nu al sinds 1975 in Utrecht, maar dit heb ik nooit geweten. Vanaf de Lijnmarkt ga je de trap af naar het water van de Oudegracht en dan loop je naar rechts en neemt even verder een deur rechts. Er bevindt zich een wereld onder de Utrechtse binnenstad. Op goed geluk nam ik afgelopen vrijdag de vierde deur, want toen ik de derde deur opendeed was het daarachter pikdonker. Achter de vierde was het ook niet goed verlicht, maar ik kon de contouren van de gang redelijk zien. De gang kronkelde. Ik realiseerde me dat ik door het gekronkel mijn richtingsgevoel kwijt raakte. Ik liep naar beneden. Langs een brandende kandelaar. Na een tijdje langs nog een. Er waren soms keuzemogelijkheden waardoor ik me bedacht dat Theseus, door Ariadne met een zwaard en kluwen wol geholpen, de weg uit het labyrint wel zou vinden, maar dat ik hier weerloos dieper en dieper een gangenstelsel inging, zonder besef hoe er ooit weer uit te komen. Dat dat goed gekomen is, bewijst mijn verhaal dat ik u nu nog kan vertellen, maar op dat moment begon ik me onzekerder en onzekerder te voelen. Door nieuwsgierigheid net iets harder vooruit gedreven dan door angst terug liep ik verder. Ik hoorde gedempte stemmen van kinderen en volwassenen. Daaruit maakte ik op dat ik me wellicht ergens in de buurt van DOM-Under onder het Domplein bevond. Maar mijn tocht was nog lang niet ten einde. De stemmen dempten totdat ik ze niet meer hoorde. Ik vroeg me steeds serieuzer af wat ik aan het doen was. Af en toe liep ik langs een fakkel, en die werden brandend gehouden, wat me weer gerust stelde. Ik zag vaag een teken aan de wand. Een symbool voor vrouw, met onderaan het plusje twee vleugels en door de cirkel een veeg. In het midden van de cirkel een stip. Dat moest het teken van de Rozenkruisers zijn; een geheim genootschap zoals de Vrijmetselaars en de Orde van de Gouden Dageraad.

Bij een volgende fakkel rustte ik even uit, maar naarmate ik mij meer realiseerde hoe kwetsbaar ik was, werd ik banger in plaats van dat ik tot rust kwam. Aangezien ik nimmer de weg terug zou vinden, besloot ik mijn nieuwsgierigheid dan maar te bevredigen. Ik liep door. Merkwaardig toch, zo’n hele onbekende wereld te betreden onder de stad die ik wel redelijk ken. Nu kwam ik door een aantal hallen met deuren. Ik zag in een van die hallen stro waarop kennelijk geslapen was. Er lagen wat kledingstukken bij. Ik kwam in een mooie hal met een fontein, waar vers brood op een bankje lag. Ik nam er een stukje van. Verderop lag een hond aan de ketting. Het beest gromde of blafte niet, maar hield me goed in de gaten. Ik was blij met die ketting. Toen kwam ik in een gang rondom een mooie hal, met hier en daar open vensters tussen de hal en de gang. Verderop in die gang, ze hadden mij niet gezien, liepen twee vrouwen in lange gewaden met dienbladen. De ene had bekers op haar dienblad en de ander een bergje van iets. Zij betraden de hal waar kennelijk vergaderd werd en bleven aan de kant staan. Een man stond en sprak, de anderen zaten. Ik kon iets van hun bovenlichamen waarnemen. Ze waren duidelijk in conclaaf.
… vijf dagen vooraf gegaan, waarin alles werd gemaakt, maar dat is minder van belang voor ons onderwerp“, vertelde de staande man voordat hij ging zitten.

Het bleef geruime tijd stil.

Dank Daniël”, sprak een witgeklede man met een witte baard. Door een venster zag ik de vrouwen met hun dienbladen nu hun nering uitdelen aan de mensen in de hal. Daarna at en dronk iedereen; enkelen fluisterden met elkaar.

Atho”, sprak de witbebaarde man na even.

Het bleef weer even stil.

Dank”, sprak toen de man, die kennelijk ‘Atho’ heette nadat hij opgestaan was, “Dank voor uw uitnodiging en dat ik hier het woord mag voeren enzovoort, enzovoort.
Er zijn natuurlijk verhalen over mensen die voortkomen uit planten of zaden, of mensen die voortkomen uit de aarde zelf, die dan ‘Moeder Aarde’ genoemd wordt, maar daarmee zijn wij niet groot gebracht.

Wij zijn ermee grootgebracht dat mensen uiteindelijk voortkomen uit twee boomstammen. Deze boomstammen werden door de goden omgevormd tot een man en een vrouw. U moet weten, dat er eerst een Oerreus was, vergelijkbaar met de oerknal waar tegenwoordig door de mensen over gesproken wordt. Die oerreus heette Ymir. Hij was alleen als reus op de aarde en schonk daarom het leven aan de Vorstreuzen. Dat was op aarde de eerste gemeenschap buiten het planten- en dierenrijk. Zij hadden het goed met elkaar maar leefde zoals reuzen doen, niet in overeenstemming met hun omgeving. Er was iets anders nodig voor de aarde, waardoor de goden geboren werden. Het antwoord op de vraag hoe dat gegaan is, moet ik u allen schuldig blijven, want over de oorsprong van de goden hebben wij geen verhaal. Echter, zij leefden pas nadat de Vorstreuzen niet in overeenstemming met de hen omringende natuur leefden. De goden schiepen op hun beurt dwergen die de hemel vasthielden. En toen dat alles voltooid was en goed werkte, schiepen de goden de mens dus uit twee boomstammen.

Het bleef geruime tijd stil. Ik vond het een mooi verhaal en maakte wat aantekeningen om belangrijke details te kunnen onthouden.

Dank, Atho”, sprak de wit bebaarde man, “U heeft mooi gesproken. Wie wil er nog iets eten of drinken?” Enkelen wilden dat en de vrouwen kwamen weer met beladen dienbladen langs. Ik zag ook een man met een leeg dienblad, die de lege bekers, borden en het gebruikte bestek meenam.

Tenzin”, sprak de witbebaarde man.

Dank”, sprak toen de man, die kennelijk ‘Tenzin’ heette, “Dank voor uw uitnodiging en dat ik hier het woord mag voeren enzovoort, enzovoort.

Er zijn natuurlijk veel verhalen en wij tasten in het duister over de eeuwige waarheid. Wat wij onze kinderen vertellen en wat wij gehoord hebben van onze ouders, die het weer van hun ouders vernamen is het volgende.”

Gesar is bij ons een belangrijke historische figuur, die geboren is uit de leider van de stammen in Gling, dat ook wel Ling genoemd wordt, en de naam ‘Seng blon’ droeg en een nagaprinces uit de onderwereld die uitgezocht was door Padmasambhava. Laatste is een god, die de taak op zich nam het volk van Gling te bevrijden van demonen en kwade krachten, nadat de goden smeden de opdracht hadden gegeven om vogeleieren te openen. Uit deze vogeleieren zijn de zes stammen van ons volk voortgekomen.

Het bleef weer geruime tijd stil. De witbebaarde man mompelde: “Dank, Tenzin”, en vervolgde, “mag ik uw verhaal samenvatten met ‘Uit vogeleieren, die door smeden in opdracht van goden zijn geopend’?

Er is meer over te zeggen, maar u heeft de kern uitstekend samengevat, Baniti”, sprak Tenzin.

Na een stilte nam de witbebaarde man, die kennelijk ‘Baniti’ heette, het woord:
Ik stel voor direct het woord te geven aan Raisha.
Er werd instemmend gemompeld, waarop Baniti luid sprak: “Raisha.

De donkere vrouw in het gezelschap stond op en ging er goed voor staan voordat zij begon te spreken. Haar benen iets van elkaar en met een rechte rug schraapte zij haar keel.

Dank voor uw uitnodiging en dat ik hier het woord mag voeren, enzovoort, enzovoort.

Wij geloven dat mensen voortkomen uit de onderwereld. Echter, om vanuit de onderwereld de aarde te bevolken is haast onmogelijk. Eerst is er de weg naar de bovenwereld, hier boven ons. Dan is er nog de andere wereld van de aarde waarin de mensen uit de onderwereld niet kunnen overleven. Onze schepper, de spin-grootmoeder, is er één keer in geslaagd om mensen vanuit de onderwereld naar het Zuidwesten van ons continent te leiden en hen onderweg te leren om te gaan met alles wat de aarde ons biedt.

Helaas kan ik u bij gebrek aan gegevens niets belangwekkends vertellen over de onderwereld.

Het bleef weer geruime tijd stil.

Dank, Raisha”, sprak Baniti, “U heeft mooi gesproken. Wie wil er nog iets te eten of te drinken?” Enkelen wilden dat.
Laten wij ons ook vertreden”, sprak Baniti en iedereen stond op en liep zwijgend in alle rust kriskras door de ruimte om even later weer ergens, kennelijk op een willekeurige plaats, aan de tafel plaats te nemen. De vrouwen kwamen weer met beladen dienbladen langs en de man met een leeg dienblad, die weer in alle rust de lege bekers, borden en het gebruikte bestek meenam.

Jiba”, sprak Baniti.

Een andere donkere vrouw stond op en sloeg haar ogen neer.

De regenboogslang is onze oergod, maar laat mij u allereerst bedanken voor de uitnodiging hier het woord te mogen voeren enzovoort, enzovoort. Deze regenboogslang slikte eerst de mensen in, om ze later op het land uit te braken, waarna zij het land bevolkten.

Vervolgens nam zij weer plaats.

Dank Jiba, u heeft geen woord teveel gezegd en toch alles verteld wat wij wilden weten. Nestor, wat is uw verhaal?

Een jongeman stond op en begon al te praten, voordat hij goed en wel stond, maar ik kon hem goed verstaan.

In een onzer verhalen heeft Promethuis mensen uit klei gemaakt. Hij had het voorrecht om uit klei mensen te scheppen van Zeus ontvangen, dat was of is de zoon van Kronos die door de nieuwe goden verslagen was.

Echter, onze historische dichter Hesiodos wist ons te vertellen dat het iets meer om het lijf had. Zowel Kronos als Zeus schapen opeenvolgende rassen onder de mensheid: zo werd in de IJzertijd het menselijk geslacht geboren om te zwoegen. Gezinnen vielen uiteen onder al dit lijden en het kwade overwon het goede.

In de Heldentijd daarvoor werden de helden geboren uit menselijke moeders en goddelijke vaders. Velen van hen sneuvelden in de strijd. Voor enkelen van hen was dit een goede ruil, omdat zij na hun dood kwamen te leven op de Eilenden der Gelukzaligen. Daarvoor nog werd ontdekt hoe van stenen brons te maken en te bewerken. In de Bronstijd voerden mensen voortdurend oorlogen met elkaar tot zij bijna allemaal ten onder gingen aan hun gezamenlijk geweld tegen elkaar.

Daarvoor, in de Zilvertijd, genoten mensen van een lange kindertijd, maar eenmaal volwassen veronachtzaamden de mensen de goden en zij zijn daarom door Zeus zowel geschapen als vernietigd. De mensen uit de Goudtijd voor de Zilvertijd, die het prettig hadden met elkaar, zijn ooit door een aardbeving of overstroming weggevaagd van de aarde.

Daarna bleef het weer stil en de jongeman ging zitten. Ik begon honger te krijgen en besloot de rest van de verhalen niet af te wachten. Hoe ik na een lange tocht – dat weet ik wel – in Utrecht teruggekomen ben, weet ik niet meer. Ik ging een deur door en stond ineens in de Domkerk. Ik keek achterom en zag geen deur, maar een altaar. Ik wist toch zeker dat ik daardoor in de kerk terecht gekomen was, maar kennelijk was de deur alleen een uitgang.

Overigens bleek mij later dat Atho het verhaal over de oorsprong van de mens vertelde uit de Noords/Germaanse historie, Tenzin het Tibetaanse verhaal, Raisha dat van de Noord-Amerikaanse Hopi-indianen, Jiba het Australische Aboriginal-verhaal en de jonge Nestor dat van de oude Grieken.

Wat mij, na dit alles meegemaakt te hebben, nog steeds ontroert was een groep mensen gezien te hebben, die naar elkaar luisterden. Wat een mooie ervaring was dat.

Mijn reis

Wanneer ik mijn reis begonnen ben, weet ik niet meer. Ik herinner me een huis met mijn ouders, broers en zusters. Ik herinner me schoolklassen. Ik herinner me mijn andere familieleden bij ons op bezoek of wij daar. Ik herinner me een strand met vriendjes en vriendinnetjes. Misschien was toen al… In elk geval herinner ik mij van daarna alleen mijn voettocht.

Ik denk dat ik bij wijze van spreken wel alle paden in ons koninkrijk bewandeld heb, van alle uitzichten heb ik genoten, alle weertypes heb ik meegemaakt, heel veel van ’s konings onderdanen heb ik ontmoet. Velen wandelden dagen met mij mee. Enkelen jaren. Sommigen van hen zijn goede vrienden geworden. Anderen boden me te eten of te drinken aan, of een slaapplaats uit de wind. Er waren er die me hebben bestolen, dat is waar. Dat vond ik niet erg. Onderweg vond ik voldoende te eten en te drinken. Tegen wat werk ontving ik nieuwe kleding als de oude op was of, wat nog wel het meest belangrijk was, nieuwe zolen voor onder mijn schoenen.

Ik kreeg er nooit genoeg van en wandelde in cirkels en over denkbeeldige rechte lijnen. Telkens weer een verrassend nieuw dal tegemoet. Telkens weer een nieuwe wereld betredend. We hebben dan ook een prachtig koninkrijk. Dat vind ik.

Totdat ik, inmiddels zesenhalf jaar geleden, aan het begin van een indrukwekkende boulevard aankwam. Een brede weg door een immens groot bos met in de borders prachtige oude beuken waarachter struiken een zoom tussen het bos en de weg opvulden. Die weg besloot ik in te gaan. Ik liep anderhalve dag over deze bijna rechte oprijlaan en had tussendoor op het gras en onder de struiken geslapen. Daarna arriveerde ik op die door mij gehate dag, of was het een schone dag?, zeker is dat het geen gewone dag was toen ik aankwam bij een grote poort. Er stond een wachter bij. Een lange man, die klein leek onder die poort. Ik wist met zekerheid dat ik was aangekomen bij de grens tussen ons koninkrijk en het koninkrijk, of keizerrijk, of hertogdom, in elk geval bij het land grenzend aan ons koninkrijk waar ik de weg zo goed meende te kennen.

Ik herinner me alles van dat eerste uur. Ik keek langs de wachter dat nieuwe land in. Door de wachter kon ik helaas niet alles evengoed zien. Hij stond fier midden onder de poort. Na geruime tijd liep ik terzijde van de weg om door de poort een zo goed mogelijk zicht op het oosten te krijgen. Daarna liep ik naar de andere kant van de weg om zo veel mogelijk van het nieuwe land in het noorden te zien. De wachter begroette mij toen vriendelijk. Ik trad op hem toe en kon nu, onder de poort, pratend met de wachter, zoveel mogelijk van dat nieuwe vreemde land zien. Het fascineerde me mateloos.

Na een lang gesprek vroeg ik de wachter of het goed was wanneer ik in de poort op de grond ging zitten. De wachter vroeg of ik niet liever een stoel wilde om op te zitten.
Dat zou helemaal super zijn”, antwoordde ik hem.
Dan haal ik een stoel voor u”, antwoordde hij. En dat deed hij. Nu stond ik alleen onder de poort. Twijfel maakte zich van mij meester.
Zal ik?
Wat zou er gebeuren als ik?
Ik keek dat indrukwekkende land nog eens in en maakte een plan hoe ik vooreerst tot mijn ogen reikten zou lopen.
Ik keek de andere kant op naar waar de wachter uit mijn zicht verdwenen was om te zien of hij er alweer aankwam. Dat was niet zo.
Een warme bries blies tegen mijn gezicht vanuit ons buurland, dat mij fascineerde.
Ik vroeg mij af welke taal de mensen in dat land zouden spreken. Wellicht wist de wachter dat. Op school hadden we daarover nooit iets geleerd. Daar ging altijd alles over ons koninkrijk. Over onze gewoonten. Wij, als kinderen en daarna, vroegen ons niets af over wat er daarbuiten zoal zou zijn, op een enkele zonderling na. Misschien, bedacht ik, zou de wachter mij ook kunnen vertellen of ze daar hetzelfde schrift hebben als in ons koninkrijk. Ik bedacht hoe lastig het zou zijn wegwijzers te moeten lezen, als ze die daar ook hebben, als ik ze niet kan lezen en besloot te wachten op de wachter. Mijn twijfel ebde weg. Dit is wel een leuke zin over die vervloekte dag: ‘ik wachtte op de wachter’. Daar hoorde ik zijn voetstappen en even later stond hij bij mij met een onverwacht comfortabele stoel. Hij plaatste die tegen een wand onder de poort en gebaarde dat ik mijn gang kon gaan. Zelf nam hij weer plaats midden onder de poort. Ik bood hem van mijn eten aan. We praatten nog wat. We zwegen. Hij bood mij te eten aan. We dronken nog wat vlak voordat de nacht begon te vallen. Ik mocht van de wachter in een kamer naast de zijne slapen. Hij bood mij dit uit zichzelf aan.

De volgende dagen verliepen eender. Ik stond op, verfriste me bij een waterval niet ver daarvandaan. Ik vervoegde me bij de wachter in ‘mijn’ stoel onder de poort. Hij stond eronder. Ik besefte dat ik mij nooit bij iemand meer op mijn gemak gevoeld had dan bij deze wachter. Zelfs in mijn ouderlijk huis niet. ‘Carel’ heet hij, met een ‘c’. Zeker niet op school en misschien wel voelde ik me bij deze wachter net zo prettig als bij een of twee van mijn allerbeste vrienden. Wanneer het regende hadden we er geen last van, want het was een brede poort. Bij ijzige wind maakten we gebruik van een windscherm. Bij sneeuw warmden we ons aan een houtkachel. Zo verbleef ik bij de wachter tot de winter voorbij was. Het voorjaar brak aan. Later de zomer met de warme briesjes vanuit dat fascinerende land. Dagelijks nam ik er zoveel als mogelijk van in me op. Zes jaren verbleef ik onder de poort bij de wachter. Zesenhalf om preciezer te zijn. Mijn voetreis was zo zonder plan beëindigd en het voelde goed.

Vanmorgen begon eender als altijd. Ik stond op en verfriste me bij de waterval. Ik vervoegde me bij de wachter op ‘mijn’ stoel. We aten wat en we dronken wat. Hij stond. Ik zat. Af en toe zeiden we eens wat; het was al zo vertrouwd. Alsof het mij overkwam vroeg ik aan de wachter, of een heldere stem in mij zonder enig besef van wat ik over mijzelf, over hem, over alles wat er voor hem en mij toe doet zou afroepen:
Carolus Knegt”, want zo heette hij voluit, “wij zitten hier nu al vijf of zes jaren, u nog langer. En er is nog nooit iemand vandaar (en ik wees naar ons buurland) hier aan de poort gekomen. Er is ook nog nooit iemand vanuit ons eigen koninkrijk hier aan de poort gekomen. Wat doet u hier?
Hij glimlachte, zo vriendelijk als hij glimlachen kan en waarvan ik zes volle jaren genoten heb, en antwoordde:
Ik begrijp dat mijn missie vandaag misschien voltooid wordt. Dat spijt mij, maar het is goed.
Heel deze prachtige poort met haar majestueuze toegangsweg zijn hier voor u, Gerardus Horlings. U heeft, naar zijn aard, de laatste en pittige etappe naar hier alleen bewandeld. Dat kan ook niet anders.
Mijn twee eenvoudige opdrachten zijn om u bij te staan, zodra het uw wens is deze grens te passeren voor het geval dat dit u angst inboezemt en ook om u verder een goede reis te wensen.
Ik sta hier, om uw vraag bondig te beantwoorden, louter en alleen om u door te laten.