Alweer 93 jaar geleden…

Een voor mij herkenbaar verhaaltje.

Het was 1926. Pablo Casals, een 50 jarige en zeer invloedrijk Catalaans of zo u wilt Spaans cellist die geboren was met de naam Pau Casals i Defilló, liep over het strand en keek naar de zee. Hij had zojuist de laatste hand gelegd aan zijn ‘La Sardana’, achteraf wellicht zijn meest invloedrijke werk voor cello-ensembles. Tevreden mijmerde hij de melodieuze noten stuk voor stuk en hij struikelde. Een wijnfles was er de oorzaak van dat hij even zijn evenwicht verloor.

Casals raapte de lege fles op en probeerde de kurk eraf te trekken want, hoewel leeg, er zat iets in. De kurk floepte na even uit de flessenhals, maar wat hij nooit verwacht had omdat hij niet veel meer met sprookjes had, uit de fles kwam een geest. Deze geest had jaren in de fles opgesloten gezeten en was haar bevrijder dankbaar. Daarom wilde zij zich van haar beste kant laten zien en bood Casals aan wel twee wensen te doen.

Casals hoefde daarover niet lang na te denken. “Zou u kunnen zorgen voor wereldvrede?”, vroeg hij de geest.
De geest schrok van deze vraag. Beschaamd antwoordde zij dat dat voor haar echt een te moeilijke wens was om te vervullen: “Het spijt me echt.
Vol begrip dacht Casals na over een tweede wens. Na even vroeg hij de geest: “Ik zou zo graag zuivere noten op mijn cello willen spelen.” Nu begon de geest te blozen en te hakkelen, totdat zij aan Casals vroeg: “Wat was uw eerste wens ook weer?

Voor mij is dit verhaal herkenbaar nu ik bijna anderhalf jaar cello speel. Een cello vraagt namelijk om een nauwkeurigheid van de linkerhand die voor mij nog samenhangt met stoelhoogte en plaats waar de pin op de grond staat. Die pin zit onder het instrument.

Bij nagenoeg elke noot worden tonen gemaakt door in combinatie met strijken of tokkelen de snaren exact op de juiste plaats tegen de toets (het zwarte vlak onder de snaren) te drukken of alleen maar exact op de juiste plaats aan te raken. In het begin ‘wandelen’ de vingers van de linkerhand vaak over de vier snaren alle kanten op. Maar dat Pablo Casals hier nog moeite mee zou hebben, maakt wel duidelijk dat het hier echt om een sprookje ging.

Bron: Naar een mop die ik van cellist en docent Mirjam Daalmans (celloklas.nl) vernam.

Onkreukbaar Vorden

Een bestuurder reed door Vorden, ongeveer 10 km ten zuidoosten van Zutphen, op weg naar huis. Hij was een van de 5.100 inwoners van het dorp, dat bij binnenkomst laat zien hoe hard u rijdt en bij het verlaten bestuurders dankt voor het niet harder rijden dan 50 km per uur. Op een kruispunt werd hij geflitst. Hij wist toch zeker dat hij door groen gereden was.

Voor de zekerheid keerde hij zijn auto en nam het kruispunt opnieuw. Nu zeker door groen werd hij opnieuw geflitst. Dat begreep hij niet. Thuis gekomen begreep zijn vrouw het ook niet. Nog voordat ze aan tafel gingen, stapten ze samen in de auto en hij kreeg gelijk: weer reden ze door groen en toch werden ze geflitst.

Na weken lagen er bij de bestuurder en zijn vrouw drie enveloppen van het Centraal Juridisch Incassobureau op de mat: drie maal rijden zonder gordel is 3x € 140 = € 520.

Nagekomen bericht
In Vorden zijn geen verkeerslichten…

Ergo, het verhaal van de buurman van een ex-collega van mij speelde zich in een andere omgeving af of is door iemand verzonnen. In elk geval past de titel van dit stukje niet langer bij de inhoud, hoe onkreukbaar men in Vorden ook mag zijn.

Bron: naar verluid de buurman van een oud-collega van mij, toen ik tussen Zutphen en Dieren in Brummen werkte.

Vrijheid

Over het geheel genomen”, oreerde de kale man vanuit zijn veel te zware leunstoel, “leven we in vrijheid; zijn we vrij om te doen wat we willen.
Daarna liet hij een stilte vallen.
De bleke vrouw van een jaar of 30, die op de bank tegenover hem zat, reageerde niet. Ze liet het woordje ‘vrijheid’ tot zich doordringen, benieuwd wat dat zou zijn.
De stilte duurde voort en haar gedachten kabbelden naar opstaan van de bank, naar het raam lopen, daaruit springen om op de wind te vluchten totdat de wind uitgewaaid was en haar aan de grond zou neerzetten in een gezellig groen land met grote vruchten aan de bomen; nee, op haar handdoek op een heerlijk strand aan een blauwe zee. Nooit meer iets te hoev
Besef je dat, Elsbeth?
Nu moest zij reageren, maar waarop? O, ja, we zijn vrij.
Ik denk het niet, meneer Roere. Ik denk niet dat ik besef vrij te zijn om te doen wat ik wil.
Meneer Roere keek haar vanuit zijn veel te zware leunstoel aan alsof hij een pijp rookte, maar hij was daarmee al jaren geleden gestopt. Een ander in de spreekkamer zou gedacht hebben dat hij op zijn gemakje zittend een sculptuur bekeek, maar Elsbeth voelde zich met zijn blik op haar gericht als een laboratoriummuis.

Met zachte stem probeerde hij: “Elsbeth, de wereld ligt aan jouw voeten. Jij bent het die bepaalt wat jij in jouw leven gaat doen of niet. Jij bent de kapitein op jouw
Wat doet u met uw vrijheid?
Ik help mensen zoals jij hun leven weer in eigen hand te nemen.
Ik zou dat niet kunnen; andere mensen helpen hun leven in eigen hand te nemen.
Maar dat hoeft toch ook niet? Jij kunt doen waar je goed in bent en wat je wilt.
Maar”, nu liet Elsbeth een lange stilte vallen om de juiste woorden te vinden, “maar als er geen andere mensen waren om te helpen; wat zou u dan
Er zijn zoveel mensen, altijd genoeg om te helpen”, viel de heer Roere haar in de rede.
Elsbeth had spijt dat ze daarnet niet was opgestaan om het raam uit te vliegen. Nu kon het niet meer.

Dat hangt ervan af wat het mij waard is om bij mijn keuze te blijven”, antwoordde hij alweer te snel.

Fijn”, zei ze zacht om even later nog zachter te vervolgen met: “Wat is dat eigenlijk, vrijheid?
Dit was bekend terrein voor de heer Roere, die er even voor ging zitten. Nog voor hij van wal kon steken, preciseerde Elsbeth haar vraag: “voor u?
Dat weet ik niet”, flapte hij er naar eer en geweten uit.
Dit antwoord verraste Elsbeth zo dat ze in de lach schoot; een giebellach.
Eindelijk zaten ze even van mens tot mens tegenover elkaar; de zoekende Elsbeth de Boer* van 31 en de vaderlijke Wim Roere* van 46.
De heer Roere wilde zijn gezag herstellen, maar tegelijk beviel hem de situatie van het gebroken ijs te goed om dat te doen. Een nieuwe inval schoot hem te binnen, waaraan hij geen gehoor gaf, omdat hij die te amicaal vond. Zo duurde het menselijk contact langer dan ooit in zijn praktijk. Hij vroeg zich af of het een blunder was geweest toe te geven dat hij helemaal niet weet wat vrijheid voor hem is. Het kon hem nu even niet schelen; blunder of niet. Deze sessie duurt nog 12 minuten. Daarin kan hij haar nog heel wat meegeven. Hij probeerde een vraag: “Weet jij dat; wat vrijheid voor jou is?
Voor mij is vrijheid mijn eigen gang gaan, maar ik geloof niet dat ik altijd vakantie kan vieren.” Elsbeth zocht naar nieuwe woorden en de heer Roere wachtte af welke dat zouden zijn. “Voor mij is vrijheid helemaal niet mijn eigen gang gaan, maar mijn keuzes maken en dat mijn keuzes door mijn partner gewaardeerd worden.” De heer Roere zag dat ze nog niet klaar was. “En door mijn moeder.
Dus vrijheid is ingewikkeld”, constateerde de heer Roere onverwacht, “want jouw keuzes, of laat ik het over de mijne hebben, worden niet altijd met applaus ontvangen.
En dan, als u door uw keuzes afgewezen wordt?
Dat hangt ervan af wat het mij waard is om bij mijn keuze te blijven”, antwoordde hij alweer te snel. In zijn beleving was een tweede blunder in amper vijf minuten een feit.
Maar, meneer Roere, dit heeft toch niets met vrijheid te maken?”
Het valt niet mee”, constateerde de heer Roere.
Staan mijn vriendschappen en mijn partnerschap op gespannen voet met vrijheid?
Misschien gaat het altijd erom wat het je waard is”, vroeg de heer Roere zich geïrriteerd over zijn onprofessionele opstelling hardop af.
Dan is dit mijn laatste gesprek met u met haar gezicht naar de klok. Ik dank u voor de afgelopen maanden van steun. Ik was van het dak gesprongen als ik u niet zo snel had gevonden. Nu ben ik niet zo hopeloos meer. En ik wil mijn man niet ongelukkig maken en ik wil helemaal geen ruzie met hem ook al is hij een onbenullige stier. Dan vul ik mijn vrijheid in met overgave aan een keus die ik ooit maakte. Ik heb veel aan de gesprekken met u gehad. Dank u wel” en zij maakte aanstalten om van de bank op te staan.
Overvallen door zoveel kordaat gedrag van de bleke Elsbeth verschool de heer Roere zich snel achter zijn goed-passend masker en zei: “Het lijkt mij een goede keus, Elsbeth, en ik wens je veel wijsheid in de toekomst. Mocht je het nodig hebben, dan ben je hier altijd welkom.

Elsbeth voelde hoe het onderling menselijk contact weer plaats gemaakt had voor de belerende psycholoog dr. W.J.Roere. Nu wist ze dat hij buiten zijn spreekkamer net zo zoekend was als zij. Al zocht hij op een andere manier.
Na haar vertrek uit zijn spreekkamer zette hij zich aan een kort verslag van het gesprek. Zijn gedachten werden tegen het eind van het verslagje meegevoerd naar de mogelijke partner van Elsbeth. Zou hij eenmaal van zijn voetstuk zich daarmee kunnen vergelijken? Nou, ‘een stier’ zou hij zichzelf nooit noemen.

Nadat Elsbeth achter haar cappuccino zat bij het Italiaanse espressotentje, dat ze altijd na de heer Roere bezocht, vroeg ze zich, vlak voordat ze een tijdschrift ter hand nam, even af of de heer Roere wel zocht.

Die avond liet zij haar partner weten dat het voor haar echt zo niet langer ging.
___________________
* Elke overeenkomst met bestaande personen berust op louter toeval.

Priors vreemde opdracht

Het was een dag in juni dat de vrouw van de tuinman met betraande ogen het ontbijt voor haar kinderen klaarmaakte. Het laatste gewone ontbijt van deze week. Misschien van deze maand en wellicht van dit jaar of hun ganse leven. Het werk van haar man, een uitmuntende en oplettende tuinman zoals later dit verhaal zal blijken, was door het overlijden van zijn heer opgehouden. De beste man had nu geen bron van inkomsten meer en zat al dagen terneergeslagen op een stoel in zijn kleine huisje van leem. ’s Nachts verplaatste hij zich terneergeslagen naast zijn vrouw in de bedstee. Zijn begripvolle vrouw hield zielsveel van hem, begreep hem, liet hem, zoende hem soms tussen de bedrijven door, maar nu maakten de zorgen voor wat er van hun kinderen moest worden zich van haar meester. Zij bracht haar man een deel van het brood en onze tuinman zag haar tranen.

Dit echtpaar had geen woorden nodig. Dat was nog niet in die tijd. De man at slechts zijn brood en stelde voor zichzelf vast dat het zo niet langer kon. Hij verzaakte, en deed gebukt onder de naargeestige omstandigheden zijn door hem beminde vrouw verdriet. Zo boorde hij voorzichtig moed aan onder zijn hopeloosheid en zelfmedelijden. Hij ging wat rechter op zitten. Een glimlach verscheen op zijn gezicht. Dat was voor het eerst sinds zijn thuiskomst met de akelige tijding.

Hij stond op en liep naar zijn vrouw. Hij zoende haar en sprak:
Vanavond kom ik terug, met of zonder werk.
De tuinman vertrok en zijn vrouw putte hoop. Hij liep twee uur en durfde een beetje van de omgeving te genieten. Vooral van de bruisende beekjes, die vanaf de berghellingen naar onder stroomden. In de verte doemde de priorij op, die het doel van zijn tocht was. Nog even en hij zou zijn diensten daar aanbieden.

Aan de poort maakte hij alleen duidelijk dat hij de prior hoognodig had en dat hij, met begrip voor de drukke werkzaamheden van de prior eventueel de rest van de dag zou wachten totdat de prior slechts een klein deel van een uur tijd voor hem vrij zou kunnen maken. De dienstdoende monnik vroeg hem of hij onze tuinman ook zou kunnen helpen. De tuinman antwoordde:
Och kon dat maar, ik zou de hemel danken.” en hij wende zijn gezicht af.
Wacht hier’, reageerde de monnik en hij sloot het spreekluik in de poort.

Na enige tijd werd de poort geopend en de monnik nodigde de tuinman verder te komen. Zwijgend liepen ze naar de werkkamer van de prior.
Wat kan ik voor u doen?”, vroeg deze toen onze tuinman in de deuropening stond.
Mag ik ietsje binnenkomen en de deur sluiten?
Komt u ietsje verder.
Hoogeerwaarde heer en prior van deze prachtige priorij, aangesteld door God en de Paus, voor ik u mijn verzoek doe, zal ik kort uitleggen waarom ik de stoute schoenen aangetrokken heb en nu van uw tijd vraag.” En hij legde de omstandigheden uit waardoor hij geen werk meer had en over het genoegen dat hij altijd aan de uitoefening van zijn vakmanschap beleefde. Hier dacht de prior dat de tuinman slechts een aalmoes vragen ging. Hij werd in zijn vermoeden gesterkt, toen onze tuinman begon over de honger, die zijn vrouw en kinderen nu moesten doorstaan, maar de tuinman besloot met de vraag de tuin van de priorij te mogen onderhouden tegen voedsel voor zijn vrouw en kinderen.

De prior liet de consequenties van zijn antwoord tot zich doordringen, waardoor het een geruime tijdspanne stil bleef in de werkkamer.
Nadat hij een besluit genomen had, verwoorde hij zijn beslissing aldus:
U zegt een goede tuinman te zijn en wij kunnen wel een lekentuinman gebruiken, maar alleen als dat een bijzonder bekwame vakman is. Ik kan u daarom het volgende aanbod doen:
In de tuin van deze priorij wonen vijf broers, maar ik kan ze niet vinden. Zij moeten gemakkelijk te herkennen zijn, want zij lijken sprekend op elkaar. Echter, twee van hen hebben een baard, twee andere zijn kaalgeschoren en de resterende broer heeft een halve baard. Wanneer u deze broers vandaag vindt, kunt u hier als lekentuinman komen werken waarbij wij u normaal naar uw arbeid zullen belonen. Wanneer u de broers niet vindt, zullen wij u uit dankbaarheid voor uw resultaatloze hulp en vanuit mededogen wat brood voor de komende dagen meegegeven naar uw huis.
Wij lunchen op het middaguur en ik nodig u uit tegen die tijd deel te nemen aan onze maaltijd.

De tuinman verliet de werkkamer met de woorden:
Ik dank u voor uw hulpvaardigheid in mijn troosteloze toestand”, en verkende de tuin van de priorij. Daar bleek werk zat, maar nu moest hij eerst zoeken naar de onbekende vreemde broers. Zoekend verstreek de tijd en onze tuinman liet de lunch – ondanks zijn honger – aan hem voorbij gaan. Tegen drie uur die middag verscheen er alweer een glimlach op zijn gelaat. Opgelucht kwam hij overeind uit de bloemperken in de tuin. Hij ging op weg naar de werkkamer van de prior en klampte de eerste de beste monnik aan, die hij aantrof, met de woorden:
Ik heb verheugend nieuws voor uw prior. Zou ik hem in zijn drukke werk mogen storen?
De monnik vroeg de prior en begeleidde wat later de tuinman naar de werkkamer.

Hoogeerwaarde prior, ik heb de door u gezochte broers gevonden.
Dan loop ik met u mee, want ik ben zeer benieuwd ze te ontmoeten.
Onze tuinman begeleidde de prior naar een rozenperk en ongezien glimlachte de prior besmuikt. Hij sprak echter de woorden:
Ik zie geen broers, beste man.
Mag ik u verzoeken door de knieën te gaan en de groene bladeren rondom deze prachtige rozen te aanschouwen? Daar staan de door u gezochte vijf broers in een kring: twee met een baard, een met een halve baard en twee zonder baard.
De prior deed wat de tuinman vroeg en zag de vijf groene broers rond elke bloemkroon die hij in dit rozenperk bekeek.

Misschien zijn rozen door deze broers wel de ‘koninginnen onder de bloemen’ geworden, die we zelfs in onze jaren nog altijd geven bij gebeurtenissen, zoals diploma-uitreikingen, liefdesverklaringen, trouwerijen en verjaardagen. Gebeurtenissen, die verleden en toekomst in het nu aan elkaar verbinden.

Een nieuw metier

Vanmorgen oefende ik met ‘eerste’ en ‘tweede vinger’ en onregelmatige tempi. Ik heb het maar getroffen met mijn buren, die vinden dat ‘als ik het nog moet leren, ik het maar moet leren‘. Mijn linkeroor zit nòg dichter bij het soms snerpend of krassend geluid wat niet om aan te horen is. Wat is het geval?

Op 23 maart jongstleden, nog geen maand terug in de tijd, ging ik met een vriendin naar het lunchpauzeconcert in TivoliVredenburg. ‘De menselijke stem van de cello’ stond op het programma; uitgevoerd door de celloklas van het Utrechts conservatorium HKU onder leiding van Timora Rosler. We hoorden eerst een uitvoering van de ‘Symfonie voor acht cello’s’ van Philip Glass (1937). In één woord: “Prachtig” (als je van Philip Glass’ stijl houdt). Toch 8 woorden. Daarna speelden Laia Terre en Angela Guillen de ‘Suite voor twee cello’s’ van David Popper (1843 – 1913) en toen gebeurde het. Ik fluisterde tijdens het welgemeend applaus mijn vriendin in het oor: “Ik ga cello spelen”. “Fagot is ook mooi”, fluisterde zij als eerste reactie. “Ja, maar het wordt cello”, volharde ik.

Daarna werden nog de ‘Libertango’ van Ástor Piazzolla (1921 – 1994) gespeeld, het ‘Requiem’ van David Popper en ‘Bachianas Brasilieras nr. 1 voor acht cello’s’ van Heitor Villa-Lobos (1887 – 1959). Vervolgens consumeerden we traditiegetrouw nog een koffie met gebak en ik bleef vastbesloten.

Nu had ik na deze afspraak nog met een vriend afgesproken. Ik deelde hem mee hoe mijn leven vanaf (toen) ‘vandaag gaat veranderen’. Hij vertelde nog een cello in bezit te hebben. Die stond nog bij iemand anders, maar zou ik in bruikleen kunnen krijgen.

Ik geniet ervan om aan iets te beginnen wat ik nog helemaal nooit gedaan heb.

’s Avonds vroeg ik via mijn ‘Nextdoor-App’ wie een goede cellodocent voor mij wist en prompt werd mij een docent in de buurt warm aanbevolen. Haar belde ik zaterdagochtend, nog geen etmaal na het concert, en we spraken een eerste proefles af voor woensdag.

De muzikaal leider Timora Rosler toonde zich via de mail verheugd over mijn enthousiasme voor de cello door het concert, net als de programmeurs van de lunchpauzeconcerten in TivoliVredenburg.

Dinsdag belde ik mijn vriend over zijn cello. Die liet nog even op zich wachten, dus via Markplaats zocht ik een geschikt instrument. Ik vond een

    ‘Excellent Cello 4/4 Warm sound, comes with bow and soft case; Bohemian instrument very easy to play and responsive warm, full and round sound for advanced amateurs or beginning conservatory.’

Daar bood ik op en ’s avonds haalde ik mijn nieuwe oude cello in Amsterdam op.

Woensdag werden mij zodoende de allereerste beginselen uitgelegd van het cellospelen, te beginnen met het zitten zonder cello.

En nu probeer ik dus geheim na geheim van mijn cello te ontdekken. Dat ik vroeger verdienstelijk schuiftrombone gespeeld heb, scheelt wel iets. Mijn cellodocente vond deze ontwikkeling wel bijzonder. Zij constateerde: “De cello is onder de strijkinstrumenten, wat de trombone onder de blaasinstrumenten is.” Het scheelt iets, maar hoe ik ook van mijn oefeningetjes geniet, hoeveel plezier ik er ook aan ontleen te tokkelen en te strijken en hoewel ik merk vorderingen te maken, ik bak er nog niet veel van.

Het valt ook niet mee, omdat ik nog geen maand geleden voor het eerst een strijkstok vasthield. Die moet overigens midden tussen de kam en de toets met de haren vlak op de snaren en voor elk van de vier snaren onder twee iets andere hoeken, waarbij de strijkstok losjes en toch ook stevig met de rechterhand vastgehouden dient te worden en met mijn linkerhand moet ik op gehoor mijn wijsvinger, wijs- en middelvinger, wijs-, middel en ringvinger of alle vier mijn vingers op de snaren zetten (terwijl ik nog geen halve tonen hoef te spelen), en terwijl ik de duim van mijn linkerhand tegenover mijn middelvinger tegen of onder de hals behoor te houden en tenzij mijn vingers de snaren niet mogen aanraken, waarbij de muziek aangeeft welke strijkbewegingen ik zou moeten maken van de componist, tenzij ik met mijn linker- of juist rechterhand respectievelijk hoog op de hals of onder aan de toets moet tokkelen.

Ik geniet ervan om aan iets te beginnen wat ik nog helemaal nooit gedaan heb. Al klinkt het soms venijnig scherp of krassend in mijn oren, als ik er al muziek uit krijg, want op de kam strijkend, heb ik gemerkt, komt er haast geen muziek uit ’t ‘very easy to play and responsive warm, full and round sounded Bohemian instrument’.

Oogsten na de storm

Tobias paste in zijn rijtjeshuis met zijn vrouw Godelinde, zijn twee kinderen en zijn hond. Nou ja, hond? Hondje! Zijn kinderen van 9 en 6 keken nog tegen hem op en zijn vrouw hield van hem en van zijn inkomen. Tobias was blij met zijn werk als directeur van een flinke basisschool. Afwisselend werk met kinderen, docenten, ouders, de gemeente, maatschappelijke instellingen en wat niet al. “Wie de jeugd heeft, heeft de toekomst”, zei hij zelfs op ongepaste momenten. Hij was op alle vlakken onomstreden en de school lag in een wijk met jonge mensen, dus wat kon hem gebeuren?

Hij wilde wat meer doen voor de mensen in zijn omgeving. Zijn relatie met Godelinde was stabiel; “Een heerlijke sleur”, zei hij als mensen er naar vroegen. Grote delen van de weekenden reserveerde hij voor zijn twee dochters, en ook doordeweeks wilde hij meedoen in het huishouden als hij van school kwam. Hij realiseerde zich niet dat het gewone alledaagse leven plaats gemaakt had voor de stilte voor een storm.

Tobias besprak met Godelinde dat hij één avond in de week in hun huis mensen wilde gaan masseren. Hij had eerder met zijn vrouw een cursus daarvoor gedaan en “Zou het niet leuk zijn om het geleerde in de praktijk te gaan brengen?
Godelinde: “Je doet maar wat je niet laten kunt, als je aan mij-masseren niet genoeg hebt.
Tobias: “Maar ik wil het samen, tenminste jij zoveel avonden als je wilt en ik op donderdagavond.
Ik heb mijn vader ook nog, Tobbekop.
Ja, natuurlijk, mijn godje.
En als ik dit nu toch ga opzetten?
In de kleine voorkamer? Je doet maar. Maar ik ga de mensen niet ontvangen.

Tobias dacht zijn plannen goed uit en na verloop stond er een massagetafel in de kleine voorkamer. Via zijn school maakte hij bekend dat hij massages aan huis gaf. “Nee, het ging hem niet om het geld.
Nee, niet met een happy end.”

De eerste klanten kwamen voor € 10 per behandeling van zo’n drie kwartier en Tobias praktiseerde zich als een masseur op te stellen. Er volgden nog enkelen tot de tweelingzus van Godelinde vroeg – aan Godelinde – of zij zich ook mocht laten masseren door Tobias. “Je doet maar”, had haar zus gezegd, “als je er maar goed over praat met jouw Karel.
Ik wil geen gedoe in de familie.

Tobias’ schoonzus was drie maanden geleden bij Tobias geweest. Na het vertrek van haar zus – ze hadden achteraf nog even gedrieën een glas wijn gedronken – voelde Godelinde zich er toch niet zo lekker mee.
Hoe was het masseren vanavond, Tobbekop?
Ik heb haar borsten niet aangeraakt, hoor”, antwoordde Tobias, die gevaar rook.
Hoe was het?
Net als de anderen.
Hoe voelen die anderen?
Iedereen voelt anders en jij het fijnst van iedereen”, probeerde Tobias de situatie te redden.
Hoe was het?
En nu kreeg Tobias de ingeving, die een storm zou inluiden: “Lief godje van me, als ik voel, voel ik niet de huid van een ander, maar ik voel mijn eigen vingers. Niets meer en niets minder.
Hmmm”, reageerde Godelinde. Ze had het er verder bij gelaten.
Bij het uitlaten van het hondje voelde Tobias een ongekend chagrijn van zich meester maken.

Die nacht kon Tobias niet in slaap komen. “Als ik voel, voel ik niet de huid van een ander, maar ik voel mijn eigen vingers”, spookte door hem heen.
Als ik kijk, zie ik niet de ander, maar ik zie alleen wat ik zie van de ander”, varieerde hij.
Als ik hoor, hoor ik niet alle geluid, maar alleen de geluiden waarop ik focus; misschien alleen de woorden die ik begrijpen kan. Alleen de zinnen die ik aankan.
Als ik denk, denk ik binnen mijn eigen denkraam, zou Marten Toonder de dwerg Kwetal laten zeggen.

Zijn getob stortte Tobias in een poel van onzekerheid met levensvragen als Wat stel ik eigenlijk voor; eigenlijk? Feitelijk!?! Hij realiseerde zich dat zijn inzicht erger was dan in de bubble leven. Dat kon hij nog wel begrijpen. In een bubble leef je nog met andere, soortgelijke mensen; dit is een knellend, veel te klein luchtbelletje. Wat weet ik werkelijk? Van de werkelijkheid?

Voor het eerst in zijn leven voelde hij zich eenzaam. Voor het eerst vroeg hij Godelinde een paar keer om hem vast te houden. Voor het eerst liet hij zijn eten staan, maar voor zijn kinderen bleef hij de hen-toegewijde vader, die hij altijd voor hen geweest was. Godelinde begreep zijn uitleg voor zijn droevige gezicht niet. Adviseerde hem ‘hiermee op te houden’, en eiste tegen beter weten in meer aandacht. Hem liet het niet meer los alsof hij op de bodem van een oceaan in een eenpersoonsonderzeeboot zat met een uitgevallen motor: geen ontsnappen aan en blijven is ook geen optie.

Afgelopen weekend op een familiebezoek vroeg hij een tante van hem, toen hij haar naar de keuken gevolgd was, wat zij ervan vond; ‘de gevangenschap in zijn lijf’. Die tante reageerde enthousiast. Verbouwereerd hoorde hij haar vreugdekreten aan.
Jochie, wat mooi! Je hebt god gevonden.

Dit was wel het laatste wat hij van zijn atheïstische tante verwacht had.
Mij maakt het somber”, wierp hij tegen, “alleen Judith en Yara doen er nog toe voor mij.
Beste Tobias, er is niets om somber over te zijn. Jij weet iets wat niet veel mensen weten, maar wat voor iedereen geldt. Ook voor mij.
Hoezo heb ik god gevonden?
Willem Kloos zei: ‘Ik ben een god in het diepst van mijn gedachten’. Die god van Willem Kloos heb jij gevonden.
Tobias keek haar verbaasd aan.

Of je bent goed onderweg.
Jouw inzicht, dat jij vergelijkt met een gevangenis, helpt jou bewust te maken van waar het echt om draait. Jouw inzicht gaat over ‘waarheid’.

Jezus, hoe moet ik het je uitleggen?
Jij…
Ieder kind wordt…
Nee, ik… Ik ben geboren met een open mind. Daarna werd me van alles aangeleerd en afgeleerd door jouw opa en oma: Foei!, Lief!, Stout!, Nee!, Afblijven!, Doe eens normaal!
Vervolgens werden er allemaal etiketjes op mij geplakt: ‘Je bent een egoïstisch meisje’, ‘Je kunt goed praten’, ‘Je bent wel scherpzinnig’. ‘Je bent niet te vertrouwen’. ‘Huilebalk’. ‘Als jij je zin maar krijgt’.

Pas toen ik op mijn achttiende het huis uit was, kon ik helemaal zelf bepalen met wie ik omging en met wie niet. Van mijn vriendenkring hoorde ik heel andere kenmerken van mij: ‘Je staat voor iedereen klaar’. ‘Bij jou kom ik tot rust’. ‘Jij kunt ook alles’. ‘Wat ben je snel’.

Weer veel en veel later kon ik veel van die etiketjes van me afschudden, mede dankzij Pim; oom Pim. Die is zo goed voor mij, zo vertrouwd. Alles wat ik met hem bespreek, is bij hem in goede handen.

Ik kreeg meer en meer zelfvertrouwen en waardering voor mijzelf. Mede door mijn werk natuurlijk. En wanneer ik nu emotioneel geraakt wordt, vandaag bij wijze van spreken, willen er oude of nieuwe beelden over mij nog wel eens terugkomen. Ik kan die dan vaak waarnemen op de manier waar jij het over had: ‘Ik ben het die voelt’; alsof ik het niet ben die boos of koppig is, maar dat de boosheid of koppigheid in mij de kop opsteekt.
Ik ben toch ook niet mijn boosheid? Ik ben toch niet mijn karakter? Ik ben ‘ik’, en kan allerlei emoties van mijzelf, en gedachten over mijzelf waarnemen. Alsof het oude vrienden zijn.

Juist daardoor kan ik vertrouwen. Juist daardoor kan ik liefde zijn. Juist daardoor kan ik zelfs mijzelf vertrouwen. Dàt is die god in mij: vertrouwen, liefde, zelfvertrouwen. Ik kan ook waarnemen! Bewust-zijn. Twee aan elkaar gekoppelde woorden. Begrijp je wat ik zeg?

Tobias was alleen naar zijn tante aan het luisteren en reageerde niet.

Tobias, juist daarom leg jij mij jouw probleem voor. Omdat ik jouw gevangenis-gevoel juist als iets moois zie; iets wat alleen mensen kunnen; dieren niet. Op de een of andere manier wist je dat je mij jouw probleem moest voorleggen.
Dat zou best kunnen”, antwoordde Tobias.
Jochie, jouw inzicht dat jij het bent die voelt wat hij voelt, die ziet wat hij ziet, die hoort wat hij hoort, is een inzicht waar mijn zus Godelinde heel veel aan zal hebben. Het is volgens mij”, zei zijn tante, “de eerste echte stap naar afpellen en werkelijk waarnemen. Het zal je nederig maken en trots. Het zal je duidelijk maken wat jouw toegevoegde waarde aan dit ondermaanse is, omdat je er achter gaat komen dat je niks meer en niets minder dan jouw ‘ik’ bent met dezelfde open mind die je had, toen je werd geboren. Geniet hier maar van en wees maar tevreden met jezelf; je bent het zelf die voelt; je bent goed bezig om vanuit jouw ‘ware natuur’ te gaan leven!

Jouw gevangenis-gevoel gaat je misschien in staat stellen om je met tomeloze liefde en vertrouwen te verbinden met Judith, met Yara, met Godelinde, met jezelf en met iedereen.

Zelfs met mij”, grapte ze er achteraan.

Het gaat om ‘wat’

Gisterenavond kwam ik na het avondeten thuis. Bij een vriend had ik tofu, op zijn Chinees klaargemaakt, met groenten en bami gegeten. Ik besloot nog even een haardvuur te maken. Slecht voor het milieu, ik weet het, maar ik deed het toch. Al snel knapperde het vuurtje in mijn woonkamer. Ik zette me op een stoel er tegenover.

Mijn gedachten gingen naar de afgelopen dag. Op de fiets naar Utrecht had ik herinneringen gehad aan mijn jammerlijke gedachten over een gesprek, ooit met een vriendin. In Utrecht sprak ik een andere vriendin onder meer over mijn gedachten over dat gesprek met die eerste. Daarna was ik naar een vriend gegaan, waarmee ik allerlei gesprekken had gevoerd, waaronder… Juist. En toen die tofu met groenten en bami.

Kijkend in het vuur gingen mijn gedachten naar de afgelopen week. Gesprekken en informatie. Indrukken en stilte. Waken, stilzitten en slapen. Mooi woord eigenlijk: ‘indrukken’. Alsof je een versteende voetafdruk van een dinosaurus vindt, zo vind ik herinneringen terug die ‘indruk’ op mij gemaakt hebben.

Wat is nu echt belangrijk? mijmerde ik bij mezelf.
Wat, van wat ik deze week heb meegemaakt, doet er toe? preciseerde ik.
Kan ik dat nu al weten, of weten we dat altijd pas langer achteraf?

Ik deed een blok hout op mijn vuurtje om het aan te houden en liep naar de koelkast voor een glas wijn.
Waarom alcohol? Mijn vriend-van-de-tofu doet mee om 40 dagen geen alcohol te drinken. Omdat hij eerder begonnen is dan na carnaval, is hij nu al op de helft. Hij merkt positieve verschillen.
De druivensap in mijn koelkast is waarschijnlijk niet goed meer. Net als de bosvruchtensap. In de cassis heb ik geen zin.
Met een glas water zet ik mij weer voor het vuur.

Hoe zou ik deze tijd omschrijven? Trump? Rutte? Nee, niet die van Halbe Zijlstra of Thierrie Baudet.
De tijd waarin heel de wereld zich niets aantrok van het lot van de Palestijnen? En van de Grieken, Rohingya, Tibetanen, de nog overgebleven Indianen; van alle Vreemden; de tijd waarin wij-en-zij-denken na de Tweede Wereldoorlog weer mode werd?
De tijd waarin we de klimaatproblemen begonnen te onderkennen maar niet bereid waren iets aan onze levensstijl te veranderen?
Toen had ik geen gedachten meer; keek enkel naar het vuur dat mij verwarmde.
Ik nam nog maar eens een slok water.
Geknesper.
Vlammetjes en één heel lange, sierlijk van onder naar hoog.
Ik wil weten hoe het met een familielid van mij gaat; morgenochtend bellen. Niet nu.
Het is alsof een miniwind door de vlammen raast.

Zo zat ik misschien wel vijf minuten. Misschien een kwartier. Tijdloos en stil zoals het geluid van de golven op het strand me aan stilte kan doen denken. In het geluid van golven aan het strand kan ik alles horen; stilte, maar ook vage gesprekken of muziekstukken.
Het geknesper in mijn vuurtje deed me ineens denken aan bigbandmuziek. Onlangs gehoord in TivoliVredenburg. De klankkleur herinnerde mij aan de tijd dat ik speelde in het Utrechts Jazzorkest en bij Jubal waar ik trombone leerde spelen. Indrukken.
Hi, hi.

Dat is het! Wat er echt toe doet is wat ik deed en doe.
Of ik nu samen muziek maak, gedachten uitwissel, stilzit, slaap of mijn werk uitmuntend doe. Het gaat om ‘wat’: ‘Ik heb een steen verlegd,

in een rivier op aarde.
Het water gaat er anders dan voorheen.
De stroom van een rivier, hou je niet tegen
het water vindt er altijd wel een weg omheen.
Misschien eens gevuld, door sneeuw en regen,
neemt de rivier m’n kiezel met zich mee.
Om hem, dan glad en rond gesleten,
te laten rusten in de luwte van de zee.

Ik heb een steen verlegd,
in een rivier op aarde.
Nu weet ik dat ik nooit zal zijn vergeten.
Ik leverde bewijs van mijn bestaan.
Omdat, door het verleggen van die ene steen,
de stroom nooit meer dezelfde weg zal gaan’, zong Bram Vermeulen ooit. Dat is wat er voor mij toe doet: de steentjes, die ìk heb verlegd. Vandaag, gisteren en daarvoor.

Het vuur liet ik uitbranden tot het gloeide; tot het hier en daar nog gloeide. Ik schonk mezelf een glas witte wijn in, poetste mijn tanden na gerag en geflos, waste mijn nek en ik ging naar bed. Het glas wijn plaatste ik naast mijn bed.

Vanmorgen stond het er nog, net zo vol als ik het gisteren had ingeschonken.
Na opstaan, wassen, ontbijten en bellen dacht ik bij mijzelf: Welk steentje ga ik vandaag in welke rivier verleggen? Wat voor moois ga ik vandaag bijdragen aan de wereld inclusief mijn familie, vrienden en aan mijzelf?
“Wat voor moois nog meer? preciseerde ik.
Hi, hi.