Over mij

| agnost* | bioloog | blogger | coach | pacifist** |

| socialist** | tekstschrijver | vader | vegetariër*** |

1953 verwekt en geboren | 1973 vegetariër geworden | 1974 dienstplichtig militair | 1978 erkend als gewetensbezwaarde militaire dienst | 1978 voorlichter | 1979 agnost geworden | 1980 lid geworden van de Pacifistisch Socialistische Partij (PSP) | 1981 afgestudeerd als leraar biologie & chemie | 1984 gezinshulp | 1985 afgestudeerd als bioloog |

De foto hierboven is gemaakt toen ik in 1997 op het onbewoonde eiland Rottemeroog aan het werk was.

1986 stafmedewerker | 1989 mijn dochter werd geboren | 1990 politiek dakloos geraakt na opheffing van de PSP | 1991 leidinggevende | 1992 mijn twee zonen werden geboren | 1992 oprichter en eigenaar van adviesbureau “G.J. Horlings’ Advies” (natuur- en landschapsbeleid) | 1999 – 2006 directeur | 2007 eigenaar van coachingbureau “G.J.Horlings’ Advies” (psycho-sociale problematiek) | 2013 tekstschrijver | 2014 blogger | 2016 mijn eerste kleinkind werd geboren | 2016 moderator | 2016 lid geworden van de Partij voor de Dieren | 2017 directiechauffeur | 2018 mijn tweede kleinkind werd geboren |

Klik hier voor meer informatie over coachingbureau “G.J.Horlings’ Advies”.
____________________

Toelichting op een paar termen en een meer uitgebreide
toelichting op de fundamenten van mijn manier van denken:

* Als jongeman werd mijn inzicht steeds helderder dat ik niet voldoende kennis kàn hebben over het wel of niet bestaan van een of meer goden. Sinds heel lang geloof ik meestal niet in een god en noem ik mij een agnostisch atheïst: voor mijn denken, doen en laten handel ik louter en alleen naar mijn eigen inzichten, mijn eigen normen en mijn eigen waarden. In “Fundamenten onder mijn manier van denken”, onderaan deze pagina, ga ik nader in op die eigen inzichten, normen en waarden. Ik zal mij nooit verschuilen achter een godsdienst, ideologie, inspirator of religie.
Soms, en dat is wanneer ik mij een klein ventje in een groot onoverzichtelijk universum acht of om lijden te verdragen, geloof ik wel ergens in; dan ben ik even een agnostisch theïst. In mijn 25ste levensjaar heb ik mij laten uitschrijven bij het kerkgenootschap van mijn ouders.

** Tijdens de vervulling van mijn militaire dienstplicht kwam ik tot het inzicht dat we mondiaal van al die legers (minstens één per natie) af moeten. Hierbij speelde mee dat ik het idee had dat we het in ‘ons’ leger, in ons ‘Nederlands Paradijsje’, misschien wel bijzonder goed voor elkaar hadden. En daar ging al zoveel ernstigs fout dat het maar goed was dat we ‘oefeningen’ deden en dat het niet menens was. Laat staan hoe legers dan in niet-democratische mogendheden functioneren, waarin een mensenleven wellicht niet telt. Ik ben sindsdien ‘afwijzing van oorlog en geweld’ als uitgangspunt van mijn denken gaan kiezen.
Ik vind dat het bereiken van langdurige vrede & wereldvrede (pacifisme) bij élk regeringsbesluit een criterium zou moeten zijn.
Ik denk dat het effectief vrediger maken van de wereld (en België of Nederland) alleen te bereiken is onder een democratisch gekozen (!) regering waarin de overheid duurzaam de volgende drie kernopdrachten heeft:
1. zorg dragen dat de machtigen niet teveel macht krijgen, zodat overheden het primaat van de binnenlandse macht herwinnen op degenen met een absurd groot financieel vermogen en grootbedrijven,
2. toezien op een mondiaal (en dus ook binnenlands !) rechtvaardige verdeling van geld en goederen, en
3. beschermen van de zwakkeren tegen de sterkeren.
Ergo: een democratisch gekozen (!) socialistische regering, met een heel andere politieke visie dan het pseudosocialisme van Groenlinks, PvdA, SP of Rusland.

*** Omdat ik geen enkele verantwoordelijkheid wil dragen aan de verschrikkingen van de bio-industrie ben ik vegetariër geworden.
Daarnaast, maar dat terzijde, is voor een kilo vlees – ook in een wereld waarin 1 op de 10 mensen honger lijdt – zo’n 10 kilo eiwitrijk plantaardig veevoer nodig. Bovendien zijn plantaardige producten vaak gezonder, en niet alleen vanwege de extra hormonen die dieren bij hun voer krijgen toegediend en de giffen die bij de vleesverwerking aan vlees worden toegevoegd.
Ik eet overigens ook geen vis of ‘zeevruchten’ omdat ik niet wil bijdragen aan overbevissing, en ik eet wel vruchtvlees 😉

Fundamenten onder mijn manier van denken

een basis van mijn denken
Ooit zat ik als 16, 17 jarige puber op mijn kamertje in Zwolle te proberen inzicht in mijn manier van denken te krijgen. Ik begon met een vermoeden dat ik – gelijk ieder mens – als ‘onbeschreven blad’ aan mijn leven ben begonnen:
o Eerst dacht ik niets, was ik alleen maar vanaf dat ik er was.
o Later vulde mijn onbeschreven blad zich met een registratie van de buiten-wereld door wat ik daarvan waarnam en registreren kòn.
o Vervolgens registreerde ik wat continu gebeurde en wat uitzonderlijk was. Aan het geluid van het kloppend hart van mijn moeder was ik snel gewend, vermoedde ik, maar een fysieke klap, een knal of lawaai legde ik als uitzonderingen vast; wanneer na lawaai bijvoorbeeld een klap volgde, legde ik dat oorzakelijk verband ook vast. Eerst zonder het te begrijpen en later vaak met enig begrip.
Op het moment dat ik dit vermoeden bedacht, pakte ik 5 A4tjes en schreef op elk papier hoe de buitenwereld, die als enige factor mijn denken kàn voeden, mijn onbeschreven blad kon vullen. Wellicht mijn bewustzijn tot dan toe voor de volle honderd procent gevormd had. Ik bedacht dat de buitenwereld om mij heen is, maar ook in mijn lichaam, te weten in mijn spijsverteringskanaal en mijn luchtwegen en kwam tot de volgende conclusie:

IK KOM ALLEEN IN AANRAKING MET DE BUITENWERELD DOOR >
> 1. Aanvoelen via mijn huid
> 2. Horen via mijn oren
> 3. Proeven via mijn mond en de reacties van mijn spijsvertering op het geproefde
> 4. Ruiken via mijn neus en mond en de reacties van mijn ademhaling op het gerokene
> 5. Zien via mijn ogen

Wellicht zijn er ook andere manieren om de buitenwereld te ervaren, maar daarvan maak ik door de beperkingen van ieder mens geen gebruik; we doen het met deze 5 zintuigen. Bovendien, alle gedachtenkronkels en ideeën over mijn ‘de wereld’ ten spijt: alles, waar ik iets over denk, is uiteindelijk louter en alleen als prikkel via een of meer van mijn 5 zintuigen tot iets van mij doorgedrongen, zodat ik er over kòn gaan denken:
o Hoe mensen volgens mij over mij denken
o Wat mensen volgens mij denken en doen
o Hoe ik over mensen denk, over de wereld en mijn spiritueel gedachtengoed
o Waar ik blij van word
o Waar ik verdrietig van word, boos of wanhopig
o Waar ik bang voor ben of tegenop zie
o Wat ik graag doe
o Zelfs mijn zelfbeeld en wat ik denk dat ik doe
o Alles wat ik mij bewust ben, is via zintuiglijke prikkels binnengekomen en over een deel van die prikkels heb ik mij een beeld gevormd; bèn ik iets gaan denken.

Net als waarschijnlijk elk weldenkend mens heb ik nagenoeg heel de dag allerlei gedachten over van alles. Zelden vragen we ons af waar die gedachten vandaan komen. Ik wel. Uiteindelijk schenen mij voor al mijn denken toonaangevend:
o ‘Zien’ door te lezen en naar mensen, films, documentaires, theater, ‘theater’ en de wereld om mij heen te kijken en
o ‘Horen’ door gesprekken te voeren en naar anderen en de wereld om mij heen te luisteren.

‘Contacten met de buitenwereld via mijn huid’, ‘proeven’ en ‘ruiken’ schenen mij secondair voor mijn denken; niet voor mijn genieten, waarover later. Ik ben hierover sindsdien nog niet anders gaan denken: ik weet niets; ik registreer en bouw van het geregistreerde onthouden mijn persoonlijke beelden van mijn werkelijkheid, zoals elk Ander dat waarschijnlijk ook doet; ik op mijn en hij op zijn manier.

Wanneer mijn denken alleen gevoed wordt door het zien via de ogen en door het horen via de oren, enigszins aangevuld met voelen via de huid, proeven via de mond en ruiken via neus en mond, dan heeft dat verregaand relativerende consequenties voor mijn zelfbeeld, mijn mensbeeld en mijn wereldbeeld, voor mijn beleving van het nu en voor alles wat ik doe inclusief het omgaan met alles om mij heen. Ook voor mijn omgang met andere mensen. Ik besef door dit inzicht een ‘onontkoombaar, bewust ik’ te zijn. Hoewel alle mensen mensen zijn, zijn we zo ongelooflijk verschillend doordat we – naast aangeboren verschillen – onze onbeschreven bladen stuk voor stuk anders gevuld hebben.

Ik ben daarmee het tegendeel van fundamentalisten, die op grond van hun absolute (misschien goddelijke) overtuigingen anderen kunnen opleggen wat zij volgens hen zouden behoren te denken. Het mag duidelijk zijn dat ik het toevallige inzie van al mijn overtuigingen. Daarom ben ik niet geneigd anderen mijn overtuigingen op te leggen.

genieten en lijden
Ik ben lang in mijn leven van mening geweest dat ik de wereld, waarin wij leven, anders geconstrueerd had als ik een scheppende god in de Joods-Christelijke traditie geweest was. Dan zou ik het lijden zo verdeeld hebben over al wat voelt, zodat ieder voelend wezen zeker bij aanvang, maar liefst ook gedurende de rest van zijn leven, gelijke kansen zou hebben op genieten en lijden. Die ‘eerlijke verdeling’ is nu zoek.

Genieten is een in direct contact met de buitenwereld zintuiglijk voelen dat de buitenwereld harmonieert met mijn ik. De sensatie hoe heerlijk de buitenwereld harmonieert met mijn ik is zelfs de meest fundamentele zingeving van elk menselijk bestaan: een warm bad, een liefdevolle streling, verrukkelijke geuren, smakelijk eten, harmoniërende geluiden, aangename gesprekken, mooie beelden, ontspannende, rustgevende gedachten, me thuis voelen bij andere mensen. Het zijn deze en meer verrukkelijke ervaringen geweest, die mij over de streep trokken om met hun toekomstige moeder kinderen te verwekken: het mooiste bewustzijn is fundamenteel genieten door kwalitatief harmonie te voelen.

De basis van dat zingevende bewustzijn is hoe mijn denken door mijn waarnemingen gevoed wordt. (Van fouten) leren, reflectie en theoretiseren zie ik slechts als mogelijke middelen om het beter te krijgen, wanneer dat nodig lijkt, maar niet als basis van mijn bewustzijn.

Het genieten, zoals zojuist beschreven, dit voelen hoe goed de buitenwereld harmonieert met mijn ik, is wezenlijk verbonden met lijden. Dat komt doordat het volmaakte ‘het goede’ niet kan bevatten. Volmaakt is één, is monistisch, is eigenschap-loos, is vol-maakt. Mijn streven naar volmaaktheid, bijvoorbeeld door het rechtvaardig te vinden genieten en lijden ‘eerlijk’ over alle voelende wezens te verdelen, blijkt mij nu op een gemis in mijn inzicht te berusten. Ik stond volmaaktheid voor, maar dat is op de keper beschouwd inhumaan. Goedheid veronderstelt de mogelijkheid van een andersheid.

Ogenschijnlijk is lijden voor mij het slechte, het kwaad, maar tegelijkertijd is een wereld zonder lijden juist inhumaan. In een wereld zonder lijden leven wij als onkwetsbare wezens die weliswaar van lijden, maar daardoor ook van genot verstoken zouden zijn. Pas vanuit onberekenbare kwetsbaarheid zijn mogelijkheden gegeven als bescherming, erotiek, geborgenheid, intimiteit, opvoeding en verantwoordelijkheid. Dit zijn overigens allemaal mogelijkheden met daaruit voortvloeiende ervaringen om het inmiddels iets beschreven blad verder mee te vullen. Juist het neveneffect van kwetsbaarheid kan ‘menselijke warmte’ zijn; dat wat mijn bestaan humaan en waardevol maakt. Net zo goed overigens wat mij betreft als ‘dierlijke warmte’ waar dieren hun kroost beschermen en inleiden in het leven. Wanneer ik er zo over nadenk, kan ik juist dankzij mijn kwetsbaarheid mijn existentiële eenzaamheid verbreken. Dat zou ik nooit kunnen wanneer ik volmaakt was; dan zou ik tot een wrede eenzaamheid gedoemd zijn.

Zo daagt mijn kwetsbaarheid mij als een ‘kwaadaardig onvermogen’ uit tot een ‘subliem, uitnemend vermogen’: de volmaaktheid van mijn zorg voor Anderen die in een ethische relatie met mij de totaliteit overstijgt.

zingeving
Kwetsbaarheid hangt nauw samen met lijden en met sterfelijkheid. ‘Ik zal niet doden’ is voor mij sinds mijn beroep op de Wet Gewetensbezwaren Militaire Dienst (1978) een ‘absoluut gebod’. Omdat leven kwaliteit van genieten en lijden is, kan dit gebod ook positief ingevuld worden als ‘Ik zal geluk scheppen’. De Ander kan een beroep op mij doen zijn genieten te herstellen, maar het is ook aan mij om het lijden van de Ander, die geen beroep op mij doet, op te merken. Anders kan ik zijn geluk niet herstellen.

De ‘waarheid’ “Gij zult niet doden, in het positief ingevuld als gij zult geluk scheppen” is praktisch, niet theoretisch en is ethisch absoluut; het is altijd fout iemand achter te laten met ellende, honger of pijn. Ik vul deze waarheid aan met “Verlang naar het absoluut goede” als uitgangspunt van zingeving van mijn leven, want verlangen naar het absoluut goede voor mijzelf en de Ander leidt onherroepelijk tot optimaal genieten voor beiden. Daarom is deze waarheid wat mij betreft de laatste norm op basis waarvan alles door mij kan worden aangevallen, beoordeeld, gewijzigd en verdedigd: meningen, politiek, regels, structuren, systemen, theorieën en wetten.

verantwoordelijkheid
Gevoeligheid voor kwetsbaarheid, en vanuit kwetsbaarheid voor solidariteit is een absoluut fundament van mogelijkheden voor het menselijk denken. Gevoeligheid voor solidariteit is wellicht zelfs de essentie van menselijke beschaving.

Het zelfbewustzijn begint als geweten, zegt Emmanuel Levinas. Ik heb dat ervaren toen ik tijdens de vervulling van mijn militaire dienstplicht bijna ingezet zou worden voor orde-handhaving in Amsterdam in plaats van het beschermen van ons recht op de vrijheid van meningsuiting tegen een buitenlandse macht met andere ideeën. Dàt laatste te beschermen motiveerde mij mijn dienstplicht te vervullen. Door de bijna-inzet op 24 maart 1975 bij de Nieuwmarktrellen in Amsterdam kwam ik in een psychische spagaat. Na vervulling van mijn dienstplicht deed ik een jarenlang gewetensonderzoek dat in 1978 resulteerde in het met succes een beroep doen op de Wet Gewetensbezwaren Militaire Dienst. Pas sinds dit gewetensonderzoek vorm kreeg, was ik iemand met een visie op het belang van leven, een visie op het belang van mijn handelen, een visie op alles tussen het opkomen voor een Ander tot aan het eventueel doden van medemensen. Tot 1975 papegaaide ik de denkbeelden, die ik uit mijn omgeving tot me genomen had. Pas tijdens mijn gewetensonderzoek begon mijn echte denken. Daarom beaam ik deze zin van Levinas: “Het zelfbewustzijn begint als geweten.

God is dood en heeft in zijn val alle waarheden meegesleurd op een na: ‘de waarde van de Ander’. Daarmee wordt duidelijk dat slopen leerzaam kan zijn wanneer iets resistent blijkt aan de mokerslagen.

Bij verantwoordelijkheid kan men denken aan aansprakelijkheid voor de gevolgen van eigen handelen, maar ik kan ook verantwoordelijk zijn voor datgene wat buiten mijn invloedsfeer, zelfs buiten mijn weten, desnoods nog vòòr mijn geboorte heeft plaatsgevonden. Albert Camus schijnt bijvoorbeeld in “De val” (1956) te onderbouwen dat Jezus van Nazareth zijn leven lang gebukt ging onder het feit dat in Bethlehem onschuldige kinderen werden vermoord om juist hem te doden, terwijl hij in veiligheid was gebracht. Dit gaat dus over een verantwoordelijkheid die te maken heeft met nog te leven, terwijl anderen in zijn plaats gedood zijn. Dit is slechts één voorbeeld van verantwoordelijkheid voelen voor iets buiten het eigen handelen. Ik kan me ook verantwoordelijk voelen voor onrecht elders in de wereld of voor regeringsbesluiten waar ik feitelijk part noch deel aan heb.

Veel ‘stille tochten’ zijn een uiting van verantwoordelijkheid nemen tegen onrecht, waar degenen die aan zo’n tocht deelnemen part noch deel aan hebben gehad.

verantwoordelijkheid dragen in de praktijk
Elk organisme is leven. Mijn lichaam maakt voor mij mijn leven mogelijk. Leven is onafhankelijkheid, die kwetsbaarheid in zich heeft. Leven is daardoor onafhankelijkheid & afhankelijkheid. Ik zal als een gevangene van mijzelf zijn wanneer ik lijd. Vanuit een lichamelijk of geestelijk onvermogen verlang ik er dan naar weer een lichamelijk vermogen te worden of te zijn. Wanneer ik niet lijd zou ik kunnen vergeten hoe afhankelijk ik ben.

Ik moet om mij verantwoordelijk te voelen, laat staan om verantwoordelijkheid te dragen, van mijzelf houden om me te kunnen inleven in het gegeven dat de Ander evenzeer aan zichzelf gehecht is. Morele raakbaarheid hangt verder sterk af van persoonlijke karaktertrekken, opvoeding, omstandigheden, ervaringen, eerder gemaakte keuzes, … . We zijn, anders gezegd, kwetsbare wezens die al naar gelang onze achtergrond fluctueren tussen egoïsme en verantwoordelijkheid.

Postmoderne filosofen leggen de relatie tussen het persoonlijke en de buitenwereld of tussen het private en het publieke, nogal eens uit aan de hand van wonen. Het private is immers nodig voor het publieke. Anders gezegd: “Egoïsme is nodig voor verantwoordelijkheid”:

1. De woning is een privé-domein waar ik bescherming en intimiteit ervaar,
2. de woning is een bewaarplaats voor voorraden, onder meer om toekomstige tekorten te kunnen compenseren en
3. de woning is een uitvalsbasis naar de buitenwereld.

Hiermee lijkt voor velen de kous af, maar dat is-t-i volgens mij geenszins. Ik zou, indien bovenstaande woning gerealiseerd is, willen vragen: “Hoe zit het nu met de gastvrijheid in uw huis?” Juist vanuit deze woonsituatie kan immers optimaal verantwoordelijkheid gedragen worden voor de Ander. Zo’n woning kan zelfs als een plaats van zorg voor de Ander gebruikt worden om ook hem te beschermen en te laten delen in de voorraden. Dit zijn concretiseringen van solidariteit; van verantwoordelijkheid dragen voor de Ander. Daarbij veronderstel ik met Levinas – in tegenstelling tot andere postmoderne filosofen – een betrokkenheid bij toestanden in de wereld, ook van die waar we objectief gezien niet bij betrokken zijn, die buiten onze schuld plaatsvinden.

Pas door het besef van het lijden van de Ander en de omgang daarmee wordt het ontdekken van mijn ‘ware ik’ mogelijk. Welke plaatsen neem ik in tussen de mensheid en in de wereld? Hoe ga ik om met de wetenschap dat de Ander lijdt of dat ik zelf lijd? Ik, onontkoombaar ik, zal mijn ware ik tonen door hoe ik vorm geef aan de wetenschap van het lijden van de Ander.

weten
Weten speelt een dominante rol in het dagelijks gesprek binnen de Westerse culturen. Het lijkt er op dat het hele leven in het Westen om weten en geld draait. Echter, we weten vanuit ons bewustzijn. Vanuit het bewustzijn zijn we als mensheid de wereld gaan ontdekken. De almacht van goden werd teruggedrongen tot natuurwetten door de waarneembare wereld zo objectief mogelijk te gaan onderzoeken. Mijn bewustzijn is in sterke mate een product van onze Westerse levensstijl, mogelijkheden en ontdekkingen tot nu toe.

Volgens mij is het proces van rationaliseren in onze Westerse culturen inmiddels te ver doorgeslagen nu het niet-waarneembare ontkend wordt of dreigt te worden. Zelfs voelen wordt aan de ratio onderworpen en we plakken ‘mindfulness’ als pleisters op de wonden van een doorgedraaide levensstijl. Een positief punt aan dit doorgeslagen rationaliseren is dat de onafhankelijke Westerse wetenschappen waardevrij zijn (indien niet gefinancierd of gepubliceerd door belanghebbenden). De wetenschap kan wel een ethische standpunt hebben om tot politieke keuzes, normen en waarden te komen, maar haar zintuiglijke bevindingen behoren openbaar, objectief, verifieerbaar, falsifieerbaar en waardevrij te zijn.

Veel genietingen rondom ‘hoe heerlijk de buitenwereld harmonieert met mijn ik’ zijn, zoals eerder gesteld, zelfs de meest fundamentele zingeving van elk menselijk bestaan. Deze genietingen zijn niet objectief, verifieerbaar, falsifieerbaar en/of waardevrij.
Er is nog een beperking aan onze Westerse manier van kennis delen. We kunnen van alles ontdekken, op waarden na. Ik denk aan ethiek en aan goed, kwaliteit van leven, kwaad en aan vrijheid.
En dan nog iets zwaarwegends als kantekening bij ons Westerse weten: de waarde van het bewustzijn bepaalt de waarde van zijn producten, toch? Stel dat de evolutie dat merkwaardige verschijnsel heeft voortgebracht waardoor de evolutie in ons bewustzijn weet kreeg over zichzelf. Waarom ontstond dan deze mutatie? Volgens mij (als bioloog) omdat het bijdraagt aan soortbehoud. Volgens Friedrich Nietzsche en Daniel Dennett omdat bewustzijn een bruikbaar middel is om in te zetten voor zelfbehoud, groei en machtstoename. Dat heeft beide als consequentie, conform de veronderstelde wetten over evolutionaire processen, dat het doel van het bewustzijn niets anders dan ‘nut’ is; niet waarheid! Vandaar dat we ons persoonlijke ervaringen al naar gelang onze persoonlijke achtergrond herinneren. Getuigen van hetzelfde gebeuren hebben daarover vaak verschillende verhalen. Daarmee verwordt ook het evolutie-paradigma, dat in deze tijd bij Westerse denkers geldt als een onbevraagde vanzelfsprekendheid, van waarheid tot niets meer dan ‘een perspectief’.

ethiek versus wetenschap
Wellicht is het evolutie-paradigma absoluut waar. Dat heeft dan de consequentie dat overleven en onszelf voortplanten onze boventijdelijke waarheid is. Hoe dat dan te rijmen met mijn ervaring van verantwoordelijkheid als de wil tot het doen overleven van een Ander, anders dan mijn kinderen, is een vraag die niet te beantwoorden is, maar wel gesteld moet blijven worden.

Wetenschappen kunnen per definitie geen uitsluitsel geven over kwesties van goed, kwaad of vrijheid. Dat komt doordat bewustzijn, ethiek en vrijheid in geen enkele wetenschappelijk waarneembare werkelijkheid passen. Ethisch handelen richt zich op het totaal andere: de Ander, die op geen enkele manier te reduceren is tot iets in mijn (al dan niet overzichtelijke) wereldbeeld. Levinas zegt: “(Het gelaat van) de Ander toont het idee van oneindigheid” en “Het is niet jij die de wereld een plaats geeft, maar het is de Ander, die jou aanspreekt, appelleert en jou een plaats geeft.

Ik heb mijzelf sinds het schrijven van “God, goden of natuurwetten” (1980) in wetenschappelijk opzicht altijd gerekend tot de aanhangers van het evolutie-paradigma. Echter, dankzij mijn begeleider met de kanttekening dat ik elk uitgangspunt (paradigma) slechts mag gebruiken binnen de context waarvoor dat uitgangspunt bedoeld is. Met andere woorden, onze Westerse manier van wetenschap bedrijven biedt vooralsnog uitstekende – maar niet geheel toereikende – handvatten om de waarneembare wereld te begrijpen inclusief mijn lichaam, maar wetenschap dient nagenoeg geen handvatten om mijn leven te begrijpen of mijn levensvragen te beantwoorden.

heden en bewustzijn
Naar mijn idee is het bewustzijn voortgekomen uit taal. Naarmate onze voorouders hun taalgebruik ontwikkelden en daarmee communicatie over steeds meer zaken mogelijk maakten, zelfs over een abstracte wereld, kunnen wij – als uitzondering tussen alle organismen – heel veel van elkaar leren (kwantitatief meer dan welk ander – bekend – organisme ook). Wij kunnen zelfs – hoe uitzonderlijk op deze planeet – al millennia door verbale overlevering leren van reeds overleden mensen. Vanaf een zeker moment konden we zelfs door het schrift met meer mensen kennis delen dan dat we ontmoetten; vandaag de dag zelfs via internet wereldwijd.

Al dit bewustzijn is een verbeeldingskracht of verbeeldingsvermogen. Verbonden met het bewustzijn is ‘me iets voorstellen’, die voorstellingen ‘vatten’ en ‘in verhouding(en) tot elkaar zien’ (begrijpen, logisch ordenen, oorzaak en gevolg bepalen, relateren). Verantwoordelijkheid is zo’n inbeelding in mijn bewustzijn. Verantwoordelijkheid is echter ook een probleem door ‘de Ander’, die staat voor de hele mensheid, en voor mij voor zelfs nog veel meer wezens en dingen: mijn mogelijkheden om mijn beeld van ‘verantwoordelijkheid te dragen’ zijn te beperkt.

Om mijn bijdragen ‘geluk te scheppen voor de Ander en mijzelf’ rechtvaardig te verdelen, zou ik alle ‘derden’ met elkaar moeten vergelijken. Dat doe ik noodgedwongen op basis van argumenten, voorrang verlenen van de Een boven de Ander, prioriteiten stellen, afspraken maken, evalueren, zorg voor mijzelf, enzovoorts. Daarvoor is het denken noodzakelijk dat als licht openheid in ‘het zijn’ brengt; het bewust-zijn; bewustzijn.

Ook ethiek is gecreëerd door bewustzijn; aan mijzelf hechten en inbeelden dat de Ander eenzelfde hechting aan zichzelf kan ervaren. Ik stel mij voor dat we stuk voor stuk gedurende de lange periode van afhankelijkheid tijdens onze eerste levensjaren op ons inmiddels beschreven blad hebben bijgeschreven dat verantwoordelijkheid voor de Ander voor ons mensen iets essentieels is. Het bewustzijn van alle (menselijke, levende) activiteit inclusief het bewustzijn van de grillen van de natuur en gebeurtenissen in onze omgeving kan in het licht van de ethiek als een zorg worden beschouwd. Levinas zou zeggen: “Ons bewustzijn noopt tot verantwoordelijkheid voor de Ander.

Bewustzijn verbeeldt duur (tijdsduur) in het heden; een heden dat slechts een niet-durende scheiding is van verleden en toekomst. Aangezien het heden niet duurt en het bewustzijn alleen in het heden actief is, kunnen we ons bewustzijn opvatten als de verbeelding via een film, waarin afzonderlijke herinneringen aan plaatjes en geluiden, aanrakingen, smaken en geuren achter elkaar zijn gezet en opgevat worden als durend, blijvend en veranderend (bijvoorbeeld bewegend).

Een al dan niet schrikbarende consequentie hiervan is dat het ware leven van mijn lichaam voor mijn bewustzijn afwezig is. En om het heel precies te formuleren verbeeldt mijn bewustzijn slechts een door mijn zintuigen waargenomen construct op basis van prikkels die slechts het verleden herhalen. Tussen prikkel en waarneming van die prikkel zit immers altijd een fractie van tijd.
Een andere consequentie hiervan is dat het heden niet causaal bepaald is, want oorzaak en gevolg hebben tijd nodig om elkaar op te volgen. Het leven is voortdurende verandering, maar dat geldt niet voor mijn bewustzijn. Nooit is er sprake van ‘Ik dacht’ zonder dat dit ik denkt dat het dacht. Toekomst en verleden zijn slechts werkelijk gedacht in het heden (dat niet duurt).

hier geen utopia
Ik ben geen vooruitgangsdenker; ook geen achteruitgangsdenker overigens. We hebben het als mensheid altijd met elkaar veel beter kunnen hebben (meer genieten), dan hetgeen we met elkaar aan lijden en genieten gerealiseerd hebben: toen onze voorouders nog als stammen in de bosjes leefden, nu en in alle tijd tussen toen en nu.

Mijn boodschap is die van een nooit eindigende strijd tegen steeds weer nieuw lijden en een oneindig streven naar geluk voor mijzelf en de Ander. Oneindig, want inmiddels zijn er miljarden Anderen. Mijn gewenste streven naar rechtvaardigheid zal de zorg voor de Ander reduceren tot hen in de waarneembare nabijheid en tot hen in de context van een anonieme mondiale of plaatselijke samenleving en anonieme individuen (in de ruimst mogelijke betekenis van dit woord). Recht wordt daarmee een utopisch begrip en het doen van onrecht wordt onvermijdelijk. Er zal alleen al daarom altijd, naast het ‘gewone’ lijden, dat voortkomt uit kwetsbaarheid, lijden zijn dat voortkomt uit egoïsme van de Een èn de kwetsbaarheid van de Ander.

Bovendien lijdt waarschijnlijk geen organisme zo wreed als de mens, want hij lijdt in het bewustzijn van frustratie van zijn genieten voor nu èn in zijn toekomst èn vaak in het besef dat hij lijdt omdat men hem bewust of onbewust doet lijden. “De troop-leraar” (1992) van Chaim Potok stelt dit ijzingwekkend aan de kaak: wanneer zijn hoofdpersoon met zijn bataljon een concentratiekamp bevrijdt, komt hij oog in oog te staan met een gevangene:

En toen bleef één van hen op minder dan een meter afstand van mij staan – een groteske spookachtige man; mijn god, de stank die hij uitwasemde! – en strekte zijn hand uit en greep me bij mijn arm en zei met krakende stem tegen me: ‘Warum?’ Het bloed stolde in mijn aderen. Toen zei hij weer in het Jiddisj: ‘Warum?’ (…) ‘Waarom hebben jullie er zo lang over gedaan?’ En nog eens ‘Waarom? Waarom?’

Het lijden van de Ander is die waarom-vraag, in het verzoek gesteld aan mij. De weeklacht, die een aanklacht is, maakt alsof ik schuldig ben aan het lijden in de wereld; schuldig en altijd te laat. Mijn enige antwoord daarop kan zijn mijn verantwoordelijkheid te dragen als ‘Praktijk van niet-acceptatie en tenietdoening’.

Het lijden van de Ander doet dus een beroep op mij hem de goede kwaliteit van leven terug te geven. Het kan gebeuren dat mijn eigen lijden achteraf mijn geest heeft verbreed en zodoende vruchtbaar voor mij geweest is. Maar lijden op zich is zinloos, absurd en slecht. Echter, vanwege de eerder besproken inhumaniteit van onkwetsbaarheid stel ik:

Het beantwoordde beroep dat de Ander doet,
bevestigt daarentegen dat onze wereld,
zoals wij die kennen,
de beste der mogelijke werelden is.

Alleen een samenleving, waarin men zich bewust is van een blijvend tekort en van blijvend onrecht kan zich continu bewegen in de richting van het onbereikbare ideaal van gerechtigheid, wanneer dit bewustzijn (van blijvend tekort en blijvend onrecht) noopt tot openstaan voor kritiek van de mens tegenover het politiek systeem.

Mensen kunnen een houding aannemen tegenover de omstandigheden, waarin zij verkeren. Zelfs wanneer mensen gereduceerd worden tot dingen, kunnen zij door hun verminking en afstomping heen zoeken naar ontvankelijkheid voor een beroep dat zij aan anderen doen om hun lijden te verlichten.

o Ontvankelijkheid voor hun beroep (wat onafhankelijkheid vereist) is hen humaan, menswaardig benaderen: ze zien als een ander aan zichzelf gehecht ik.
o Onontvankelijkheid voor hun beroep daarentegen is in een onafhankelijke positie altijd inhumaan.

Onder het motto “Gij zult niet wreed zijn” kan onverdraagzaamheid (niet willen meevoelen) wèl in het verlengde komen te liggen van verdraagzaamheid (gevoeligheid), bijvoorbeeld door mensen te straffen, wanneer zij een onrecht hebben gedaan.

Instituten zijn vaak een middel met als doel het genieten van mensen te bevorderen. Voor regels en protocollen geldt hetzelfde. Omdat ik in een functie ook mijn eigen mens-zijn inbreng zal ik mij in elke concrete zorgrelatie moeten afvragen: “Kan ik de regels en protocollen wel toepassen of is dat in deze casus onjuist?” Altijd blijf ik zelf verantwoordelijk voor wat ik doe en nalaat.
Ook ben ik verantwoordelijk voor mijn eventueel verschuilen achter de regels.
Daarnaast zijn ook mijn collega’s ‘de Ander’ tot wie ik mij met zorg zou behoren te verhouden.

Zelfs (of Ook) institutioneel kunnen organisaties, die opgericht zijn omwille van gerechtigheid, zich keren tegen het goede.

Tenslotte kan ook mijn succesvolle zorg voor de een schade berokkenen aan de Ander. Het volgende voorbeeld daarvoor:

Wanneer ik ervoor zorg dat een ziekenhuispatiënt snel opknapt en weer naar huis kan (genieten), wordt dat een bedenkelijk succes wanneer die patiënt zijn familieleden thuis gewelddadig behandelt (lijden veroorzaakt); al helemaal wanneer ik tijdens zijn verzorging weet heb of had kunnen hebben van zijn voor de Ander schadelijke gewoonten.

Ik beslis altijd en moet altijd beslissen, terwijl ik dat feitelijk niet kan. Ik, onontkoombaar ik, moet altijd handelen (zeker sinds ik in mijn studie erachter kwam dat ook ‘niets doen’ een handeling is), terwijl de gevolgen van mijn handelen niet te traceren zijn. De uitkomst hiervan is dat voortdurend vergelijken van derden, schipperen en onmogelijke beslissingen nemen, de praktijk zijn van een streven naar een rechtvaardigheid die per definitie in gebreke blijft.

Het grondcriterium ‘Ik zal niet doden’, anders gezegd ‘Beperk onherroepelijk handelen en schep zoveel mogelijk geluk’, biedt de laatste absolute maatstaf voor al mijn denken, handelen en institutionaliseren, waarbij voor ik lief neem dat kwaad niet te voorkomen is; wij zijn onmachtig Utopia te bouwen.

tot slot
Dan restten volgens mij nog slechts twee relevante maar vooralsnog onoplosbare problemen en tegelijk voor mij levensvraagstukken die bovenstaande tekst over ‘fundamenten onder mijn manier van denken’ kompleet maken:

1. Wanneer rondom het universum waarin wij leven, meerdere universa zijn, zou mij dat niet verbazen. Maar voor mij is het onvoorstelbaar dat achter al die universa uiteindelijk eens ‘niets’ zal zijn, terwijl ik er evenmin mee uit de voeten kan wanneer er niet ‘niets’ rondom alle universa is. Wat moet ik mij voorstellen bij onbeperkte ruimte?
2. Daarnaast kan ik mij niet voorstellen dat onze leefomgeving, waar wij uit voortgekomen zijn (?), geen begin en geen eind zou hebben. Over het eind kan ik fantaseren, maar ‘de oerknal’ lost als begin niets van mijn begin-probleem op. Door de inzichten van Albert Einstein kan ik mij voorstellen dat er energie was vòòr de uit elkaar knallende materie, maar waar die energie vandaan kwam (die later wonderbaarlijk in materie omgezet werd en uit elkaar spatte) kan ik mij niet voorstellen. En wat er was voordat die energie er was, kan ik mij ook niets voorstellen; noch over de duur daarvan, noch over de zijnsvorm, terwijl ook dat ‘er’ (in deze zin: ‘En wat er was …’) onoplosbare vragen oproept.

Om te begrijpen wie ik werkelijk ben en welke plaats ik met mijn leven op aarde inneem acht ik bevredigende antwoorden op deze twee vragen van het grootst belang.

Uiteindelijk resteert een inzicht niets van mijn oorspronkelijke herkomst en plaats in het heelal te weten; slechts over de afgelopen 13.800.000.000 jaar hebben we ons als mensheid een perspectief kunnen vormen (wat voor een organisme vooralsnog een ongekende topprestatie is!). Ik kan mij daarentegen wel voorstellen dat deze twee voor mij vooralsnog onoplosbare vragen van ruimte en (begin-)tijd alles te maken hebben met beperkingen van mijn lichamelijk leven: begrensd door conceptie, lichaam en dood, maar ook daarin zit nog geen begin van een antwoord of oplossingsrichting.

Als schoolkind bedacht ik ooit dat zo’n rode bloempot van aardewerk met een gaatje onder in de bodem – wanneer een bloempot zou kunnen denken – nooit in staat zou zijn te achterhalen of hij ‘leeft’ overeenkomstig zijn doel of taak; niet wanneer hij jaren in een schuurtje op een plankje staat, of als hij gehavend op het strand ligt, niet wanneer hij in opzettelijk gebroken stukjes in een andere bloempot ligt om daar water vast te houden, niet wanneer hij de aarde rond de wortels van een kamerplant omvat. Daarvoor zijn de gedachten van de bloempot-bedenker nodig en zelfs die gedachten volstaan niet geheel. De bloempot zou namelijk in een andere dan door de bedenker bedachte functie een beter passende functie kunnen vervullen; misschien een functie die de bedenker enkel vanwege zijn tekortkomingen over het hoofd gezien heeft. Wie heeft weet van mijn meest juiste doel, mijn werkelijke taak en mijn meest passende bestemming?

Als het er op aan komt, weten we niets. Vandaar dat ik al vanaf mijn periode als schoolkind van mening ben dat we het best als lotsverbondenen op deze aarde met elkaar zouden moeten omgaan. Daarom geef ik de Ander zo’n belangrijke plaats in mijn leven. Ik heb er begrip voor dat ‘we’ voor velen beperkt blijft tot mensen. Ik meen een lotsverbondenheid te ervaren met veel meer dan mensen alleen. Hoe dan ook: ik kan slechts als een gevangene van mijn persoonlijk bewustzijn naar mijn gebrekkige eer en mijn beperkte geweten proberen om niets dan het juiste te doen opdat ik zielerust ervaar; een liefst stevig fundament onder mijn genieten, waardoor ‘harmonie met mijn buitenwereld ervaren’ mogelijk wordt. Net anders, maar voorwaardenscheppend voor het intens genot dat ik beleven kan bij het aanschouwen van een zonsondergang, mijn verwondering over een piepklein plantje op een zilt winderig strand, een roerend cello-concert, liefde en geborgenheid vinden bij een ander mens.

De roeping van de mensch is mensch te zijn”, zeiden
Eduard Douwes Dekker (alias Multatuli) en
Ferdinand Domela Nieuwenhuis.

Zouden we niet allemaal door en door moeten begrijpen dat de roeping van de mens is te streven naar het onmogelijke? Zouden we niet allemaal dagelijks moeten beseffen dat we naar iets onmogelijks streven en weten dat, wanneer we de moed niet laten zakken, wanneer we niet naar de vermaningen van de logica luisteren en onze ziel niet laten kisten en in geloof verdergaan om koppig achter het onmogelijke aan te jagen totdat het wonder geschiedt waar het vleugelloze gezonde verstand nooit enig vermoeden van zou kunnen hebben? Doorgaan totdat het onmogelijke mogelijk wordt? Ik denk het wel.

Maartensdijk, 1 september 2018,
Gerardus Horlings

Bronnenvermelding
o Een bestuderen van het boek “Emmanuel Levinas: variaties op een thema” (1994), dat geschreven is door Jan Keij en uitgegeven door Kok Agora in Kampen bracht mij tot bovenstaand inzicht in mijn manier van denken. Dat komt doordat ik veel herken van hoe Levinas – volgens Keij – tegen ons leven als mens op een aarde met andere mensen aankijkt. Zeker 63 stellingen zijn al dan niet aangepast uit dit boek overgenomen. De dwerg Kwetal uit de verhalen van Ollie B. Bommel zou het een denkraam noemen; ik praat liever over ‘Fundamenten onder mijn manier van denken’, die bij het lezen van dit boek voor mij blootgelegd werden. Klik hier voor wat meer informatie over Emmanuel Levinas en zijn betekenis voor de filosofie en voor ons denken in het algemeen.
o De twee zinnen achter “Levinas zegt:” aan het eind van de tweede alinea van de paragraaf ‘ethiek versus wetenschap’ komen van de website Filosofie (https://www.filosofie.nl/emmanuel-levinas.html).
o De laatste alinea is naar het voorwoord van “Kapitein Michalis” (1953) door Nikos Kazantzakis, vertaald door Hero Hokwerda en uitgegeven door het Uitgeefhuis Nieuw Amsterdam (om preciezer te zijn de Wereldbibliotheek te Amsterdam), zoals geciteerd door Alle Landsu in de bijlage ‘Zomertijd Griekenland’ van Trouw op 28 juli 2018.