Een wandeltocht van even geleden

Kom, Enapay, maak je klaar om te gaan”, riep zijn moeder en na een kwartier nog eens. Pas na de derde keer kwam het jochie naar zijn wiigwaas, zijn wigwam zouden wij zeggen, en hij begon te vertellen wat er in zijn spel met de andere kinderen in de nederzetting zonder naam voorgevallen was. Hij vertelde zo enthousiast, dat zijn moeder vergat kwaad te blijven.
We moeten echt gaan, lekker joch. Het is een grote tocht en gevaarlijk bovendien.

Enapay maakte zich klaar terwijl hij verder vertelde en Maska, zijn moeder, zei uiteindelijk: “Hier, doe deze schoenen aan.

Toen ze hem even later aangekleed zag staan, voelde ze hoeveel ze van dat ventje hield en ze zei: “Neem twee kleine speren mee. Dat is wel genoeg.

Maska liep met Enapay naar de doodem, de totempaal zouden wij zeggen, en legde er verse kruiden en zoete aardappelen neer. Ze nam met hugs afscheid van haar broer, die ziek was, van haar moeder, haar vader en van haar twee zussen. Voor haar oudste zus was één hug niet genoeg, Zij keek Maska indringend aan: “Pas goed op, zusje.” Wat later aaide Maska haar twee kleinere kinderen over hun bol. Die lachten eerst terug, maar even later begon de oudste te huilen. De jongere zus van Maska nam het kindje in haar armen. Ook van haar buren in de kleine nederzetting nam ze afscheid. Met een daarvan had ze gisteren nog een aanvaring gehad. Nukkig, en toch zo vriendelijk mogelijk, nam deze buurman afscheid, maar van de buurvrouw kreeg ze ook een warme hug, zoals van de andere buren. Sommige kinderen zwaaiden enthousiast naar Enapay en Maska. “Goede reis, kom heelhuids terug allebei!

Daarna gingen ze op weg, de kleine Enapay en zijn moeder Maska. Speren, eten en water droeg zij in haar hand en in haar rugzak. Hij had twee speren in zijn hand en ook in zijn rugzakje zat water. Enapay herhaalde nog eens uitgebreid hoe het spel verlopen was.

Bij een mooi uitzichtpunt wees Maska de kleine vent op de schoonheid van de natuur. En ze wees hem erop hoe je aan de planten kunt zien waar water is, en waar grote dieren ’s avonds altijd dronken. Toen het jochie moe werd, droeg ze hem een stukje. Daarna moest hij zelf weer lopen. Achter hen hoorde ze aan het gekraak van takken dat een mammoet in de buurt was. Zijn moeder legde een vinger op Enapay’s mond ten teken dat geen enkel geluid nog geoorloofd was. Ze liepen verder en de mammoet ook; hij kruiste hun pad. Wat later praatten ze weer. Maska over haar zieke broer, die misschien niet lang meer zou leven, en hij over de kinderen in de nederzetting en dat hij later met gemak alle dieren zou bejagen. Ook de mammoeten.

Soms liep Enapay links van Maska, soms rechts en dan weer droeg zij hem even. Wat ze niet in de gaten hadden, was dat een gigantische luiaard hen wel in de gaten had. Het beest twijfelde, maar riskeerde de aanval niet. Het keek wel uit om de aandacht van de mammoet op zich te richten. Zo liepen moeder en kind aan de oever van een groot meer in een rechte lijn naar de jagende mannen een stuk verderop in de wildernis. Maska begon erover wat Enapay te doen zou krijgen als jongste jager en ze vertelde dat hij na twee nachten samen met zijn vader en de andere jagers weer thuis zou komen.

Op een heuveltje met weer zo’n mooi uitzicht, voor hen gewoon maar wij zouden onze ogen uitkijken, floot Maska en haar fluiten werd beantwoord. Het bleek haar jongste broer te zijn, die haar gehoord had. Hij bracht Maska en Enapay naar haar man en zijn vader. “Wat fijn dat je ons komt versterken, kleine vent! Dat hebben we echt nodig, want de vangst valt nog wat tegen.” Ze praatten bij over hoe de jacht verlopen was, over de mammoet en dat ze gelukkig geen gigantische luiaards en sabeltandtijgers hadden gezien, over het voorval met de buurman en dat de broer van Maska maar niet beter wilde worden “Anna [haar moeder; GjH] probeert het nu met rook.” Maska gaf haar man de honing, die ze voor hem had meegenomen. Na een tedere omhelzing met haar man en een dikke kus voor Enapay en de nodige “Ik houd van jou”’s liep zij alleen terug naar de nederzetting. Op de terugweg kruiste niemand haar pad, geen luiaard en ook geen mammoet of reuzenwolf. Maska zag langs het meer de voetafdrukken van haar kleine Enapay naast die van zichzelf en ze voelde dat het in haar leven goed was zoals het was. Misschien, als haar broer weer beter werd, niet beter kòn. Juist op dat moment zag zij wat prachtige veren op de grond liggen. Ze stak de drie mooiste in haar haar.

Ze zou niemand geloofd hebben, die haar vertellen zou dat het dragen van veren door haar een gewoonte zou worden. Toch was zij de eerste die dat deed, waarna anderen dat eeuwenlang ook bij bijzondere gelegenheden gingen doen.

Dit gebeurde allemaal 10.000 jaar geleden in de huidige staat Nieuw Mexico in de Verenigde Staten van Amerika. Helemaal zeker, dat het zo gegaan is, ben ik overigens niet. Het kan ook zijn dat Maska via rooksignalen gevraagd was Enapay eerder op te halen, wanneer het jachtgebied en de nederzetting andersom gelegen hebben. Of de broer van Maska het gehaald heeft, weet ik evenmin en over de namen ben ik ook al niet zeker, maar oud-indiaanse namen zullen zij vast en zeker gedragen hebben. Het enige zekere in dit verhaal zijn de voetsporen van wie Enapay en Maska genoemd werden over 1,5 km in een rechte lijn, met een kleuter soms links van een jonge vrouw, dan weer rechts en dan weer zonder de zijne maar met extra diepe afdrukken van de hare, de voetafdrukken van haar alleen in tegengestelde richting en de afdrukken van de gigantische luiaard en die van de mammoet. De rest heb ik erbij moeten verzinnen. Maar het bijzondere aan dit verhaal lijkt mij dat u en ik misschien wel wat DNA van het kind en de jonge vrouw, die daar 10.000 jaar geleden liepen, in onze genen hebben. Wellicht zijn dit twee van onze talrijke voorouders geweest.

Bron: “10.000 jaar oude voetstappen van (jong)volwassene en kleuter ontdekt in VS” via NU op 17 oktober 2020.

Weer thuis

Het voelt een rijkdom eigen domein te bezitten
Om zonder voorbespreking te kunnen doen en laten
Hoewel jammer weer muren te moeten witten
kan ik weer overal zijn waar zij steeds zaten

want m’n huisgenoten wonen nu elders in het land
Een uit elkaar geschroefd bed staat in de gang
Sopje hier en stapels wasgoed in een mand
Ze bleven ook dit keer mij nèt iets te lang

Mijn huis, ik blijk aan bijzonderheden zeer gehecht
Ik her-ontmoet het nu ik ’t leeg heb teruggevonden
Ik kijk geen tv, dus digitenne heb ik opgezegd,
Cello en stoelen terug naar waar ze eerder stonden

Het zal ze goed gaan, voorlopig verderop verblijven
Zo leven zij in hun wereldje van hop naar her
Ik mis mijn familie, mijn land blijft mij beklijven
maar hier wil ik zijn, al is het ver, en veel te ver.

Hoewel jammer weer muren te moeten witten
kan ik weer overal zijn waar zij steeds zaten
Heerlijk mijn eigen wereldje zo te gaan bezitten
Thuis
……….Te kunnen doen en er geruisloos ook te laten

In een stadsparkje

Ik zag ze zwijgend in de schemer op een bankje zitten. “Het staat je nu niet”, hoorde ik haar zeggen. Ik wist niet wat niet stond. Verkeer reed rondom het kleine park waar zij zaten. “We krijgen ons gesprek niet aan de praat” sprak hij somber.
De ander glimlachte.
Getoeter, een bijna botsing, en weer de gewone verkeersgeluiden.

Net als de avond daarnet val ik voor jou”, sprak hij.
Maar ik heb echt niemand nodig om ongelukkig te zijn”, zei zij.
Ik heb niemand nodig om gelukkig te zijn”, sprak hij, “maar wat mij opvalt is dat jij me opvalt. Jij komt bij mij binnen zonder dat ik de deur hoef open te houden.
Ze zwegen.
Berust nou in je onrust”, ging hij verder.
Die onvoorspelbaarheid van jou begint wel erg voorspelbaar te worden”, sprak zij dromerig.
Mijn innerlijk is niet altijd een binnenpretje”, antwoordde hij. “Weet je, iets op het spel zetten is voor de spelers vaak lastig spelen”, ging hij verder, “De tijd van ons leven zouden we moeten hebben tussen jouw geboorte en de dood van de eerste van ons die gaat”.
Wat ben jij beschoft!” viel ze hem in de rede, “Het is halfzes! Laat het toch na vijven vieren”.
Ik gok op zeker”, zei hij, “want luisteren naar mijn lichaam, betaalt zich vast terug met lijfrente”.
Ze glimlachte weer.
Het is ongehoord niet gehoord te worden”, fluisterde hij, om te vervolgen: “Je bent geen uitzondering. Iedereen moet vaak aan wendingen wennen”.
Daar ben ik het ontroerend met je eens”, sprak zij zacht, “Soms is iets niet doen bijna niet te doen”. “Ogenschijnlijk makkelijk is dan ook vaak onzichtbaar moeilijk”, vervolgde zij.

Hij keek haar nu voor het eerst aan en zei: “Het is alleen maar moeilijk mijn verhaal af te ronden omdat ik in cirkels denk. Je bent me helemaal niet kwijt, hoor”.
Zij zweeg.
“…maar ik voel me wel verloren”, maakt hij zijn zin af.

Was het voor jou op het eerste gezicht liefde op het eerste gezicht?” vroeg ze.
Jawel, maar in werkelijkheid bleek het niet echt” antwoordde hij, “Mijn ego was zichzelf niet helemaal”.
Maar dan is het mysterie opgelost:”, sprak zij opgelucht: “Je bent een mysterie”.

Als ik me ergens op kan concentreren is het wel op afleiding” antwoordde hij, “Daardoor zoek ik me een ongeluk naar het geluk. Dat zit me zo hoog dat ik er met m’n hoofd niet bij kan”.

Hoe vind je me nu je weg van me bent?” vroeg zij benieuwd.
Zie het maar eens dichtbij te vinden als je gewend bent verder te kijken”, schamperde hij.
Je hebt gelijk”, zei zij, niet om er vanaf te zijn, “Dat wat ertoe doet, doet er ook eigenlijk niet toe”.

Nu was hij het die zweeg. Na even keek hij haar vragend aan.

Ik leef me uit in het me in je inleven”, zei ze.
Mijn leugens zitten vol waarheid”, vulde hij haar aan,
Zij knikte.
Als het goed is, zie je een fout niet als een fout”, ging hij verder.

Ik denk aan een cursus ‘Beginnersfouten voor gevorderden’”, was haar reactie.

Ik ben pas echt ontwapenend voor je als ik je geen munitie geef”, zei hij.

Het kwaad is geschiet”, zei zij, maar eerst begreep hij haar verkeerd.
Zij zag in haar ooghoeken zijn wenkbrauwen fronsen.
Pas nadat zij gezegd had “Je spreekt het niet uit zoals je het zegt”, begreep hij haar. “Het kwaad is geschiet”, sprak hij haar nadenkend na.

Doe-het-zelven doe ik graag samen met jou, maar jij besloot ongewenst zwanger te worden”, haalde hij kennelijk als oude koe uit de sloot.
De donor hield z’n hart vast”, was ook deze inmiddels donkere avond hier in het park haar standaardreactie op die oude koe.
Zij vervolgde: “Wie rommel niet als rommel ziet, hoeft niets op te ruimen”.
Nu was hij het die knikte.

Ik zou nu wel een waarzegger willen spreken die onze zomer in z’n bol heeft”, zei hij na een poosje en ze maakten aanstalten om op te staan.
Zij antwoordde: “Je hebt alweer gelijk. Ook al is er veel over, het kan toch zomaar over zijn.

Toen stonden ze op. Zij zei: “Je broek zit niet meer goed.” en ze wandelden hand in hand het parkje uit.
Maak van je hobby ‘Je werk maken’ geen hobby”, hoorde ik haar nog tegen hem zeggen.

Ook ik vervolgde mijn weg waarbij ik me afvroeg hoe die twee elkaar gevonden hadden. Gebrek aan gegevens zette mij voor het blok, waardoor ik daar niet achter ben gekomen.

Bron: naar spreuken van de Mwah-scheurkalender 2019.

Er ging een schouder door de laan

Terwijl het spook van de honger voor velen allang geen spook meer is en terwijl dat andere van de klimaatcrisis rondwaart,
terwijl de wereld op veel plaatsen in brand staat,
terwijl oorlogen gevoerd worden en corrupte leiders minderheden onderdrukken, of zo’n beetje heel hun bevolking,
terwijl overal in de wereld vrouwen behandeld worden als tweederangs-burgers, of als vee,
terwijl overheden falen bij het streng onder controle houden van burgers die naar de ideeën van de machtigen een afkeurenswaardig gedrag vertonen,
terwijl moties van afkeuring nooit gesteund worden door volledige coalitiepartijen terwijl ook iedereen in een regeringspartij vrij zou zijn om ‘voor’ of ‘tegen’ zo’n motie te stemmen
modderen we met elkaar door alsof er niets bijzonders aan de hand is.

1. ING sluit 150 servicepunten in winkels
2. Natuurfotograaf Lanting wil geen instagrammers in kwetsbare natuur
3. Jarige Amalia krijgt vanaf haar achttiende jaarlijks anderhalf miljoen
4. Corruptieschikking kost Ericsson ruim 1 miljard dollar
5. Zo veranderde het imago van vuurwerk
6. Bouterse toch in beroep tegen vonnis Decembermoorden
7. Werknemer loopt warm voor nieuwe ‘fiets van de zaak’
8. Aflossingsgoud Oranje en zilver voor Schulting op 500 meter in Shanghai
9. Schippersechtpaar op intensive care door giftig gas in lading
10. Vijf voor twaalf bij PSV: ‘Vooral laten merken dat je de baas blijft’
Dit zijn op moment van schrijven de tien eerste artikelkoppen bij NOS.nl

Ik begrijp, als het erop aankomt, niets van de wereld en van mensen en wat hen beweegt.

Zelf ben ik geen haar beter. Ik deed vanmorgen mijn muziekoefeningen, dronk koffie met een gezin uit India, dat bij mij logeert, en ik ontving vanmorgen een timmerman, die binnenkort bij mij een raam gaat repareren. Verwarrend vind ik het dat er volgens mijn waarneming juist ook zo ongelooflijk veel goed gaat in het sociale verkeer tussen mensen. Nee, van mijzelf snap ik ook niet veel. Kortom:

Er ging een schouder door de laan.
Daar zaten rug noch benen aan.
Hij had geen mond om mee te praten,
Geen buik of borst of ledematen
En ieder die de schouder zag
Zei medelijdend “Goedendag”.

Alleen een boer die varkens voedde
Riep in een vlaag van vrome woede:
Hoe waagt een schouder rond te gaan
Alleen en zonder kleren aan?
Waarop zijn varkens somber knorden:
Wat moet er van de wereld worden?
Daan Zonderland (Daniel van der Vat; 1909-1977)

Geef mij de bergen maar

Een opstand hier, een volgelopen mijn, uitzichtloze honger daar
Minister spreekt, De klok: ik moet vertrekken. Ik kom aan
Terugblikkend liggen er nog bergen en ben ik bijna klaar
Tijd is slechts vulling; echt niet iets om lang bij stil te staan

Immer broze harmonie
Erkenning: ik … of mijn
Ik?
Mijn ik?
Och lieve, wie … is wie?
Meer en meer bewustzijn zijn

Onder de mensen, alleen, onder weg, samen, een terras
Eten, water, gezond, verzorging, trek en finishing touch
Zekerheid, zon, o … lof der onzekerheid, geld, verras
Transparant eelt, steeds meer littekens en een flinke buts

Ongenoegens
Vrede, kalmte
VERZET!!!
Liefde, genoeg!
Tevree

Een schilderij, een film, een kleinigheid
Muziek sterft weg waar mijn gemoed zich vult
Zegen verving in de mist mijn lijnigheid
Zesenzestig jaren zoeken, weten, heroverwegen en geduld

En ben ik klaar? Welnee, geef mij de bergen maar!

Alweer 93 jaar geleden…

Een voor mij herkenbaar verhaaltje.

Het was 1926. Pablo Casals, een 50 jarige en zeer invloedrijk Catalaans of zo u wilt Spaans cellist die geboren was met de naam Pau Casals i Defilló, liep over het strand en keek naar de zee. Hij had zojuist de laatste hand gelegd aan zijn ‘La Sardana’, achteraf wellicht zijn meest invloedrijke werk voor cello-ensembles. Tevreden mijmerde hij de melodieuze noten stuk voor stuk en hij struikelde. Een wijnfles was er de oorzaak van dat hij even zijn evenwicht verloor.

Casals raapte de lege fles op en probeerde de kurk eraf te trekken want, hoewel leeg, er zat iets in. De kurk floepte na even uit de flessenhals, maar wat hij nooit verwacht had omdat hij niet veel meer met sprookjes had, uit de fles kwam een geest. Deze geest had jaren in de fles opgesloten gezeten en was haar bevrijder dankbaar. Daarom wilde zij zich van haar beste kant laten zien en bood Casals aan wel twee wensen te doen.

Casals hoefde daarover niet lang na te denken. “Zou u kunnen zorgen voor wereldvrede?”, vroeg hij de geest.
De geest schrok van deze vraag. Beschaamd antwoordde zij dat dat voor haar echt een te moeilijke wens was om te vervullen: “Het spijt me echt.
Vol begrip dacht Casals na over een tweede wens. Na even vroeg hij de geest: “Ik zou zo graag zuivere noten op mijn cello willen spelen.” Nu begon de geest te blozen en te hakkelen, totdat zij aan Casals vroeg: “Wat was uw eerste wens ook weer?

Voor mij is dit verhaal herkenbaar nu ik bijna anderhalf jaar cello speel. Een cello vraagt namelijk om een nauwkeurigheid van de linkerhand die voor mij nog samenhangt met stoelhoogte en plaats waar de pin op de grond staat. Die pin zit onder het instrument.

Bij nagenoeg elke noot worden tonen gemaakt door in combinatie met strijken of tokkelen de snaren exact op de juiste plaats tegen de toets (het zwarte vlak onder de snaren) te drukken of alleen maar exact op de juiste plaats aan te raken. In het begin ‘wandelen’ de vingers van de linkerhand vaak over de vier snaren alle kanten op. Maar dat Pablo Casals hier nog moeite mee zou hebben, maakt wel duidelijk dat het hier echt om een sprookje ging.

Bron: Naar een mop die ik van cellist en docent Mirjam Daalmans (celloklas.nl) vernam.

Onkreukbaar Vorden

Een bestuurder reed door Vorden, ongeveer 10 km ten zuidoosten van Zutphen, op weg naar huis. Hij was een van de 5.100 inwoners van het dorp, dat bij binnenkomst laat zien hoe hard u rijdt en bij het verlaten bestuurders dankt voor het niet harder rijden dan 50 km per uur. Op een kruispunt werd hij geflitst. Hij wist toch zeker dat hij door groen gereden was.

Voor de zekerheid keerde hij zijn auto en nam het kruispunt opnieuw. Nu zeker door groen werd hij opnieuw geflitst. Dat begreep hij niet. Thuis gekomen begreep zijn vrouw het ook niet. Nog voordat ze aan tafel gingen, stapten ze samen in de auto en hij kreeg gelijk: weer reden ze door groen en toch werden ze geflitst.

Na weken lagen er bij de bestuurder en zijn vrouw drie enveloppen van het Centraal Juridisch Incassobureau op de mat: drie maal rijden zonder gordel is 3x € 140 = € 520.

Nagekomen bericht
In Vorden zijn geen verkeerslichten…

Ergo, het verhaal van de buurman van een ex-collega van mij speelde zich in een andere omgeving af of is door iemand verzonnen. In elk geval past de titel van dit stukje niet langer bij de inhoud, hoe onkreukbaar men in Vorden ook mag zijn.

Bron: naar verluid de buurman van een oud-collega van mij, toen ik tussen Zutphen en Dieren in Brummen werkte.

Vrijheid

Over het geheel genomen”, oreerde de kale man vanuit zijn veel te zware leunstoel, “leven we in vrijheid; zijn we vrij om te doen wat we willen.
Daarna liet hij een stilte vallen.
De bleke vrouw van een jaar of 30, die op de bank tegenover hem zat, reageerde niet. Ze liet het woordje ‘vrijheid’ tot zich doordringen, benieuwd wat dat zou zijn.
De stilte duurde voort en haar gedachten kabbelden naar opstaan van de bank, naar het raam lopen, daaruit springen om op de wind te vluchten totdat de wind uitgewaaid was en haar aan de grond zou neerzetten in een gezellig groen land met grote vruchten aan de bomen; nee, op haar handdoek op een heerlijk strand aan een blauwe zee. Nooit meer iets te hoev
Besef je dat, Elsbeth?
Nu moest zij reageren, maar waarop? O, ja, we zijn vrij.
Ik denk het niet, meneer Roere. Ik denk niet dat ik besef vrij te zijn om te doen wat ik wil.
Meneer Roere keek haar vanuit zijn veel te zware leunstoel aan alsof hij een pijp rookte, maar hij was daarmee al jaren geleden gestopt. Een ander in de spreekkamer zou gedacht hebben dat hij op zijn gemakje zittend een sculptuur bekeek, maar Elsbeth voelde zich met zijn blik op haar gericht als een laboratoriummuis.

Met zachte stem probeerde hij: “Elsbeth, de wereld ligt aan jouw voeten. Jij bent het die bepaalt wat jij in jouw leven gaat doen of niet. Jij bent de kapitein op jouw
Wat doet u met uw vrijheid?
Ik help mensen zoals jij hun leven weer in eigen hand te nemen.
Ik zou dat niet kunnen; andere mensen helpen hun leven in eigen hand te nemen.
Maar dat hoeft toch ook niet? Jij kunt doen waar je goed in bent en wat je wilt.
Maar”, nu liet Elsbeth een lange stilte vallen om de juiste woorden te vinden, “maar als er geen andere mensen waren om te helpen; wat zou u dan
Er zijn zoveel mensen, altijd genoeg om te helpen”, viel de heer Roere haar in de rede.
Elsbeth had spijt dat ze daarnet niet was opgestaan om het raam uit te vliegen. Nu kon het niet meer.

Dat hangt ervan af wat het mij waard is om bij mijn keuze te blijven”, antwoordde hij alweer te snel.

Fijn”, zei ze zacht om even later nog zachter te vervolgen met: “Wat is dat eigenlijk, vrijheid?
Dit was bekend terrein voor de heer Roere, die er even voor ging zitten. Nog voor hij van wal kon steken, preciseerde Elsbeth haar vraag: “voor u?
Dat weet ik niet”, flapte hij er naar eer en geweten uit.
Dit antwoord verraste Elsbeth zo dat ze in de lach schoot; een giebellach.
Eindelijk zaten ze even van mens tot mens tegenover elkaar; de zoekende Elsbeth de Boer* van 31 en de vaderlijke Wim Roere* van 46.
De heer Roere wilde zijn gezag herstellen, maar tegelijk beviel hem de situatie van het gebroken ijs te goed om dat te doen. Een nieuwe inval schoot hem te binnen, waaraan hij geen gehoor gaf, omdat hij die te amicaal vond. Zo duurde het menselijk contact langer dan ooit in zijn praktijk. Hij vroeg zich af of het een blunder was geweest toe te geven dat hij helemaal niet weet wat vrijheid voor hem is. Het kon hem nu even niet schelen; blunder of niet. Deze sessie duurt nog 12 minuten. Daarin kan hij haar nog heel wat meegeven. Hij probeerde een vraag: “Weet jij dat; wat vrijheid voor jou is?
Voor mij is vrijheid mijn eigen gang gaan, maar ik geloof niet dat ik altijd vakantie kan vieren.” Elsbeth zocht naar nieuwe woorden en de heer Roere wachtte af welke dat zouden zijn. “Voor mij is vrijheid helemaal niet mijn eigen gang gaan, maar mijn keuzes maken en dat mijn keuzes door mijn partner gewaardeerd worden.” De heer Roere zag dat ze nog niet klaar was. “En door mijn moeder.
Dus vrijheid is ingewikkeld”, constateerde de heer Roere onverwacht, “want jouw keuzes, of laat ik het over de mijne hebben, worden niet altijd met applaus ontvangen.
En dan, als u door uw keuzes afgewezen wordt?
Dat hangt ervan af wat het mij waard is om bij mijn keuze te blijven”, antwoordde hij alweer te snel. In zijn beleving was een tweede blunder in amper vijf minuten een feit.
Maar, meneer Roere, dit heeft toch niets met vrijheid te maken?”
Het valt niet mee”, constateerde de heer Roere.
Staan mijn vriendschappen en mijn partnerschap op gespannen voet met vrijheid?
Misschien gaat het altijd erom wat het je waard is”, vroeg de heer Roere zich geïrriteerd over zijn onprofessionele opstelling hardop af.
Dan is dit mijn laatste gesprek met u met haar gezicht naar de klok. Ik dank u voor de afgelopen maanden van steun. Ik was van het dak gesprongen als ik u niet zo snel had gevonden. Nu ben ik niet zo hopeloos meer. En ik wil mijn man niet ongelukkig maken en ik wil helemaal geen ruzie met hem ook al is hij een onbenullige stier. Dan vul ik mijn vrijheid in met overgave aan een keus die ik ooit maakte. Ik heb veel aan de gesprekken met u gehad. Dank u wel” en zij maakte aanstalten om van de bank op te staan.
Overvallen door zoveel kordaat gedrag van de bleke Elsbeth verschool de heer Roere zich snel achter zijn goed-passend masker en zei: “Het lijkt mij een goede keus, Elsbeth, en ik wens je veel wijsheid in de toekomst. Mocht je het nodig hebben, dan ben je hier altijd welkom.

Elsbeth voelde hoe het onderling menselijk contact weer plaats gemaakt had voor de belerende psycholoog dr. W.J.Roere. Nu wist ze dat hij buiten zijn spreekkamer net zo zoekend was als zij. Al zocht hij op een andere manier.
Na haar vertrek uit zijn spreekkamer zette hij zich aan een kort verslag van het gesprek. Zijn gedachten werden tegen het eind van het verslagje meegevoerd naar de mogelijke partner van Elsbeth. Zou hij eenmaal van zijn voetstuk zich daarmee kunnen vergelijken? Nou, ‘een stier’ zou hij zichzelf nooit noemen.

Nadat Elsbeth achter haar cappuccino zat bij het Italiaanse espressotentje, dat ze altijd na de heer Roere bezocht, vroeg ze zich, vlak voordat ze een tijdschrift ter hand nam, even af of de heer Roere wel zocht.

Die avond liet zij haar partner weten dat het voor haar echt zo niet langer ging.
___________________
* Elke overeenkomst met bestaande personen berust op louter toeval.

Priors vreemde opdracht

Het was een dag in juni dat de vrouw van de tuinman met betraande ogen het ontbijt voor haar kinderen klaarmaakte. Het laatste gewone ontbijt van deze week. Misschien van deze maand en wellicht van dit jaar of hun ganse leven. Het werk van haar man, een uitmuntende en oplettende tuinman zoals later dit verhaal zal blijken, was door het overlijden van zijn heer opgehouden. De beste man had nu geen bron van inkomsten meer en zat al dagen terneergeslagen op een stoel in zijn kleine huisje van leem. ’s Nachts verplaatste hij zich terneergeslagen naast zijn vrouw in de bedstee. Zijn begripvolle vrouw hield zielsveel van hem, begreep hem, liet hem, zoende hem soms tussen de bedrijven door, maar nu maakten de zorgen voor wat er van hun kinderen moest worden zich van haar meester. Zij bracht haar man een deel van het brood en onze tuinman zag haar tranen.

Dit echtpaar had geen woorden nodig. Dat was nog niet in die tijd. De man at slechts zijn brood en stelde voor zichzelf vast dat het zo niet langer kon. Hij verzaakte, en deed gebukt onder de naargeestige omstandigheden zijn door hem beminde vrouw verdriet. Zo boorde hij voorzichtig moed aan onder zijn hopeloosheid en zelfmedelijden. Hij ging wat rechter op zitten. Een glimlach verscheen op zijn gezicht. Dat was voor het eerst sinds zijn thuiskomst met de akelige tijding.

Hij stond op en liep naar zijn vrouw. Hij zoende haar en sprak:
Vanavond kom ik terug, met of zonder werk.
De tuinman vertrok en zijn vrouw putte hoop. Hij liep twee uur en durfde een beetje van de omgeving te genieten. Vooral van de bruisende beekjes, die vanaf de berghellingen naar onder stroomden. In de verte doemde de priorij op, die het doel van zijn tocht was. Nog even en hij zou zijn diensten daar aanbieden.

Aan de poort maakte hij alleen duidelijk dat hij de prior hoognodig had en dat hij, met begrip voor de drukke werkzaamheden van de prior eventueel de rest van de dag zou wachten totdat de prior slechts een klein deel van een uur tijd voor hem vrij zou kunnen maken. De dienstdoende monnik vroeg hem of hij onze tuinman ook zou kunnen helpen. De tuinman antwoordde:
Och kon dat maar, ik zou de hemel danken.” en hij wende zijn gezicht af.
Wacht hier’, reageerde de monnik en hij sloot het spreekluik in de poort.

Na enige tijd werd de poort geopend en de monnik nodigde de tuinman verder te komen. Zwijgend liepen ze naar de werkkamer van de prior.
Wat kan ik voor u doen?”, vroeg deze toen onze tuinman in de deuropening stond.
Mag ik ietsje binnenkomen en de deur sluiten?
Komt u ietsje verder.
Hoogeerwaarde heer en prior van deze prachtige priorij, aangesteld door God en de Paus, voor ik u mijn verzoek doe, zal ik kort uitleggen waarom ik de stoute schoenen aangetrokken heb en nu van uw tijd vraag.” En hij legde de omstandigheden uit waardoor hij geen werk meer had en over het genoegen dat hij altijd aan de uitoefening van zijn vakmanschap beleefde. Hier dacht de prior dat de tuinman slechts een aalmoes vragen ging. Hij werd in zijn vermoeden gesterkt, toen onze tuinman begon over de honger, die zijn vrouw en kinderen nu moesten doorstaan, maar de tuinman besloot met de vraag de tuin van de priorij te mogen onderhouden tegen voedsel voor zijn vrouw en kinderen.

De prior liet de consequenties van zijn antwoord tot zich doordringen, waardoor het een geruime tijdspanne stil bleef in de werkkamer.
Nadat hij een besluit genomen had, verwoorde hij zijn beslissing aldus:
U zegt een goede tuinman te zijn en wij kunnen wel een lekentuinman gebruiken, maar alleen als dat een bijzonder bekwame vakman is. Ik kan u daarom het volgende aanbod doen:
In de tuin van deze priorij wonen vijf broers, maar ik kan ze niet vinden. Zij moeten gemakkelijk te herkennen zijn, want zij lijken sprekend op elkaar. Echter, twee van hen hebben een baard, twee andere zijn kaalgeschoren en de resterende broer heeft een halve baard. Wanneer u deze broers vandaag vindt, kunt u hier als lekentuinman komen werken waarbij wij u normaal naar uw arbeid zullen belonen. Wanneer u de broers niet vindt, zullen wij u uit dankbaarheid voor uw resultaatloze hulp en vanuit mededogen wat brood voor de komende dagen meegegeven naar uw huis.
Wij lunchen op het middaguur en ik nodig u uit tegen die tijd deel te nemen aan onze maaltijd.

De tuinman verliet de werkkamer met de woorden:
Ik dank u voor uw hulpvaardigheid in mijn troosteloze toestand”, en verkende de tuin van de priorij. Daar bleek werk zat, maar nu moest hij eerst zoeken naar de onbekende vreemde broers. Zoekend verstreek de tijd en onze tuinman liet de lunch – ondanks zijn honger – aan hem voorbij gaan. Tegen drie uur die middag verscheen er alweer een glimlach op zijn gelaat. Opgelucht kwam hij overeind uit de bloemperken in de tuin. Hij ging op weg naar de werkkamer van de prior en klampte de eerste de beste monnik aan, die hij aantrof, met de woorden:
Ik heb verheugend nieuws voor uw prior. Zou ik hem in zijn drukke werk mogen storen?
De monnik vroeg de prior en begeleidde wat later de tuinman naar de werkkamer.

Hoogeerwaarde prior, ik heb de door u gezochte broers gevonden.
Dan loop ik met u mee, want ik ben zeer benieuwd ze te ontmoeten.
Onze tuinman begeleidde de prior naar een rozenperk en ongezien glimlachte de prior besmuikt. Hij sprak echter de woorden:
Ik zie geen broers, beste man.
Mag ik u verzoeken door de knieën te gaan en de groene bladeren rondom deze prachtige rozen te aanschouwen? Daar staan de door u gezochte vijf broers in een kring: twee met een baard, een met een halve baard en twee zonder baard.
De prior deed wat de tuinman vroeg en zag de vijf groene broers rond elke bloemkroon die hij in dit rozenperk bekeek.

Misschien zijn rozen door deze broers wel de ‘koninginnen onder de bloemen’ geworden, die we zelfs in onze jaren nog altijd geven bij gebeurtenissen, zoals diploma-uitreikingen, liefdesverklaringen, trouwerijen en verjaardagen. Gebeurtenissen, die verleden en toekomst in het nu aan elkaar verbinden.

Een nieuw metier

Vanmorgen oefende ik met ‘eerste’ en ‘tweede vinger’ en onregelmatige tempi. Ik heb het maar getroffen met mijn buren, die vinden dat ‘als ik het nog moet leren, ik het maar moet leren‘. Mijn linkeroor zit nòg dichter bij het soms snerpend of krassend geluid wat niet om aan te horen is. Wat is het geval?

Op 23 maart jongstleden, nog geen maand terug in de tijd, ging ik met een vriendin naar het lunchpauzeconcert in TivoliVredenburg. ‘De menselijke stem van de cello’ stond op het programma; uitgevoerd door de celloklas van het Utrechts conservatorium HKU onder leiding van Timora Rosler. We hoorden eerst een uitvoering van de ‘Symfonie voor acht cello’s’ van Philip Glass (1937). In één woord: “Prachtig” (als je van Philip Glass’ stijl houdt). Toch 8 woorden. Daarna speelden Laia Terre en Angela Guillen de ‘Suite voor twee cello’s’ van David Popper (1843 – 1913) en toen gebeurde het. Ik fluisterde tijdens het welgemeend applaus mijn vriendin in het oor: “Ik ga cello spelen”. “Fagot is ook mooi”, fluisterde zij als eerste reactie. “Ja, maar het wordt cello”, volharde ik.

Daarna werden nog de ‘Libertango’ van Ástor Piazzolla (1921 – 1994) gespeeld, het ‘Requiem’ van David Popper en ‘Bachianas Brasilieras nr. 1 voor acht cello’s’ van Heitor Villa-Lobos (1887 – 1959). Vervolgens consumeerden we traditiegetrouw nog een koffie met gebak en ik bleef vastbesloten.

Nu had ik na deze afspraak nog met een vriend afgesproken. Ik deelde hem mee hoe mijn leven vanaf (toen) ‘vandaag gaat veranderen’. Hij vertelde nog een cello in bezit te hebben. Die stond nog bij iemand anders, maar zou ik in bruikleen kunnen krijgen.

Ik geniet ervan om aan iets te beginnen wat ik nog helemaal nooit gedaan heb.

’s Avonds vroeg ik via mijn ‘Nextdoor-App’ wie een goede cellodocent voor mij wist en prompt werd mij een docent in de buurt warm aanbevolen. Haar belde ik zaterdagochtend, nog geen etmaal na het concert, en we spraken een eerste proefles af voor woensdag.

De muzikaal leider Timora Rosler toonde zich via de mail verheugd over mijn enthousiasme voor de cello door het concert, net als de programmeurs van de lunchpauzeconcerten in TivoliVredenburg.

Dinsdag belde ik mijn vriend over zijn cello. Die liet nog even op zich wachten, dus via Markplaats zocht ik een geschikt instrument. Ik vond een

    ‘Excellent Cello 4/4 Warm sound, comes with bow and soft case; Bohemian instrument very easy to play and responsive warm, full and round sound for advanced amateurs or beginning conservatory.’

Daar bood ik op en ’s avonds haalde ik mijn nieuwe oude cello in Amsterdam op.

Woensdag werden mij zodoende de allereerste beginselen uitgelegd van het cellospelen, te beginnen met het zitten zonder cello.

En nu probeer ik dus geheim na geheim van mijn cello te ontdekken. Dat ik vroeger verdienstelijk schuiftrombone gespeeld heb, scheelt wel iets. Mijn cellodocente vond deze ontwikkeling wel bijzonder. Zij constateerde: “De cello is onder de strijkinstrumenten, wat de trombone onder de blaasinstrumenten is.” Het scheelt iets, maar hoe ik ook van mijn oefeningetjes geniet, hoeveel plezier ik er ook aan ontleen te tokkelen en te strijken en hoewel ik merk vorderingen te maken, ik bak er nog niet veel van.

Het valt ook niet mee, omdat ik nog geen maand geleden voor het eerst een strijkstok vasthield. Die moet overigens midden tussen de kam en de toets met de haren vlak op de snaren en voor elk van de vier snaren onder twee iets andere hoeken, waarbij de strijkstok losjes en toch ook stevig met de rechterhand vastgehouden dient te worden en met mijn linkerhand moet ik op gehoor mijn wijsvinger, wijs- en middelvinger, wijs-, middel en ringvinger of alle vier mijn vingers op de snaren zetten (terwijl ik nog geen halve tonen hoef te spelen), en terwijl ik de duim van mijn linkerhand tegenover mijn middelvinger tegen of onder de hals behoor te houden en tenzij mijn vingers de snaren niet mogen aanraken, waarbij de muziek aangeeft welke strijkbewegingen ik zou moeten maken van de componist, tenzij ik met mijn linker- of juist rechterhand respectievelijk hoog op de hals of onder aan de toets moet tokkelen.

Ik geniet ervan om aan iets te beginnen wat ik nog helemaal nooit gedaan heb. Al klinkt het soms venijnig scherp of krassend in mijn oren, als ik er al muziek uit krijg, want op de kam strijkend, heb ik gemerkt, komt er haast geen muziek uit ’t ‘very easy to play and responsive warm, full and round sounded Bohemian instrument’.