Albanië

Mijn reis van twee weken door Albanië was een soort van ontdekkingsreis voor mij. Sinds donderdag slaap ik weer in mijn eigen bed. Eerder in mijn leven, toen de communist Haxhi Lleshi er staatshoofd was, heb ik vanuit het Joegoslavië van Josip Broz, bijgenaamd Tito, aan de grens met Albanië gestaan. We mochten er niet in met onze Westerse boeken en kleding (spijkerbroeken). Geen denken aan, en voor ons ook geen denken aan om die spullen achter te laten.

Albaniërs roepen hier te lande geen gezellige associaties op, dus ik vond het wel wat spannend om er te gaan rondreizen. Reden om er naar toe te gaan was dat we nu nog iets van het oorspronkelijke Albanië kunnen meemaken. Het land zou zich naar verluid in rap tempo klaarmaken voor een goed geoliede toeristenindustrie en dan wordt al dat authentieke vaak tenietgedaan; zowel in omgangsvormen als in het landschap of wat je er als toerist van te zien krijgt. Toeristen houden nu eenmaal van kitsch is de ervaring van degenen die eraan willen verdienen. En we waren inderdaad net op tijd, want in een sneltreinvaart worden veel dorpen en steden omgetoverd in toeristen-boulevards. Met gladde steentjes, dus als u gaat, neem dan wandelschoenen met ruwe zolen mee. En euro’s, want de Albanese Lek is aan flinke inflatie onderhevig.

Mijn eerste en vervolgens voortdurende indruk van de Albanezen is dat het bijzonder gezellige mensen zijn; hulpvaardig, vriendelijk en vrolijk. Op straat voelde ik me overal veilig al zijn er ook, zoals overal in de wereld, achteraf-straten waar het onguur voelt. Overal zag ik mensen met elkaar pratend of alleen over straat gaan, zowel mannen als vrouwen. Het moet ook voor vrouwen een sociaal veilig land zijn, constateerde ik daaruit. Overal ervoer ik een respectvolle omgang met elkaar, zelfs toen we bedonderd waren en verhaal kwamen halen. Wanneer mensen druk, zelfs ruziënd in gesprek leken, gingen ze even later vaak samen lachend uiteen. De een de ander als afscheid een gemoedelijk klopje op de schouder gevend.

Een andere eerste en voortdurende indruk is er een van geldgebrek. Zowel de overheid als mensen hebben weinig te besteden of investeren weinig. De publieke ruimte, op de omvorming naar een toeristenland en een enkele nieuwe weg na, is duidelijk veel decennia niet onderhouden. Veel doorgaande wegen zijn nooit bestraat of geasfalteerd. Van andere is het asfalt over tientallen kilometers dermate slecht dat heel de weg gekozen moet worden de minst diepe kuilen te nemen. Door verlaten gebouwen waait de wind door de gebroken ramen. Verroest ijzer van hekken en ja-knikkers. Ingezakte daken. Overal gruis, stenen, stof en zand. En telefoonkabels. Dat er soms een uurtje geen elektriciteit is, of stromend water, lijkt voor Albanezen net zo gewoon als voor ons dat het er altijd is. De jonge mensen gaan in de grotere steden modern en goed gekleed over straat. Net als hier vaak een sigaret rokend en met een modern mobieltje aan het oor. Misschien iets vaker nog rokend dan hier. Veruit de meeste vrouwen gaan ook goed gekleed en van de mannen slechts de helft, die ik waarnam.

Die mannen zag ik overigens ook wat afroken. En ik zag ze overal in het land heel de dag de vele terrasjes bevolken. Wanneer er in de kleinere steden ook vrouwen op de terrasjes zaten, was het avond of tijd om te lunchen. Ook worden er onder de mannen spelletjes gespeeld; Backgammon en Domino. Voetbal is kennelijk zo populair dat in de steden elk terras voorzien is van minstens één megascherm waarop een voetbalwedstrijd uit de Champions leage life te zien is. In een provincieplaats telde ik in één eetgelegenheid zelfs 14 beeldschermen waarop 4 verschillende wedstrijden te volgen waren. Even verderop was er nog een taveerne met 11 beeldschermen.

In het verkeer lijkt alles geoorloofd. Een kraampje langs een snelweg met gescheiden rijbanen, snelheidsbeperkingen negeren, ‘ nachts zonder verlichting tegen het verkeer in fietsen, verbodsborden negeren, zodra een verkeerslicht op groen springt voorgangers opjagen door te toeteren. Waar we ermee te maken hadden trad de verkeerspolitie gemoedelijk op. We hoorden opmerkelijk weinig sirenes; één in veertien dagen waarvan drie dagen in Tirana. En dat terwijl we regelmatig wagens met zwaailichten, zoals die knipperlichten heten, zagen.

In gesprekken met Albanezen werden we bedankt voor ieder compliment dat we gaven. Ook kwam vaak de blik van de Albanezen op de grote wereld aan de orde. Dààr schijnt voor hen de toekomst te liggen; in Albanië blijken voor hen die we spraken weinig lonkend toekomstperspectief. Toen we ons in de bergen helemaal vastgereden hadden, zagen we gelukkig wat mensen met elkaar voor een huis praten. Hen vroegen we de weg. Een dochter van 14 werd erbij gehaald om ons Engels naar Albanees te vertalen en andersom. Na even stonden we met een volle plastic tas met druiven en gedroogde vijgen en kregen we een slaapplek aangeboden. We konden slapen op de kamer van hun zoon, die nu in China was om te studeren. Verder spreken veel mensen Italiaans omdat ze daar jaren gewerkt hebben.

Afgezien van de hoofdstad Tirana en omstreken lijkt de rest van het land, zeker dat deel waar gebergten zijn, dunbevolkt. Sommige dorpen liggen een of twee uur bochtjes rijden en kuilen vermijden van elkaar. In de vlakkere delen van het land zagen we overal alleenstaande huizen aan rechte lanen met flinke tuinen er omheen; zonder privé-zwembad. De woonhuizen, die we zagen, waren in de steden veelal aftandse flats tussen witte huizen met rode dakpannen. Buiten de steden zagen we vooral betonnen blokkendoosjes om in te wonen en van diezelfde witte huizen met rode dakpannen.

Je zult er maar geboren en getogen zijn”, ging regelmatig door mij heen. Want hoewel de mensen dus een uiterst hulpvaardige, vriendelijke en vrolijke indruk op me maakten, was ik blij weer naar ons ordelijke land terug te kunnen keren. ’t Is weer even wennen aan al dat aanmatigend gedoe, dat gedouw en dat ongeduld op straat, maar wat hebben wij de publieke ruimte hier goed op orde. Raar dan eigenlijk dat wij die warme zomer niet ook massaal aan het flaneren sloegen, zoals de Albanezen elke avond gewoon zijn te doen ongeacht de staat van hun wandelboulevards, maar dat wij altijd van A naar B op weg blijven gaan.

Tirana (in uitvoering)

Rondom de rood gedakpande daken zie ik veel groen. Ook afthanse flats en boven de straten lijkt iedereen zijn eigen telefoonkabel te mogen hangen. En iedereen schijnt daar dan ook gebruik van te maken. Dat zijn de eerste indrukken van Tirana, de hoofdstad van Albanië. De tweede indruk is die van de mensen, die we ontmoeten. Wat een aardige behulpzaamheid stralen die uit. In woonkamers en waar verder maar mogelijk zijn winkeltjes ingericht. En terrasjes. Terrasjes die heel de dag bevolkt worden door geanimeerd met elkaar sprekende mannen, en mannen die voor zich uit staren naar het langs wandelend publiek. Rond lunchtijd en het avondeten zie ik evenveel mannen als vrouwen op dezelfde terrasjes,

“Armoe” is een term waarmee volgens mij in één woord de toestand van het land aangeduid kan worden, maar daarmee blijft veel ongezegd. De zichtbare geschiedenis van een verleden van onderdrukking en de zichtbare toekomst van een stad die zich gaat laten meten met andere Europese steden. Mensen kleden zich over het algemeen modern en iedereen lijkt voorzien van up to dates mobieltjes. Op de straten rijdt alles door elkaar, van Jaguars en motoren tot overbeladen fietsen, in het donker onbelicht. Aan sissende geluiden herken ik al snel de stadsbussen die langs puffen.

Hoewel de oudere gebouwen nog in een menselijke maat gebouwd werden heeft deze stad ook een lange periode gekend waarin wat door de overheid neergezet werd imposant, pompeus en rechtlijnig moest zijn. Mij doet het denken aan de fascistische bouwstijl van de jaren 30 en 40 in Duitsland. Tirana bevat in het Nederlands het woord ‘Tiran’ en dat lijkt geen toeval. De oudere bevolking hier, die heel de dag geanimeerd op terrasjes lijkt te zitten, heeft heel wat te verduren gehad, en heel wat opstanden en protesten meegemaakt. Misschien deden ze er zelf wel aan mee.

Tot zover een eerste indruk…

Ook in Duitsland kan je beter geld hebben dan werk

Duitsland gold begin deze eeuw nog als de zieke man van Europa. In de jaren van de eenwording was de werkloosheid sterk opgelopen. Op het hoogtepunt zat 11,7% van de Duitse beroepsbevolking zonder werk.

Onder leiding van Gerhard Schröder tuigden de SPD en de Groenen de ‘Agenda 2010’ op. In de daarop volgende periode van hervormingen (ontmanteling van het ontslagrecht, verhoging van de pensioengerechtigde leeftijd, versobering van het sociale verzekeringsstelsel, vast werk omzetten in tijdelijk werk zoals ‘mini-jobs’ of ‘450-euro-jobs’ waarover werkgevers geen sociale lasten hoeven af te dragen, vaak (40%) zonder uitbetaling van verplichte toeslagen) daalde de werkloosheid naar 5,7% van de Duitse beroepsbevolking, maar het totaal aantal gewerkte uren groeide niet en het totaal verdiende (maand-)loon bleef ook gelijk.

Duitse belastingen op bedrijven en inkomens zijn in die periode gedaald en de Duitse btw is gestegen. Het aantal gezinnen, dat in Duitsland onder de armoedegrens leeft, is eveneens gestegen.

Ook in Duitsland groeit binnen het bruto binnenlands product het aandeel vermogen dankzij ‘hervormingen’ sneller dan het aandeel loon.

Leuk hè, liberalisme?
En wat raar hè, dat rechts-populistische partijen ook in Duitsland aan de winnende hand zijn?

Bron: “Statiegeld hoort naast de vuilnisbak; Armoede in Duitsland” door Guido van Eijck in De Groene Amsterdammer van 11 juli 2018.

Slimme meters zonder wetenschappelijk onderbouwd nut

Niet lang geleden ontving ik een voorbereidende brief over de slimme meter, die mij in de toekomst aangeboden gaat worden. Argwanende ik zit daarop helemaal niet te wachten. Thuis heb ik een systeem ontwikkeld om zo min mogelijk cookies geïnstalleerd te krijgen, ik beperk mijn Facebook- en Google-gebruik om zo min mogelijk sporen achter te laten, het digitaal gebruik van mijn medische gegevens heb ik zoveel mogelijk aan banden gelegd en zoveel als mogelijk reis ik op een anonieme OV-kaart. Gebruik van een slimme meter roept bij mij dus de vraag op voor wie die meter zo slim zal zijn.

U hoeft daar niet vanuit de onderbuik op te reageren, want onze zuiderburen hebben er onderzoek naar gedaan. De conclusie hiervan luidt:
Google en Facebook hebben een imperium gebouwd om data over ons te verzamelen en de Vlaamse overheid zit zich likkebaardend in de handen te wrijven tot ze ook data over iedereen kan gaan verzamelen; helaas wel ten koste van onze privacy en zelfs van de volksgezondheid, want alles wordt natuurlijk draadloos verstuurd.

Dan nu naar de Vlaamse cijfers en praktijk:
Er werd in 2014 geld vrijgemaakt om zo’n 9.000 slimme meters binnen een pilot te plaatsen, maar 8% van de huishoudens weigerde die plaatsing. De aanname dat energieverbruik afneemt, wanneer mensen hun verbruik kunnen raadplegen werd in de overige huishoudens gelogenstraft doordat weinig mensen hun detailgegevens raadpleegden en nog minder dat meermaals deden.
Daarop mochten 200 gezinnen meedoen aan een onderzoek, waar 10% afzag van participatie.
Vervolgens werden 4 groepen gedefinieerd om het onderzoek naar het enthousiasme voor de slimme meter op een andere manier wetenschappelijk aanvaardbaar te kunnen bepalen:
1. Advocates: van de voorstanders van slimme huishoudtoestellen mag een wasmachine zich bijvoorbeeld automatisch inschakelen als er niemand thuis is (36%)
2. Supporters: de supporters van slimme huishoudtoestellen stellen zich met wat meer vragen open voor slimme apparaten (27%)
3. Doubters: de twijfelaars zijn minder positief dan de eerste twee groepen (25%) en
4. Refusers: de weigeraars hebben geen intentie om slimme toestellen te gebruiken en geloven niet dat ze milieuvriendelijk zijn (12%)
De eerste groep kreeg van de 500 slimme meters 82%, de tweede groep 16%, de derde groep 2% en de laatste groep geen enkele. Bij dat wetenschappelijke kun je hier dus vraagtekens zetten vanwege de representativiteit voor ‘de Vlaamse energieconsument’. Niet doen, want het wordt nog leuker…
Na afloop van dit onderzoek ontstaat een nieuwe verdeling:
1. Advocates zakt van 82% naar 57% en zakt dus omgerekend voor heel de Vlaamse bevolking van 36 naar ergens rond de 20%,
2. Supporters stijgt van 16% naar 32%; het omgerekende percentage is vanwege het lage aanvangspercentage gissen
3. Doubters stijgt van 2% naar 9%; het omgerekende percentage is ook voor deze groep om dezelfde reden gissen en
4. Refusers stijgt van 0% naar 2% en stijgt dus omgerekend van 12 naar 15 tot 20% van de totale bevolking.

De Vlaamse overheid en netbeheerders zwijgen in alle talen over deze onderzoekscijfers omdat ze “niet zo bemoedigend” zijn. De Vlaamse overheid vertelt daarentegen dat de slimme meters ‘van Europa’ moeten worden geïnstalleerd. In Duitsland hoeven slimme meters echter niet ‘van Europa’ geïnstalleerd te worden, omdat de Europese Unie, die bedoeld wordt, bepaald heeft dat de mate van uitrol van slimme meters mag afhangen van een economische evaluatie. Vlaanderen zou hetzelfde als Duitsland kunnen doen als ze een onafhankelijke analyse zou laten uitvoeren die geen kosten en baten berekent over 20 jaar, terwijl de uitrol eigenlijk in 15 jaar zal plaatsvinden. Dat doet de Vlaamse Regulator van de Elektriciteits- en Gasmarkt namelijk.

Kortom, om aan data over de privacy van onze zuiderburen te komen, heeft de Vlaamse overheid het gebruik van slimme meters gewoon verplicht gesteld. Met ‘Europa’ en ‘milieu’ als smoes. Dat kun je volgens mij op basis van de drie vooronderzoeken en de PR van de Vlaamse overheid wel vaststellen. En onze overheid is volgens mij geen haar beter.

Bron: “Waarom de slimme meter moest verplicht worden” door Johan Janssens via DeWereldMorgen op 28 juni 2018.

Leven alsof je een glas koel water drinkt

Hoe te leven zodat je je energie het best gebruikt?

De roeping van de mensch is mensch te zijn

wist Multatuli, alias de Nederlands schrijver en ambtenaar Eduard Douwes Dekker (1820 – 1887), maar hoe doe je dat? Ik heb een antwoord op die vraag. En dat gaat zo:

Zo gestremd de tijd
ongeduld vermijdt
zo gezwind haast ze
naar vergetelheid

dichtte Meander op 3 juni jl. via haar website. En zo is het. Zoek maar eens bij gelegenheid op waar ‘stremmen’ zoal voor staat…

Is dat niet wat we met ons leven doen? We denken moment van moment er helemaal te zijn, we ervaren daarbij emoties van hoge alertheid tot aandachtsverslapping, en voor we het weten verdwijnen veruit de meeste van onze dagelijkse belevenissen in een dikke mist die kennelijk binnen in ons brein het vermogen heeft veel van onze herinneringen soms zelfs voor eeuwig toe te dekken.

Het is niet jij die de wereld een plaats geeft, maar het is de Ander, die jou aanspreekt, appelleert en jou een plaats geeft

schreef de Franse filosoof Emmanuel Levinas (1906 – 1995). Door de Ander centraal te stellen, zette Levinas zich af tegen een filosofische traditie die zich voornamelijk richt op het Ego. Volgens Levinas, die ik al een tijdje met veel moeite probeer te doorgronden, kunnen we het heden niet beleven. Ons lichaam kan dat wel, maar voordat de waarnemingen van ons lichaam onze hersenen bereiken, waar de bewustwording, het beleven plaatsvindt, is de tijd alweer een moment verder. Zo lopen we met ons beleven altijd achter de feiten aan, maar misschien voert dit voor de meesten van u wel wat ver, want het heden verandert nu ook weer niet zo snel dat dat momentje ertoe doet. Toch boeit mij zijn inzicht dat het ‘Nu’ al voor we er kennis van hebben tot het verleden behoort…

Waarom integreren? Laten we samenleven

noemde Sawitri Saharso haar lezing. Zij is onder meer hoogleraar Burgerschap en Morele Diversiteit aan de Universiteit voor Humanistiek. Haar specialismen zijn gender, migratie en waardenconflict. Een paar weken geleden besprak zij tijdens haar voordracht op 24 mei in Bilthoven onder meer ‘De participatieverklaring’ die nieuwkomers moeten ondertekenen. Die verklaring besluit met

Ik verklaar dat ik kennis heb genomen van bovengenoemde waarden van de Nederlandse samenleving, en dat ik ze graag zal helpen uitdragen. (…).

Het vreemde aan deze verklaring, stelde zij, is dat nieuwkomers onder dwang moeten verklaren ‘bovengenoemde waarden’ ‘graag te helpen uitdragen’. Alsof alle Nederlanders de vrijheid dat

iedereen een eigen geloof of leefstijl mag hebben

zoals de participatieverklaring in een van zijn ‘waardes’ stelt, onderschrijft en met graagte uitdragen. Ik dacht het niet als ik mijn oog laat vallen op Facebook, Twitter en andere websites, en wanneer ik mijn oor te luisteren leg in ons openbaar vervoer of op straat.

Nee, in de wetenschap dat de tijd vervliet, zou ik met mijn beste bedoelingen iedereen adviseren te leven vanuit passie & compassie: Besteed je energie gedreven met mededogen aan het vuur dat in je brandt. ‘Kritisch mededogen’ bedoel ik, geen ‘geitenwollensokken-mededogen’; ‘kritische compassie’. Wat dat is?
Gesprekken met elkaar aangaan, ruimte bieden; oprechte denk en communicatiewegen bewandelen. Elkaar zoeken om zowel jezelf als de ander te begrijpen, te respecteren en eventueel de ander respectvol aan te spreken daar waar blijk gegeven wordt van strijdige inzichten. Laat je niet koeioneren en koeioneer niet. Zonder enige intentie elkaar kwaad te doen, mag dat ‘elkaar aanspreken’ van mij best ‘op het scherpst van de snede’.

“Wat was het leven voor jou, opa?” vroeg ik een oude Kretenzer eens. Hij was 100 jaar, getekend door oude wonden en blind. Hij koesterde zichzelf in de zon, gehurkt in de deuropening van zijn hut. Hij was ‘trots van oor’, zoals we op Kreta zeggen: hij hoorde niet goed. Ik herhaalde mijn vraag voor hem. “Hoe was je lange leven, opa, je honderd jaren?”
“Als een glas koel water,” antwoordde hij.
“En heb je nog dorst?”
Bruusk hief hij zijn hand op. “Verdoemd zij die geen dorst meer hebben!” riep hij.

sprak op 6 mei 1955 Nikos Kazantzakis, een van de belangrijkste Griekse schrijvers van de 20e eeuw. Ik ben het hartstochtelijk eens met hem.

’t Valt tegen met onze feitenkennis

Dat spreekt toch aan: “Als we de wereld willen begrijpen, moeten we naar de feiten kijken”? Ik probeer dat te doen – dat begrijpen van de wereld of, zo u wilt, dat kijken naar feiten – door af te gaan op mijn eigen ervaringen. Afgaande op wat ik dagelijks ervaar, verloopt het wereldgebeuren redelijk vredig. Ik maak – haast dagelijks – wel wat onrecht mee, maar ook daar valt uitstekend mee te leven.

Nu woon ik ook in Nederland”, redeneer ik. “Dat scheelt”, denk ik. Mijn wereldbeeld over streken waar ik nooit geweest ben, is meestal minder geordend, rechtvaardig en vredig. Hans Rosling, voorheen een Zweedse arts, directeur van de Gapminder Foundation en professor Internationale Gezondheid, zou geschokt zijn over de onwetendheid, waarop ik mijn ideeën en meningen over de wereld baseer.

Het onlangs verschenen boek van hem, “Feitenkennis; de moderne wereld aan de hand van feiten en statistieken”, drukt me met mijn neus op zijn geschoktheid. Kijken of dit ook voor u geldt:
Wat is het juiste antwoord? A, B of C?

Hoeveel meisjes in alle lage-inkomenslanden ter wereld maken de basisschool af?
A: 20 procent
B: 40 procent
C: 60 procent

Nu moeten we weten dat 33 % van de chimpansees in onze dierentuinen deze vraag juist zou beantwoorden; gemiddeld kiest echter maar 7 % mensen het juiste antwoord:
C, 60 procent van de meisjes in lage-inkomenslanden maakt de basisschool af. Een meerderheid van de mensen ‘neemt aan’ dat het 20 % is. In uitzonderlijke streken zoals Afghanistan, de Centraal-Afrikaanse Republiek en Zuid-Soedan, waar inderdaad minder dan 20 % van de meisjes de basisschool afmaakt, wonen percentueel niet veel van alle meisjes in alle lage-inkomenslanden.

De mega-misvatting dat we de wereld kunnen onderverdelen in twee vakken, ‘arm en rijk’, vertekent volgens Rosling in het hoofd van mensen alle wereldwijde verhoudingen. Hij bedacht er de term ‘kloofinstinct’ voor. Daarmee doelt hij op onze neiging om van alles in te delen in twee afzonderlijke en vaak tegengestelde groepen, met daartussen een imaginaire kloof – een diepe afgrond van onrechtvaardigheid: ‘laag inkomen – hoog inkomen’, ‘Noord – Zuid’, ‘het Westen – en de rest’ en andere varianten op ‘wij en zij’.

Bij gebrek aan kennis over recentere data, bepalen verouderde data vaak ons wereldbeeld. Zo hebben we volgens Rosling nog steeds het idee dat het gemiddeld aantal baby’s per vrouw in arme, op het Zuidelijk halfrond gelegen ‘rest’landen 5 tot 7 bedraagt en dat sterfte daar zo’n 25 % van de kinderen treft. Dat te denken is gebaseerd op inventarisaties uit 1965, terwijl in die landen het aantal baby’s inmiddels gemiddeld tussen de 2 en 5 per vrouw ligt; tegelijk is de kindersterfte daar in 33 jaar afgenomen van tussen de 30 en 10 % naar onder de 10 %. Van de gehele mensheid zit inmiddels al 85 % in het vak dat in 1965 nog ‘de ontwikkelde wereld’ werd genoemd. De overige 15 % zit grotendeels ergens tussen de ontwikkelende en ontwikkelde wereldvakken in. Slechts 13 landen, die samen 6 % van de wereldbevolking herbergen, bevinden zich nog steeds in het vak ‘ontwikkelend’.

Lage-inkomenslanden zijn daardoor veel ontwikkelder dan de meeste mensen denken èn er leven veel en veel minder mensen in die landen dan gedacht. Het idee van een verdeelde wereld met een meerderheid die in ellende en gebrek verkeert, blijkt volgens Rosling een illusie:
Nog maar 200 jaar geleden leefde 85 % van de wereldbevolking in extreme armoede en had minder dan $ 2 per dag te besteden. Nu leeft nog zo’n 15 % van de wereldbevolking nog op dat niveau:
1 miljard van de mensen leeft van minder dan 2 $ per dag
3 miljard van meer dan $ 2 en minder dan $ 8 per dag
2 miljard van meer dan $ 8 en minder dan $ 32 per dag
1 miljard van de mensen leeft van meer dan $ 32 per dag.

Wat volgens Rosling ons vertekende wereldbeeld in stand houdt, is de neiging te denken in ‘goed en slecht’. Journalisten brengen hun verhalen graag als een conflict tussen twee tegenover elkaar staande gezichtspunten, groepen of mensen. Ze vertellen liever verhalen over extreme armoede en over miljardairs dan over de bijzonder grote meerderheid van de mensen, die zich langzaam voortslepen naar een beter leven.

Veel ‘kloofverhalen’ zijn zodoende het gevolg van misleidende ‘dramatisering’. In de meeste gevallen is er helemaal geen duidelijke scheiding tussen tegenover elkaar staande groepen. Dat lijkt alleen zo door de presentatie van gemiddelden van verzamelde data en door de geschetste kenmerken van groepen. Op onze werkelijke medemensen, binnen de in onze media aangeduide groepen, zijn de geframede kenmerken vaak slechts maar voor een klein deel van toepassing. Verhalen over al die tegenstellingen bevorderen zelden een beter inzicht in de wereld en voeden wel de angst voor ons onbekende mensen.

Er zullen altijd ‘armsten en rijksten’ zijn en er zullen altijd ‘betere en slechtere regimes’ zijn, maar het feit dat er uitersten bestaan, vertelt ons niet veel. De grote meerderheden van de mensheid bevinden zich – net als de inkomens per dag van heel de mensheid – meestal ergens in het midden en vertellen een heel ander verhaal; een verhaal dat nog steeds het uwe had kunnen zijn wanneer uw wieg ergens anders had gestaan. Bovendien kunnen voor degenen met een hoger inkomen dan $ 32 per dag alle mensen op lagere inkomensniveaus even arm lijken. Tegelijk kan het begrip ‘arm’ zijn specifieke betekenis verliezen. Zelfs een persoon binnen dit inkomenssegment kan arm lijken, doordat de werkelijk arme medemensen zich ergens ver buiten ons beeld bevinden.

Feitenkennis is daarom het best gebaseerd op
1. herkennen wanneer een verhaal over een kloof gaat,
2. bedenken dat dit dus een beeld schetst van twee afzonderlijke groepen met een kloof ertussen en
3. herinneren dat de werkelijkheid vaak helemaal niet bestaat uit twee gescheiden groepen met elk hun eigen belevingswerelden. Meestal bevindt de meerderheid van de mensen zich juist in het midden, precies daar waar de kloof geacht werd te gapen.

Bron: “De wereld is totaal veranderd. En door deze denkfout viel dat niet zo op” door Sanne Blauw via De Correspondent op 11 april 2018 over het boek “Feitenkennis; de moderne wereld aan de hand van feiten en statistieken” (april 2018) van Hans Rosling e.a., ISBN 9789000351220, uitgegeven door Spectrum.

Het recht van de rechtelozen

Net nadat de rechter onlangs het vonnis van Nariman Tamimi had voorgelezen stond een Israëlische vrouw op en gaf de rechter een klap in het gezicht waarbij zij zei: “Wie ben jij om haar te beoordelen?

Even uitleggen:
Nariman Tamimi is de moeder van Ahed Tamimi die sinds 19 december gevangen zit omdat zij, vlak nadat haar neefje in het hoofd geschoten was, op de oprit van haar huis ongewapend een Israëlische soldaat geslagen had. Nariman stond voor de militaire rechter omdat het filmen van Aheds duwen en slaan en het verspreiden van die film een misdaad is. Dat is begrijpelijk want de film ging viraal en veroorzaakte een nieuw dieptepunt voor het onder onafhankelijke denkers toch al beroerde Israëlische imago. Nariman hoorde een ‘straf’ van 8 maanden tegen zich uitspreken en een boete.
De Israëlische vrouw heet ‘Yifat Doron’. Zij werd meteen aangehouden en verklaarde het eens te zijn met de politie dat zij een ‘bedreiging’ voor Israëls veiligheid is: “Iedereen die niet aan het lijntje loopt van uw apartheidsregime of die onafhankelijk durft te denken, vormt inderdaad een bedreiging voor de politie.

De burgerrechter was het daar niet mee eens en beval haar onmiddellijke vrijlating. Daarop vroeg de vertegenwoordiger van de politie om één dag uitstel om in beroep te gaan. De volgende dag herhaalde Yifat Doron haar argumenten van de dag ervoor, waaraan ze toevoegde: “Verder ben ik niet van plan mee te spelen met uw spel van democratie-voor-Joden-alleen. U doet maar.” Ondanks haar volledige bekentenis van de ten laste gelegde feiten en haar instemming met verdere aanhouding beval de rechter andermaal haar onmiddellijke vrijlating.

Koloniste Yifat Alkobi heeft ook zo’n verhaal: Zij heeft meermaals Israëlische soldaten in het gezicht geslagen. Zij werd telkens, ondanks een strafblad van geweld en talrijke aanhoudingen voor geweld tegen soldaten, dezelfde dag van haar aanhouding zonder borg en zonder voorwaarden vrijgelaten in afwachting van een proces voor de burgerlijke rechtbank in Israël. Zij riskeert hoogstens een kleine boete of korte voorwaardelijke gevangenisstraf.

Enkele dagen na haar nachtje cel belde Yifat Doron met het Israëlische magazine +9721 (de internationale telefooncode die voor Israël en de bezette Palestijnse gebieden dezelfde is): “Nariman (Ahed’s moeder) is een van mijn beste vriendinnen. Zij is een van de moedigste mensen die ik ken. Voor mij symboliseert zij het onrecht dat mensen ondergaan onder dit regime. Ik heb dit gedaan om haar te steunen. (…) Het is krankzinnig dat ik zoiets kan doen en twee dagen later al wordt vrijgelaten. Er zijn zoveel mensen in Nabi Saleh (het dorpje waar Nariman en Ahed Tamimi wonen) in de gevangenis, allemaal omdat ze besloten actie te voeren.

Bron: “Israëlische slaat militaire rechter Ahed Tamimi en is vrij na één dag” en “Amnesty eist onmiddellijke vrijlating Ahed Tamimi”; beide door Lode Vanoost via DeWereldMorgen op respectievelijk 26 maart 2018 en 16 januari 2018.