Het kan (wel)!

Jongeren uit bevoorrechte sociale milieus blijken meer tevreden over hun leven dan jongeren die in armoede opgroeien. Maar ook blijkt dat de mate van ontevredenheid van deze laatste groep bepaald wordt door het onderwijssysteem in hun respectievelijke land. In landen die bijvoorbeeld kinderen meer tijd geven om hun talenten te ontwikkelen en ze niet – zoals in Bulgarije, Duitsland, Groot-Brittannië en Hongarije – al op jonge leeftijd op basis van hun mogelijkheden door te verwijzen naar bepaalde richtingen/ schoolsystemen, blijkt de algemene tevredenheid tussen de verschillende sociale klassen verwaarloosbaar. “De leeftijd om kinderen uit de middenklasse te laten doorstromen, heeft geen effect op hun welzijn, maar voor kinderen uit lagere sociale klassen blijkt dat pas doorstromen op latere leeftijd hun geluk enorm bevordert”, zegt Björn Högberg van Universiteit Umeå.

Veel Poolse leerkrachten beseften, na een succesvolle ‘staking’ binnen de Poolse politie, dat het nu hun beurt was en – ondanks dat de examens net zouden beginnen – legden duizenden Poolse leerkrachten en ander onderwijspersoneel vanaf 8 april jl. het werk voor onbepaalde duur neer. Ook in Polen leidt aanhoudende economische groei – soms tot boven de 5 % – kennelijk niet tot eerlijke lonen. Volgens de World Inequality Database is Polen het meest ongelijke land van de Europese Unie. Zelfs in heel Europa is de ongelijkheid alleen in Rusland en Turkije groter. Het nettoloon binnen het Poolse onderwijs varieert van 1.800 tot 3.000 złoty per maand, dat is van 420 tot 700 euro. “Wij staan 18 uur per week voor de klas en worden alleen daarvoor betaald”, aldus Fabian Szóstkiewicz; een stakende leraar Engels in het Poolse Olecko, “De rest van ons werk, zoals testen verbeteren, contact met de ouders, schooluitstappen, lesvoorbereidingen, personeelsvergaderingen enzovoort, is vrijwilligerswerk. Net daarom hebben wij zo’n laag loon.

Wanneer de Belgische politiek ook in Polen toepasbaar is, zou dat allemaal veel beter kunnen door een heroriëntatie en herverdeling van fiscale uitgaven en een rechtvaardige fiscaliteit. In België, waar de armoedecijfers met 19% ontstellend hoog blijven, zou men zelfs binnen de huidige budgetten de armoede kunnen halveren. Dat is namelijk de boodschap van Decenniumdoelen vzw in hun campagne #Komafmetarmoede, een campagne om politieke partijen te overtuigen over te gaan tot een effectief armoedebeleid. Het gaat louter en alleen om een politieke keuze. Waarom zou dat in Polen anders zijn? Waarom zou dat in Nederland anders zijn?

Volgens Decenniumdoelen vzw moeten bijstandsuitkeringen en vervangingsinkomens boven de Europese armoedegrens gaan uitkomen. Er moeten meer betaalbare en kwalitatief goede woningen komen en een duurzaam en eerlijk energiebeleid. Ook is een eerlijke fiscaliteit nodig en er moet een sterke solidaire verplichte ziekteverzekering zijn, die iedereen een brede bescherming biedt.

Decenniumdoelen vzw verwijst naar het ‘Mattheus-principe’ wat in deze dagen voor pasen wel mooi lijkt, maar niet mooi is

Om deze vier prioriteiten voor een armoedebeleid te realiseren, heeft Decenniumdoelen vzw 28 voorstellen opgesteld. “28 voorstellen waarvan we weten dat ze armoede kunnen halveren”, aldus de campagne. Door € 16.000.000.000 fiscale uitgaven anders te verdelen zijn deze voorstellen haalbaar.

Grote uitgaven van de federale en Vlaamse regeringen gaan naar bedrijfswagens, dienstencheques, taxshift, pensioensparen, een tweede woning en de woonbonus. Hier vergeten we nog de vele fiscale uitgaven voor energiebesparing, klimaat, etc. Met deze uitgaven beloont, stimuleert of ontziet de overheid burgers fiscaal, maar deze uitgaven hebben een keerzijde: ze steunen sommige groepen meer dan andere. Decenniumdoelen vzw verwijst naar het ‘Mattheus-principe’ wat in deze dagen voor pasen wel mooi lijkt, maar niet mooi is: “Want een iegelijk, die heeft, dien zal gegeven worden, en hij zal overvloedig hebben; maar van dengene, die niet heeft, van dien zal genomen worden, ook dat hij heeft.” Mattheüs 25:29 in de Bijbel.

We hoeven met ons allen alleen te stoppen met blijven geloven dat ‘Trickle down’ ons ooit gaat overkomen

De keuze voor een dure taxshift maakt duidelijk dat er – indien er politieke wil is – middelen te vinden zijn. (…) Nu beloont de taxshift vanaf het derde inkomensdeciel, terwijl deze op de midden en hogere inkomensdecielen amper een positief werk-effect heeft. Het positief werk-effect zit in de lagere decielen. Een heroriëntering van de taxshift naar de lagere inkomensgroepen, kan voor een financiële ruimte zorgen van € 8.700.000.000, die richting de sociale minima en minimumlonen kan gaan.

De premies voor elektrische auto’s liggen sowieso niet in het direct bereik van een modaal gezin. “Zou het systeem van bedrijfswagens worden afgeschaft, dan zou dat € 1.900.000.000 beschikbaar maken voor een ander mobiliteitsbeleid.

Federale middelen voor een tweede woning gaan in essentie naar gezinnen die al een woning hebben. Is een dergelijke ondersteuning dan wel nodig? vraagt Decenniumdoelen vzw zich af.

De sociale minima en minimumlonen zouden al verhoogd moeten zijn. “Het stond in het federaal regeerakkoord maar de regering heeft deze belofte gebroken, terwijl het een voorwaarde is om iedereen de kans te geven op een menswaardig leven. Dixit Yves Leterme in 2007. Het is bovendien geen onbetaalbare belofte. Volgens het Belgisch Planbureau kost het optrekken van de sociale minima tot aan de armoedegrens € 1.200.000.000.

De woonbonus subsidieert de woonkeuzes van vooral de midden- en hogere klasse ten koste van de lagere inkomensgroepen”, legt Decenniumdoelen vzw uit. “De afschaffing van de woonbonus in 10 jaar levert honderden miljoenen euro op, waarmee huurtoelagen en sociale woningen gesubsidieerd kunnen worden. Er blijven daarmee zelfs middelen over voor een klimaattoelage gericht op het klimaatneutraal maken van de minder goede huurwoningen en de goedkopere eigen woningen. Zo kunnen er in 10 jaar 100.000 sociale woningen bijkomen. Dat betekent dat 100.000 gezinnen nog een maximale huur van gemiddeld € 400 per maand betalen in plaats van ongeveer € 650 nu. Dat vermindert voor deze gezinnen hun armoederisico en de armoede daalt daarmee met minstens 2%.

En zo maar door. We hoeven met ons allen alleen te stoppen met blijven geloven dat ‘Trickle down’ ons ooit gaat overkomen; overal ter wereld zal maatschappelijk en politiek hard gestreden moeten worden tegen de werking van het Mattheus-principe en voor een redelijke sociale rechtvaardigheid waardoor de regionale kloven van levensgeluk tussen sociaal bepaalde groepen geslecht worden.

Bronnen: “Landen die inzetten op inclusief onderwijs hebben later gelukkigere burgers” door Inter Press Service, “Armoede halveren is haalbaar en betaalbaar als we stoppen met rijken te subsidiëren” door Helenka Spanjer en “Onderwijsstaking Polen: ‘Na de politie beseften veel leerkrachten dat het nu onze beurt was’” door Wim Benda; alledrie via DeWereldMorgen op 12 april 2019.

Polarisering is de laatste decennia helemaal niet toegenomen

Is de polarisering in onze samenleving gedurende de laatste decennia toegenomen? Ja, dat wil zeggen, we hebben wel de indruk dat meningen verscherpen en dat mensen van verschillende ideologische kampen steeds minder met elkaar in dialoog treden. Maar is het waar?

Als het over polarisering gaat, wordt vaak gewezen op de bepalende rol van ‘de media’ en in het bijzonder de sociale media. Platformen als Facebook en Twitter zouden ervoor zorgen dat mensen enkel nog geconfronteerd worden met meningen en mensen in hun bubbles, die hun overtuigingen bevestigen. Maar is dat waar?

Amerikaanse wetenschappers zochten het uit aan de hand van een immense analyse van datastromen in de periode voor en na verkiezing van Donald Trump en bundelden hun bevindingen in het boek “Network Propaganda: Manipulation, Disinformation, and Radicalizaion in American Politics”.

Als we aan maatschappelijke en politieke polarisering denken, dan gaan we vaak uit van twee of meer groepen, die elk in tegengestelde richting van een denkbeeldig centrum afdrijven. Polarisering wordt daarmee altijd gezien als een proces waar minstens twee partijen evenveel aandeel in hebben. Maar juist dit denkbeeld is wat de auteurs van “Network Propaganda” ontkrachten: als het Amerikaanse medialandschap onder de loep wordt genomen, dan kan volgens hen niet anders vastgesteld worden dan dat vooral de rechterzijde een heel eigen media-ecosysteem heeft uitgebouwd van Breitbart, Fox News, New York Post of Washington Examiner omgeven door een netwerk van kleinere kranten, radiostations, televisiekanalen, vloggers en websites, en dat dit geen gelijke kent aan de linkerzijde van het politieke spectrum. Waarvan akte.

Binnen deze rechtse bubbel wordt journalistiek bedreven die zich bedient van beledigingen, sterke hyperbolen en heftige taal gericht op het creëren van sterke emoties zoals angst, haat of woede. De linkse media zijn pluralistischer en de gebruikers ervan komen wèl in aanraking met veel verschillende standpunten; heel anders dan gebruikers die zich bevinden in de rechtse media-bubbel: “De prominente spelers aan de linkerzijde en in het centrum vertonen eenvoudigweg geen zelfde parallelle structuur en niet dezelfde inhoud of heftige verontwaardiging die we aan de rechterzijde waarnemen.

Radicalisering is een gevolg van politieke initiatieven en door politiek aangedreven institutionele wijzigingen

De wortels voor de polarisering in het mediapolitieke landschap moeten gezocht worden in de politiek, zo wordt in “Network Propaganda” aangetoond. Er vond in de eerste plaats een radicalisering plaats onder politici; niet onder de bevolking! Rechtse radicalisering is geenszins een uiting van een sociaal proces dat zich vervolgens politiek vertaalt; het is andersom, volgens “Network Propaganda”.

Het lijkt vandaag haast ondenkbaar, maar in de jaren ’60 en ’70 kenmerkten Amerikaanse media zich door degelijkheid, ook ter rechterzijde. Dat begon te veranderen onder de liberalisering toen een deregulering in het uitreiken van medialicenties plaatsvond in de jaren ’70. In de jaren ’70, ’80 en ’90 viel een steile opgang waar te nemen van ultraconservatie en rechtse radiozenders en van ‘televangelisme’. Daar bleek een grote markt voor. De Amerikaanse publieke sfeer was dus al gepolariseerd vóór de komst van sociale media. De rechtse bubbel is een gevolg van een mediatieke en politiek-institutionele evolutie die veel ouder is dan Facebook en Twitter.

De Democraten en de linkerzijde zijn er nooit in geslaagd om een mediapolitiek ecosysteem uit te bouwen, dat even homogeen en krachtig was als dat aan de rechterzijde.

“Network Propaganda” biedt ook ons enkele belangrijke handvatten om tot een kritische en minder simplistische analyse van het mediapolitieke landschap in onze contreien te kijken: de observatie dat polarisering bijvoorbeeld een strikt eenzijdig proces kàn zijn, is belangrijk. Een andere belangrijke les, die “Network Propaganda” ons zou kunnen leren, is dat we de oorzaak van polarisering en radicalisering niet eenvoudig kunnen toeschrijven aan de introductie van nieuwe communicatietechnologieën. Radicalisering is een gevolg van politieke initiatieven en door politiek aangedreven institutionele wijzigingen. Het ontstaan van bubbels en radicaliseringsprocessen op sociale media blijken daarmee eerder een symptomatisch gevolg van politiek maatschappelijke ontwikkelingen, dan de oorzaak daarvan.

Lastig hè…

Bron: “Als het over polarisering gaat, zijn sociale media niet de hoofdschuldige” door Thomas Decreus via DeWereldMorgen op 10 april 2019.