De ‘Cyclus van Van Bavel’

‘Bas van Bavel’, onthoud die naam! Hij heeft, hoe kan het ook anders, de ‘Cyclus van Van Bavel’ het licht doen zien: de veel verklarende terugkoppelingscyclus in marktsamenlevingen (meervoud!).

Hij redeneert na uitgebreid historisch sociaal en economisch onderzoek aldus: elke marktsamenleving beschikt natuurlijk over een markteconomie. Die begint doorgaans met een fase van economische groei, toenemende vrijheid in de samenleving en groeiende factormarkten. Naar mate de factormarkten groeien, slaat op een zeker moment de economische groei om en begint de fase van economische stagnatie, toenemende polarisatie in de samenleving en verstoring van het marktevenwicht ten gunste van marktelites, die de politiek en zelfs de rechtspraak gaan gijzelen. Uiteindelijk wordt die ontwikkeling gevolgd door de laatste fase, die van absolute of relatieve economische achteruitgang, waarna deze cyclus zich – meestal elders op de wereld – herhaalt. Waar de marktsamenleving eens opbloeide, stagneerde en teloor ging, breekt dan een feodaal tijdperk aan, waarin een kleine groep superrijken steeds meer machtsmiddelen moet inzetten om haar positie te behouden en te beschermen tegen het volk.

Op factormarkten worden de ‘productiefactoren’ verhandeld

Zo gaat het in marktsamenlevingen volgens het onderzoek van Van Bavel al eeuwen; in het Irak van de 8ste tot de 13de eeuw, in het Engeland tussen de 16de en het eind van de 18de eeuw, in de Lage Landen van de late middeleeuwen tot en met de gouden eeuw, in de Noord-Italiaanse stadstaten rondom de renaissance, in de Verenigde Staten van Amerika 50 jaar tussen het begin en halverwege 19de eeuw en ten slotte in het hele Westen vanaf halfverwege de 20ste eeuw.

Het vernieuwende van de onderzoeksresultaten van Van Bavel zit hem in de gedetailleerde analyse van deze cyclus van marktsamenlevingen en hun markteconomieën, en in de bewijsvoering dat deze cyclus zich al meerdere malen in de geschiedenis op dezelfde manier herhaald heeft.  

Onze huidige Westerse marksamenleving zit zo bezien in de fase van ‘economische stagnatie, toenemende polarisatie en verstoring van het marktevenwicht’.

O, die factormarkten? Eerst zijn er productiemarkten, die iedereen kent: ‘de markt van productie en verkoop op basis van vraag en aanbod’. Op factormarkten worden de ‘productiefactoren’ verhandeld; de diensten en middelen om goederen te kùnnen produceren en te kùnnen verkopen: de markten waarin met name arbeid, grond en kapitaal verhandeld worden.

Kom op, jullie kunnen het!

De regelgeving op productiemarkten mag genoegzaam bekend verondersteld worden (BTW, Kamer van Koophandel, Keuringsdienst van Waren, kleineondernemersregeling, …). Die van de factormarkten zal velen onbekend zijn, want daar is vaak weinig transparant ‘maatwerk’ van toepassing en bevoordeling van de machtigste bedrijven en meest gefortuneerde mensen onder hen, terwijl Van Bavel aantoont – en ons daarmee waarschuwt! – dat juist de regelgeving bij de handel op factormarkten telkens weer een veel grotere impact op de samenhang van een samenleving heeft dan de regels bij productmarkten. Ook dat heeft hij in zijn onderzoek opgedist.

Voor mij verklaren deze onderzoeksresultaten veel van mijn zorgen over de politiek in Nederland en de Europese Unie.

Volgens de website van Universiteit Utrecht is hij hoogleraar ‘Onderzoekinstituut voor Geschiedenis en Kunstgeschiedenis – Economische en Sociale Geschiedenis’. In zijn onderzoek richt hij zich vooral op pre-industrieel Noordwest-Europa. Hij heeft dus dat boek geschreven over bovenstaande bevindingen. Het lijkt mij iets dat we allemaal ter harte zouden kunnen nemen om te begrijpen wat in onze wereld de onderliggende oorzaken zijn van de loop der dingen.

Voor degenen, die aan de touwtjes (kunnen) trekken, lijkt me dit overigens verplichte literatuur. Juist zij zouden moeten nagaan hoe de fase van achteruitgang in de toekomst te voorkomen. Juist zij kunnen het verstoorde marktevenwicht ten gunste van marktelites herstellen. Juist zij kunnen het gegijzel van de politiek stoppen. Juist zij kunnen ervoor zorgen terug in de fase van economische groei voor de hele bevolking terecht te komen, in plaats van de speurtgroei voor een kleine elite voort te zetten op weg naar een feodaal tijdperk. Juist zij kunnen de Cyclus van Van Bavel doorbreken. Kom op, jullie kunnen het!

Bronnen: “De onzichtbare hand. Hoe markteconomieën opkomen en neergaan” een boekrecensie door Paul Verhaeghe via DeWereldMorgen en via Liberales op respectievelijk 8 februari en 15 januari 2021, ‘Bas van Bavel’ via Wikipedia op 11 febuari 2021 en ‘medewerker Bas van Bavel’ via uu op 12 februari 2021.

Gegevens van het boek: “De onzichtbare hand. Hoe markteconomieën opkomen en neergaan” (2018) Prof. dr. Bas van Bavel, Prometheus, Amsterdam, 485 pp, ISBN 978 90 446 3436 5. Koop het bij de lokale boekhandel, zou ik zeggen.

Begrip voor een misvatting

Hoewel ik enkele mensen ken, die zicht denken te hebben op het schimmige stelletje hotemetoten, dat met een onzichtbare hand hun wereldmacht vorm geeft ten koste van ons, heb ik niets met dit soort denken. Integendeel, ik zou het wereldbeeld van degenen, die – buiten elke logica en verifiëring van feiten om – denken aan te kunnen tonen dat een strijd tussen goed en kwaad gaande is, best ambiëren. Dat wereldbeeld is een stuk overzichtelijker dan dat van mij.

Ik vind dat je je bij èlke machthebber moet afvragen: “In wiens belang handelt hij of zij?”. Nee, omdat ik geen enkele machthebber vertrouw, ben ik meer voor een maatschappij waarin de macht te maken heeft met een echte tegenmacht, zoals Johan Thorbecke het bedoeld heeft; niet zoals bij ons waar bij een kabinetsformatie gestreefd wordt zowel in de Eerste als in de Tweede Kamer een meerderheid te hebben, zodat elk voorgenomen besluit bij bespreking al een gelopen race is ongeacht politieke amendementen, debatten en vragenuurtjes.

Welzeker zou ik het bijzonder op prijs stellen wanneer het mensdom onder te verdelen was in goede en kwade mensen, in idealisten en dommeriken, in weldoeners (zo je wilt ‘Gutmenschen’) en profiteurs, in zorgenden en slachtoffers, maar helaas gaat zo’n onderverdeling volgens mij altijd mank. Oké, voor Fred van der Spek, Jezus Christus, Mahatma Gandi, Noam Chomski, Rabindranath Tagore en nog zo wat maak ik vooralsnog een uitzondering. Echter, geen goed mens dat zich nooit eens vergaloppeerd heeft, geen idealist die voor de goede zaak niet zijn kinderen, man, vriend(in) of vrouw tekort gedaan heeft, geen weldoener zonder een zwart randje, geen kwaaie pier zonder een klein hartje en geen dommerik zonder ook wijze inzichten, geen profiteur, die zijn voordeel alleen voor zichzelf houdt, en geen zorgende zonder slachtofferervaring.

Toch begrijp ik maar al te goed, of denk ik al te goed te begrijpen, dat steeds meer mensen argwaan zijn gaan koesteren tegen een duister gezelschap dat zich niet aan ons laat zien en – zoals indertijd het verborgen depot met massavernietigingswapens in Irak – juist daarom zo gevaarlijk is.

40 jaar barbaars, oorlogszuchtig neoliberalisme

Ik zie de oorzaak van deze angstgedachten in een decennia lang heersende politiek, die zegt geen politiek te zijn. Die zich niet voorstelt als een ideaal met uitgangspunten en uitwerkingen daarvan, maar die zich presenteert als een visieloos redelijk alternatief voor alle andere en eerdere politiek. De gevolgen van deze politiek zijn voor iedereen tastbaar in uitgeklede secondaire arbeidsvoorwaarden, verminderd besteedbaar inkomen, opgevoerde druk op uitkeringsgerechtigden, gestagneerde lonen, verruimd ontslagrecht, afgenomen uitkeringen, grenzeloze rijkdom voor wie geld met bonussen, bedrijfsfusies en investeringen verdient, verminderde welvaart en verminderd welzijn voor mensen met minder geld. Ik heb het over de onzichtbare hand van de vrije markteconomie zonder politieke bemoeienis; het zelfregulerende effect van een markt waar iedereen met elkaar concurreert en slechts eigenbelang nastreeft en zodoende collectief welvaart creëert, zoals de Schotse econoom en filosoof Adam Smith dat bedacht had. Zijn invloed op ons denken is groot. Zo groot dat in 45 jaar tijd de ‘vrijwaring van gebrek en vrees’, dat binnen de politiek hier en daar uitgangspunt was, plaatsgemaakt heeft een wijd verbreid onbenoemd (!) ideaal na te streven, te weten de ‘vrijheid voor ieder individu om zoveel mogelijk rijkdom te vergaren’ zoals de Oostenrijks econoom en politiek filosoof Friedrich von Hayek zich dat in een ideale samenleving voorstelde.

Wat ik mis in de standpunten van het CDA, de CU, D66, GL, het FvD, de PVV, de PvdA, de SGP en de VVD is een stevig politiek offensief gebaseerd op een uitgesproken ongeloof in die onzichtbare hand, die door vrije marktwerking zonder overheidsbemoeienis aan iedereen ten goede zou komen, inclusief de roep om een krachtige overheid met de kennis en macht om toe te zien op maatschappelijke processen, en die investeert in nutsvoorzieningen en ze zonder commercieel belang aanstuurt, èn ook nog eens een menswaardig bestaan voor ieder mens nastreeft (en daarom onder veel meer grootaandeelhouders, grootbanken en grootbedrijven weer de baas wordt).

Kortom, ik heb best een beetje begrip voor mensen die denken aan samenzweringen en ‘samenzwevingen’, zoals dat nu genoemd wordt. Het verschil tussen hen en mij is, dat ik het beter vind je energie en tijd te steken in een snijdende politieke analyse van 40 jaar barbaars, oorlogszuchtig neoliberalisme met zijn onzichtbare hand die letterlijk over lijken gaat en het in de economie aanwezige geld uit de zakken van de armsten troggelt ter verrijking van de rijksten.

Wachten op de VS of zelf doen wat gedaan zou moeten worden?

Binnen en vooral buiten de Verenigde Staten van Amerika zijn veel mensen hoopvol gesteld nu de republikeinse en 45ste president Donald Trump gisteren plaats gemaakt heeft voor de 46ste: de democraat Joe Biden. Nu ben ik niet van plan die hoop te slopen, maar ik zou wel graag de puntjes op de i’s zetten. Wáár zouden we volgens mij op moeten hopen? Alweer biedt Noam Chomsky, dit keer in samenwerking met Vijay Prashad, mij daarbij woorden:

  1. In januari 2020 is de ‘Doomsday Clock’ op 100 seconden voor 12 uur gezet. Dat is akelig dichtbij het moment van totale vernietiging: de grote mogendheden bezitten samen bijna 13.500 nucleaire wapens (meer dan 90% daarvan is in handen van Rusland en de VS). Daaronder heeft de VS op onderzeeërs ook W76-2, een ‘klein type kernbommen’, altijd klaar voor gebruik. Bestaande verdragen, die toezien op nucleaire wapencontroles, worden heden ten dage versnipperd. En het buitenlandbeleid van Westerse democratieën wordt ook nog eens geolied door grootschalige handel in wapens. De verwoesting, die al deze wapens kunnen aanrichten, zou onze planeet zonder meer onbewoonbaar voor ons maken en de Science and Security Board van het Bulletin of the Atomic Scientists heeft de klok daarom zo scherp op nagenoeg 12 uur gezet.
  2. In 2018 bleek dat halfweg deze eeuw de meeste atollen door de stijgende zeespiegel onbewoonbaar worden en dat alle koraalriffen in de wereld verdwenen zullen zijn. Daarbij worden ook nog eens door ons toedoen een miljoen dier- en plantensoorten met uitsterven bedreigd, waardoor ecosystemen uit evenwicht raken. Neem daar de catastrofale droogte, natuurbranden, overstromingen en stormen bij en het wordt duidelijk dat we niet langer clichés kunnen hanteren als de kanarie in de kolenmijn wanneer we over de klimaatproblematiek spreken. Ook daar dreigt voor ons een acuut gevaar.
  3. De publieke functies van de staat in Westerse democratieën zijn helemaal uitgehold en overgedragen aan woekeraars. Ondertussen hebben overheden zichzelf tandeloos gemaakt en hebben privé- en wetenschappelijke instellingen de civiele samenleving vercommercialiseerd. Hierdoor is het haast onmogelijk om in deze delen van de wereld nog sociale verandering teweeg te brengen. Het resultaat is een arbeidersklasse, die politiek geen been heeft om op te staan, en een schrijnende sociale ongelijkheid. Dankzij die zwakte bepalen miljardairs haast ongezien het beleid in de Westerse democratieën; er is voor wie geen macht heeft en wie niet rijk is een uitzichtloze situatie ontstaan. Stijgende hongercijfers en het nut van voedselbanken tonen aan dat ‘strijd om te overleven’ voor miljarden mensen het enige toekomstperspectief is. Dat is uitermate verontrustend en wat mij nòg meer schrik aanjaagt, is dat er in mainstreammedia geen enkele aandacht voor is, terwijl we dit allemaal zouden kùnnen weten.
  4. Met uitzondering van China en nog wat landen heeft het overgrote deel van de wereld te maken met een op hol geslagen virus, dat de gezondheid van mensen ernstig kan bedreigen. Regeringen in welvarende landen hebben het afgelopen jaar op dit vlak hun incompetentie aangetoond. Zij schoven op cynische wijze de wetenschappelijke protocollen van de VN-Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) en andere wetenschappelijke organisaties terzijde en toonden daarmee aan dat ze egocentrisch en egoïstisch financiële korte termijnbelangen dienden en maling hebben aan de zwaksten in hun samenlevingen. Ook voeren zij nog eens een beleid van “vaccin-nationalisme”, waarbij ze potentiële vaccins hamsteren in plaats van een vaccin voor iedereen te doen ontwikkelen. Hun handelen is bij het criminele af en getuigt van vijandschap jegens andere volkeren.

Wat de mensheid nu nodig heeft, en wat hoop op een beter leven geeft, zijn:

Ontwapening (ad. 1),

Dat grote mogendheden zich eindelijk eens gaan scharen achter de aanpak van ‘gemeenschappelijke maar verschillende verantwoordelijkheden’ die op de VN-Conferentie voor Leefmilieu en Ontwikkeling van 1992 in Rio de Janeiro werd vastgelegd (ad. 2),

Dat landen niet langer worden beoordeeld op hun grondwet, die al te vaak een papieren werkelijkheid vertegenwoordigt, maar op hun (jaarlijkse) begroting (ad. 3),

Alsnog ondertekening van de Declaration on the Establishment of a New International Economic Order (1974) en

Mogelijk maken en nauwgezet erop toezien dat testen op covid-19, contactonderzoek en isolatie uitgevoerd worden, en als dat niet volstaat een tijdelijke lockdown opleggen. Waar de volksgezondheid in het geding is wetgeving over intellectuele eigendommen opheffen en universele vaccins tegen covid-19 doen ontwikkelen waar, zoals afgesproken in de WHO maar niet nagekomen, iedereen toegang toe heeft (ad. 4).

Mondiale problemen vereisen mondiale samenwerking (ad. 1, 2, 3, & 4).

Los van het uitsterven door klimaatrampen en nucleaire verwoesting mogen actuele fundamentele vraagstukken over de toekomst van onze kinderen en kleinkinderen niet langer voor ons uit geschoven worden. Een robuust internationalisme is nodig om onmiddellijke en voldoende aandacht te schenken aan de gevaren voor onze totale uitroeiing: door een kernoorlog, door de klimaatcatastrofe, door sociale instorting en door ziekte. Doorgaan op de ingeslagen wegen is roekeloos.

Het machtsevenwicht om een klassenstrijd te voeren op het internationale toneel is sinds het vallen van de muur in Berlijn op 9 november 1989 verdwenen. Om overheden tot noodzakelijke verandering te dwingen is linksom of rechtsom een politieke dynamiek nodig, in het bijzonder in de Westerse landen en in de grotere staten in de ontwikkelende wereld zoals Brazilië, India, Indonesië en Zuid-Afrika. Deze uitdagingen mogen dan overweldigend zijn, ze kunnen ook niet uitgesteld worden. Het zou van domheid en wegkijken getuigen als we dit aan de kersverse president van de VS overlaten. In Nederland kunnen we in maart kiezen wie met welke opvattingen ons vertegenwoordigen in de Tweede Kamer. Ik ben benieuwd.

Bron: “Chomsky en Prashad: naast Covid-19 zijn er drie bedreigingen voor het leven op aarde die we moeten aanpakken in 2021” door Noam Chomsky, Vijay Prashad via Jules De Moor van de vertaaldesk van DeWereldMorgen op 18 januari 2021.

Financiële wereld is gevaar voor democratieën

Mensen kunnen veel ontberingen aan wanneer ze geloven dat het leven van hun kinderen beter zal zijn dan dat van hen”, schreef Susan Strange, een inmiddels overleden Brits hoogleraar internationale politieke economie aan de Londen School of Economics, maar “ongelijkheid wordt ondraaglijk wanneer men meent dat het erger wordt”. Als we het ‘casino niet afkoelen’, schreef ze in “Casino Capitalism” (1986), en doormodderen op het ingeslagen pad zullen de politieke consequenties nog groter zijn dan de economische. “Men zal zich of helemaal afkeren van politiek in elke vorm (…) of men zal een politieke demagoog, een kwakzalver volgen. (…) In de eerste optie wordt de overheid onstabiel en zwak, in de tweede gewelddadig, corrupt en onderdrukkend.

Dit las ik zojuist in de laatste Groene Amsterdammer, die op de dag van de aanval op het Capitool gedrukt werd. Ik herhaal: Als we het ‘casino niet afkoelen’, doormodderen > politieke consequenties groter dan de economische: men zal zich afkeren van politiek > onstabiele, zwakke overheid, of men zal een politieke demagoog, een kwakzalver volgen > corrupte, gewelddadige en onderdrukkende overheid, en dat maakte zij in 1986 op uit haar onderzoek als eerste hoogleraar internationale politieke economie aan de London School of Economics.

Strange werd niet door economen tevreden gesteld. Ze geloofde hun modellen en theorieën niet. Heel haar wetenschappelijke carière maakte zij zich zorgen over het feit dat de markt over het hoofd van de landen heen groeide en dat nationale overheden niet in staat bleken internationale instituties op te bouwen, die sterk genoeg waren om de financiële sector te beteugelen. Dit onvermogen doopte ze tot het ‘Westfailure’; verwijzend naar het verdrag van Westfalen waar de soevereiniteit van landen voor het eerst op papier werd gezet.

Een machtige financiële sector parasiteert op de samenleving: drukt de lonen aan de top omhoog en minimaliseert de inkomens aan de onderkant, waardoor het de sociale ongelijkheid vergroot. Dat resulteert in een vliegwiel dat steeds grotere ongelijkheid, onvrede en perspectiefloosheid voor massa’s mensen genereert.

Er is volgens Andrew Baker, huidig hoogleraar internationale politieke economie aan de Universiteit van Sheffield, die het werk van Strange gebruikt ter introductie van studenten in zijn vakgebied, een directe link waardoor nadien de Brexit, Boris Johnson en Donald Trump opkwamen precies in die landen, die de grootste financiële sector van de wereld hebben. Johnson kreeg de sympathie van de werklozen rondom de Red Wall en Trump die van de werklozen in de Rust Belt. Baker vreest al een tijd voor de democratieën in Engeland en de VS, want als je concludeert dat ‘het probleem is opgelost omdat de crisis is overleefd’, dan zie je de politieke implicaties over het hoofd; daarvoor waarschuwde Susan Strange ons al meer dan 30 jaar geleden.

Is dat nu niet actueel, dat de Groene dit schreef toen ze nog niet wist van de aanval op het Capitool? Dàt is nu waarom het mijn lijfblad is, sinds alle Nederlandse kranten bij mij wegens hun oppervlakkigheid hadden afgedaan.

En wat de inhoud betreft: hoe staat het in Nederland met bestrijding van de toenemende ongelijkheid? Welke politieke partij ageert met plannen om de almaar toenemende economische ongelijkheid te keren? Om de macht van grootbanken en multinationals te beteugelen? Al is het maar straks in de verkiezingsprogramma’s, die achteraf steeds vol loos blijkende beloften staan. Ik ben benieuwd.

Bron: “Meer dan vraag en aanbod; een profiel van Susan Strange” door Diederik Baazil in DeGroene Amsterdammer op 6 januari 2021.

Hardleers

Hygiëne in den Winkel

Nu er zooveel gepraat wordt over de zindelijkheid en hygiëne, moet ik eens de aandacht vestigen op een gebruik, dat mij al sinds lang geërgerd heeft als iets zeer onzindelijks en on-hygiënisch. Het is n.l. in de banketsbakkerswinkel; koopt men daar pralines, borstplaat, enz. enz., dan wordt stuk voor stuk door de juffrouw met de vingers aangepakt en op de weegschaal gelegd. Waarom geen lepel gebruikt? Dat ligt toch voor de hand? Ik vind dat onsmakelijk en heb mij voorgenomen de winkels te vermijden, waar men op die onfrissche wijze de klanten bedient.

‘Een huisvrouw’ in het Nieuws van den Dag op 8 november 1906.

Dit las ik vanmorgen op mijn Historie-kalender van Quest>Delpher. Grappig toch dat het besef een ander zelfs via de huid te kunnen verzieken al zolang onder ons is. Wanneer ik de media een beetje volg, zijn hier nu, 114 jaar later, best veel mensen, die het nog steeds voor lief nemen elkaar misschien te besmetten in plaats van het zekere voor het onzekere te nemen door voor de hand liggende hygiënische voorzorgmaatregels te nemen nu een gevaarlijk virus onze gezondheid bedreigt.

#FysiekeAfstandHouden #HandenWassen #Hygiëne #LichaamsVerzorging #Mondneuskapje #Ontsmetten #WerkenVanuitHuis

Bron: 24 oktober 2020 in de Historie-kalender 2020, uitgegeven door Quest>Delpher.

Over kernenergie en een nieuw vrijhandelsverdrag

Het lijkt een aantrekkelijke second best-oplossing om kernenergie van stal te halen, nu onze overheden al decennia te kort schieten bij het vormgeven aan de snel benodigde energietransitie. Echter, kernenergie ìs geen oplossing, want investeren in zowel kernenergie als in duurzame hernieuwbare energiebronnen leidt tot een moeilijk huwelijk, omdat de twee strategieën nu eenmaal niet samengaan.

Kernenergie vraagt een gecentraliseerd stroomnet om de opgewekte elektriciteit vanuit één locatie te verdelen, en zo’n net is veel minder geschikt voor de gefragmenteerde energieproductie door aardwarmte, getijden-energie, windkracht en zonnecellen overal in het land. De twee strategieën hebben ook heel andere financieringsmechanismen nodig en een sterk verschillend wetgevend kader.

Deze wijsheden komen voort uit een onlangs gepubliceerd onderzoek van de Universiteit van Sussex, waarin de energieproductie en uitstoot van 123 landen in de voorbije 25 jaar zijn geanalyseerd. Uit dit onderzoek blijkt dat landen met grootschalige kernenergie géén significante vermindering van de uitstoot halen, en dat nucleaire programma’s in armere landen zelfs de uitstoot deden toenemen. “De resultaten tonen duidelijk aan dat kernenergie om de uitstoot te beperken de minst efficiënte is van de twee strategieën”, zegt Benjamin Sovacool, hoogleraar Energiebeleid aan die Universiteit. In sommige grote landen blijkt het verband tussen CO2-beperking en hernieuwbare stroomproductie tot 7x effectiever dan die van kernenergie.

En als we het dan toch over te kort schietende overheden hebben: in een overkoepelend verdrag voor de vrijhandelsovereenkomst tussen de Europese Unie en Mercosur, een douane-unie tussen Argentinië, (Bolivia,) Brazilië, Paraguay, Uruguay en Venezuela, staan de voorwaarden waaronder een partij sancties kan opleggen aan een andere, of de overeenkomst kan opschorten. In tegenstelling tot vereisten rond mensenrechten of de verspreiding van massavernietigingswapens worden klimaat- en milieubescherming in de concepttekst niet als een “essentieel element” beschouwd.

Gezien de huidige vernietiging van het Amazone-regenwoud in Brazilië, de Pantanal-draslanden in Bolivia, Brazilië en Paraguay en andere waardevolle ecosystemen in Latijns-Amerika lijkt de vrees gerechtvaardigd dat het nieuwe zogenaamde ‘vrijhandelsakkoord’ de productie van soja en vlees in de regio verder zal aanzwengelen en daarmee ook de schade aan het klimaat en het milieu. “De deal kan de vernietiging van de Amazone versnellen, klimaatchaos ontketenen en talloze soorten vernietigen”, zegt Jürgen Knirsch, handelsexpert bij Greenpeace Duitsland, dat de gelekte concepttekst in handen kreeg, “Het weglaten van sanctioneerbare toezeggingen om de klimaatcrisis aan te pakken en natuurvernietiging te stoppen, toont aan hoe weinig aandacht [de mensen achter; GjH] dit akkoord hebben voor de existentiële uitdagingen waarmee we [momenteel als mensheid; GjH] worden geconfronteerd”.

Zou dit te kort schieten een gevolg zijn van de hechte banden die onze bestuurders in Nederland en Europa hebben met het grootbedrijfsleven, of gaat het om vergissinkjes en hebben ze werkelijk het beste met de aarde en iedereen voor?

Bronnen: “Onderzoek in 123 landen: kerncentrales en hernieuwbare energie gaan niet samen” en “Gelekt vrijhandelsakkoord met Brazilië: geen milieu- of klimaatgaranties”, beide door Inter Press Service en via DeWereldMorgen op 9 oktober 2020.

Op zonvakantie naar… Siberië

In sommige delen van Siberië klom het kwik vorige week boven de 30 graden Celsius. “Dat is warmer dan in veel delen van Florida in de Verenigde Staten”, zegt woordvoerster Claire Nullis van de Wereld Meteorologische Organisatie (WMO). In de Russische stad Verkhoyansk werd op 20 juni een temperatuur van 38°C geregistreerd en in andere delen van Siberië werd het in de week van 19 juli opnieuw meer dan 30°C. De temperaturen in Siberië gedurende de eerste helft van 2020 lagen meer dan 5°C boven het gemiddelde en in juni tot 10°C boven het gemiddelde. Het noordpoolgebied warmt meer dan 2x zo snel op als het wereldgemiddelde. Dat heeft gevolgen voor de lokale bevolking, voor ecosystemen en voor de rest van de wereld. Die extreme hitte “zou volgens de analyse van een team van klimatologen bijna onmogelijk zijn geweest zonder de invloed van door de mens veroorzaakte klimaatverandering”, aldus Nullis, maar dat is nu natuurlijk mosterd na de maaltijd.

Een van de gevolgen is bijvoorbeeld dat er nu zware bosbranden woeden. Satellieten “laten dramatische beelden zien”, zegt Nullis. “De meest actieve brand woedt momenteel slechts 8 kilometer van de Noordelijke IJszee.” Op 22 juli waren er in Siberië zo’n 188 brandhaarden. De rook van bosbranden geeft een breed scala aan verontreinigende stoffen af, zoals koolmonoxide, en vermindert de capaciteit van de bossen om verontreinigende stoffen zoals vaste aerosolen, vluchtige organische stoffen en stikstofoxiden op te nemen. In juni kwam door de branden naar schatting 56.000.000 ton CO2 vrij in de atmosfeer. Dat is nog meer dan de 53.000.000 ton van de Siberische bosbranden in juni van het vorig jaar.

Deskundigen vrezen dat het smelten van het ijs vooral in de maanden augustus en september tot een groot verlies aan zoet water zal leiden. Bovendien komt door het smelten van het ijs en het ontdooien van de permafrost (immer bevroren grond) methaan vrij; een broeikasgas. Dat heeft ook weer een negatieve impact op ecosystemen en op de infrastructuur in de hele regio. De WMO heeft ook meldingen ontvangen van een snelle daling van het zee-ijs langs de Russische kust.

Wat er in het [haast, op wat ijsberen na, uitgestorven; GjH] noordpoolgebied gebeurt, blijft niet in het noordpoolgebied. De polen beïnvloeden het klimaat en de klimatologische omstandigheden op de lagere breedtegraden, waar honderden miljoenen mensen wonen”, benadrukt Nullis.

Bron: “Hittegolf doet Siberië opnieuw branden” door InterPressService via DeWereldMorgen op 27 juli 2020.

Een immense botsing

Op 26 april jl. Belgische en Nederlandse tijd vond waarschijnlijk een botsing van ongekende grootte plaats. Op aarde werd die dag meetbaar dat een zwart gat op ongeveer 1.200.000.000 lichtjaar afstand van Maartensdijk een neuronenster opvrat. We, nou ja, de wetenschappers die de automatische analyses onder ogen kregen, keken dus ruim een miljard jaar terug in de tijd. Ook knap.

Een neutronenster is wat over kan blijven van een ster, die voor de implosie een massa heeft gehad tussen de 10 en 30 keer de massa van de zon. Neutronensterren hebben een straal van ruwweg 10 kilometer en een totale massa van ongeveer 2 zonmassa’s. Deze sterren zijn het kleinst van alle sterren en hebben de hoogst denkbare dichtheid. Tenzij men een zwart gat ook als een ster beschouwt.

Er worden naar massa (en omvang) vier soorten zwarte gaten onderscheiden:

  1. De theoretisch bestaanbare minuscule zwarte gaten met een straal van maximaal 0,1 millimeter en een massa tot die van pakweg onze maan.
  2. Stellaire zwarte gaten met een massa van omstreeks 5 tot 100 zonmassa’s, die ontstaan zijn uit een supernova, een exploderende zware ster die gedurende enkele dagen* opvlamt met de lichtkracht van honderden miljoenen tot meer dan een miljard zonnen.
  3. Middelgrote zwarte gaten met een massa van 500 tot 1.000 zonmassa’s waarover weinig bekend is.
  4. Superzware zwarte gaten met een massa van 50.000 tot vele miljoenen malen de massa van de zon. Deze worden aangetroffen in de centra van sterrenstelsels.

De waargenomen botsing zou dus plaatsgevonden hebben tussen zo’n neuronenster en een van die zwarte gaten. Zo’n waarneming is bijzonder, hoewel het natuurlijk vaker voorkomt. Over het felste lichtgevende centrum van een sterrenstelsel, dat ons bekend is, weten we dat het elke dag wel een ster zo groot als onze zon opeet. Dat zwarte gat, J2157, is daarmee het snelst groeiende ons bekende zwarte gat in het universum. Dat ‘hongerige’ gat heeft inmiddels 34.000.000.000 maal de massa van onze zon en is 8.000 keer groter dan Sagittarius A*; het zwarte gat in het centrum van de Melkweg. Dat is het sterrenstelsel waar wij op onze schier onbeduidende aarde te gast zijn.

Hoewel, schier onbeduidend? Voor zover bekend zijn wij de enigen die weet hebben van heel dat universum met haar onopgeloste mysteries.

* Omdat een zware ster, 2.500.000.000 helderder dan de zon, in 2019 plotseling van de radar verdwenen is zonder eerst een supernova te worden, is niet helemaal zeker dat een supernova altijd een tussenstadium is tussen een grote ster van 5 tot 100 zonmassa’s en een stellair zwart gat, of dat het ‘enkele dagen’ opvlammen ook wel (een) tiental(len) jaren kan duren. Want van die verdwenen grote jongen (of dat verwenen grote meisje) op zo’n 75.000.000 lichtjaren afstand vanaf De Bilt was al zeker 10 jaar bekend dat hij/zij zich in zijn eindstadium bevond. Wellicht heeft die ster zonder supernova te worden het stadium van zwart gat bereikt.

Ja, er gebeurt best veel grotesks waar we geen weet van hebben, al kan het in dit laatste geval ook zijn dat deze ongelooflijk heldere ster op de een of andere manier beduidend minder helder is geworden en vervolgens ook nog eens door ruimtestof verduisterd is geraakt. Wie weet?

Bronnen: “Zwaartekrachtsgolf lijkt afkomstig van botsing zwart gat en neutronenster” door Leah Crane via NewScientist op 3 mei 2020, Neuronenster, Supernova en Zwart gat via Wikipedia op 25 juni 2020 en “Enorm zwart gat blijkt ‘hongerig’, eet elke dag ster zo groot als zon” & “Mysterie in de kosmos: astronomen zien ster voor hun neus verdwijnen” door en via Nu.nl op respectievelijk 1 juli en 30 juni 2020.

De fikse uitdaging voor ieder mens

Gaat het in onze levens om het zijn of gaat het om het goede?

In het begin van onze levens, in de kindertijd, gaat het om het zijn. Een baby is. Niet meer en niet minder. Het past zich aan aan alle omstandigheden. Het zet het op een brullen bij ongemak, doet wat het doet met toewijding en kirt soms van tevredenheid.

Op een zeker moment, wanneer de hersenen tot wasdom komen, wordt een kind steeds meer een sociaal wezen in zijn leefomgeving. Hij gaat vanuit de eenheid, die hij met zijn moeder vormt, gaandeweg verbintenissen met anderen aan en andere juist uit de weg. Verbintenissen, die te zijner tijd de binding met zijn moeder ook losser kunnen maken, zoals een band met zijn vader, maar een kind gaat ook met andere hem welgevallige mensen verbintenissen aan. Geleidelijk ontwikkelt hij voorkeuren; sympathie en antipathie. Hij blijft het centrum van zijn wereld, maar ontwikkelt van lieverlee voor zijn begeertes en zelfbehoud broodnodige oordelen.

De oordelen van anderen, zullen op een bijzonder moment gaan botsen met zijn eigen ontwikkelde wereldbeeld. Sterker, op een zeker moment zal het zich ervan bewust worden dat zijn oordelen stuk voor stuk discutabel zijn; dat alle resultaten van de ontwikkelde oordeelsvorming ter discussie staan. Dat sommige van zijn waarheden zelfs beschamend zijn. Vanaf dat moment gaat het in ons leven langzaam maar zeker niet meer om zijn maar om het goede. Om het goede doen, om precies te zijn. Zelfs zelfbehoud kan sindsdien ten behoeve van een ander, impliciet hoger geacht doel opgeofferd worden.

Wanneer we op deze wijze uit ons Paradijs gevallen zijn en ons leven niet meer om zijn draait, komen we er tegelijk achter dat we niet in Utopia beland zijn. Er zijn veel anderen en evenzoveel losse schroeven waarop ons wereldbeeld gebaseerd is. Er is ook veel leed.

Anders dan toen ons leven om zijn-in-het-hier-en-nu draaide, neemt nu de hoop op beter, op minder lijden, op mooier en op zintuiglijk genieten een plaats in in ons leven. Om hoop bewaarheid te laten worden, moeten we het goede gaan doen. Het goede voor wie? Het goede voor iedereen, omdat we sociale wezens zijn. Dat komt er in de praktijk op neer dat het goede is om naar beste kunnen het leed van anderen te verzachten, waardoor we een ietsepietsie dichterbij Utopia komen. Dat we een iets eraan bijdragen een wereld te creëren, waarin voor iedereen plaats is, waarin iedereen wel zou willen wonen.

Per definitie wil ik wonen in een wereld waarin iedereen wil wonen. Vandaar dat het in het leven, zodra we besef hebben van het ter discussie staan van al onze bevindingen, om het goede gaat. We maken deel uit van en hebben invloed op onze omgeving. We kunnen de ander ondersteunen waar mogelijk, we kunnen hem negeren en we kunnen hem disciplineren of breken. Vanwege deze ongevraagde verantwoordelijkheid voor de ander, we zijn inmiddels immers van kinderen uitgegroeid tot handelingsbekwame, sociale volwassenen, draait het leven er nu alleen nog om het goede te doen.

Feitelijk is het met ons nog heftiger gesteld: …om het goede gedaan te hebben. Ondanks goede bedoelingen kunnen we nog altijd bewerkstelligen de wereld, onze omgeving, verder van Utopia te doen verwijderen. Daarmee zouden we onze hoop op beter ridiculiseren. Daarom telt wat we gedaan hebben op basis van het resultaat, waardoor we in de praktijk vechten tegen de bierkaai en ook nog eens altijd te laat zijn. Dàt is – volgens mij – de betekenis van elk mensenleven; het goede gedaan hebben voor de ander, of niet het goede gedaan hebben.

Ik schreef dit zojuist na het doornemen van het boek “De ander in ons; Emmanuel Levinas in gesprek: een inleiding op zijn denken”, en met name daarin het interview met Rudy Visker, als hoogleraar verbonden aan het Hoger Instituut voor Wijsbegeerte in Leuven, (2008) door France Guwy, uitgegeven door Uitgeverij SUN in Amsterdam.

De ander, dat ben ik

De denkbeelden van de moderne Westerse filosoof Emmanuel Levinas (1906 – 1995) spreken mij aan en raken mij onder mijn huid. Op 20 april jl. heb ik hier de kern, het uitgangspunt van het denken van deze man proberen samen te vatten. Dat deed ik onder de titel “In essentie leert het leven ons genadeloos hoe nederig we stuk voor stuk zijn”. Nu ga ik de uiterste consequentie van zijn denken proberen te beschrijven.

Een uiterst gevolg van zijn filosofie is, dat niet wat ik denk beslissend is, maar wat ik doe.
Dat is nogal wat. Levinas biedt geen uitweg aan intellectuele dagdromerij of aan kamergeleerdheid. Hij overrompelt mij. Het lijkt erop dat mijn motieven er in eens niet meer toe doen omdat wat ik gedaan heb en naliet beslissend is. Dat vraagt om wat meer context.

Vrede is elk moment mogelijk

De filosoof Levinas beseft al te goed dat alles wat een filosoof vindt, ‘taal’ is. Daar begint het al mee. Wat hem betreft moeten we het daar eerst maar eens over hebben, want aan taal kleeft de eigenschap dat zij veelvuldig misbruikt wordt. Overal. Ook binnen de filosofie. Grond, lucht, rivieren en zeeën zijn vergiftigd, maar over dat gif wordt pas gesproken wanneer het aangetoond wordt. Zo is ook taal vaak het laatste dat ter sprake komt, terwijl het juist om taal gaat.
Taal is nodig en nuttig volgens Levinas. Het is de ‘samenhang tussen mensen’ en het is nodig omdat er zonder gesprek geen menselijkheid mogelijk is, geen rechtvaardigheid en geen waarheid. Dat vraagt om wat meer context.

Zodra ik de Ander zie en waarneem dat hij (m/v) mij ziet, ben ik verantwoordelijk [zie mijn stukje van 20 april jl.]. De ware religie, stelt Levinas, is niet een beweging omhoog, maar dat is de aanvaarding van de andere mens als de Ander (met een hoofdletter) in wiens gelaat (haar of zijn aanwezigheid, gezicht, ogen) God zichtbaar wordt. God openbaart zich in de vernederde als ‘de overstijgende’, zoals ook in de weduwe en in de wees met wie – zo zou je het kunnen zeggen – God een geheim verbond heeft. De inzet van de zorg voor de Ander is geen ‘gevolg’ van het geloof, zoals vaak beleden wordt. Die inzet is ‘het geloof’, zegt Levinas. Mij doet dit schudden.
Internet en televisie hebben de wereld daarmee een onmogelijke plek gemaakt om te leven, want ik ben van veel lijden en onrecht – van veel vernederden, weduwen en wezen – op de hoogte en voor hen ben ik verantwoordelijk [zie de laatste alinea van dit stukje]. Ik ben altijd te laat, want het gaat erom of ik het juiste gedaan heb of het juiste heb nagelaten te doen. Dat vraagt wederom om wat meer context.

Levinas is opgegroeid in een Joodse traditie. Daar lag de nadruk op ontwikkeling van verantwoordelijkheid. Ik ben opgegroeid in een Calvinistische traditie, waar verantwoordelijkheid als een niet te dragen last om ieders nek hangt. Om verantwoordelijkheid te kunnen dragen, is volgens Levinas nodig tot inzicht te kunnen komen. Inzicht kan ik alleen verwerven door studie, door vraag & antwoord en door mezelf steeds nieuwe vragen te stellen. Ik kan alleen het goede of het juiste doen, wanneer ik weet heb van het goede en het juiste.
Ieder mens zal fouten maken, dus ik ook. Daar heeft ieder mens – dus ik ook – recht op. Maar dan heeft ieder mens er ook recht op te weten wat fout is en waarom. Bovendien bieden fouten een valkuil: wie zich almaar bezig houdt met zijn (m/v) fouten (en ze te verbeteren), met schuld, zou zich opsluiten in een kleine wereld en loopt het risico het goede, dat hij (m/v) (wel) kan doen, uit het oog te verliezen.
Levinas aarzelt niet te schijven dat vrede (heil, shalom) elk moment mogelijk is.

De Westerse filosofie is een uitdrukking van geweld

‘Vrede’; dat vraagt om wat meer context, waarmee we bij de crux van zijn denken komen. Volgens Levinas is anti-semitisme meer dan een randverschijnsel. De holocaust, de shoah, was volgens hem meer dan het gevolg van anti-semitisme. Sinds het einde van de Tweede Wereldoorlog heeft het bloed immers niet opgehouden te vloeien. Imperialisme, racisme en uitbuiting zijn ook nadien meedogenloos gebleven. Mensen en volkeren hebben knechting, leed en vernietiging te vrezen.
Volgens Levinas legt de holocaust de wortels bloot van de Westerse cultuur, die geobsedeerd is door het marginale en het marginale tegelijk met alle geweld ontkent. De Westerse filosofie is daarmee voor hem een uitdrukking van geweld.
Zo, het hoge woord is eruit: de Westerse filosofie is een uitdrukking van geweld. Dit is wat mij gevoelsmatig aanspreekt en wat mij tegelijk onder mijn huid raakt. Geweld is dus niet een dierlijk trekje van mensen. Het is volgens Levinas het weerzinwekkend resultaat van de menselijke rede (van zijn rationaliteit, van zijn redelijkheid, van zijn verstandelijke vermogens).
De Westerse filosofie maakt zichtbaar hoe de rationaliteit het machtsmisbruik mede via de taal (!) verbergt. Een machtsmisbruik dat werkzaam is in de kerk, in de ontplooiing van de mens, in het kolonialisme, in de politiek en in de staat. Let wel: een niet-geweld-dadige samen-leving is onmogelijk.
Tegen alle geweld en tegen alle redelijke rechtvaardiging daarvan in, neemt Levinas het lijden van de mens op elk moment ernstig. Dat vraagt om nog een klein beetje context, maar mij spreekt dit aan alsof ik het zelf bedacht heb.

Ik ben de Ander

Zolang rechtvaardigheid afhankelijk is van de mens, is een niet-gewelddadige wereld onmogelijk.
Om menselijk te leven hebben mensen volgens Levinas eindeloos veel minder nodig dan de prachtige beschavingen, waarin ze leven.
In de beslissende uren, waarin zoveel waarden niet geldend blijken, stelt hij, bestaat de waardigheid van de mens uit hoop; hoop dat ‘eens de tijd zal aanbreken dat…’ Echter, in de uren dat alles toegestaan is, is het de hoogste plicht zich in daden verantwoordelijk te weten tegenover de ‘waarden van de vrede’.
Ook wanneer het er in alle opzichten op lijkt dat de wereld een grote chaos is, komt het er volgens Levinas op aan om zo te leven en zich zo te gedragen (te handelen, te doen) alsof de wereld niet enkel uiteenvallende verbrokkeling is. Het komt uiteindelijk aan op een innerlijk leven.
Het komt erop aan jezelf zo te ontwikkelen dat je met je buik weet wat betekenis heeft en wat geen betekenis heeft. In elke wereld, hoe chaotisch die ook is, hebben we altijd een eigen stem. Die stem kan zich – zoekend naar wat juist is – verzetten tegen elk onrecht, waarbij de spreker de gevolgen van zijn spreken op zich neemt.
Een goede bedoeling is nooit de garantie geweest voor daadwerkelijke verbetering. Het geweld kan alleen veranderen wanneer iemand uitzondering wil zijn; iemand die buiten het gangbare patroon gaat staan.
We kunnen over rechtvaardigheid spreken om te achterhalen wat het is. Daar leent de taal zich voor; om de samenhang tussen mensen bloot te leggen. We kunnen achterhalen wat het recht omvat, wat het onrecht en het recht van mij vragen te doen. Zolang er nog maar één vreemdeling niet welkom is, zijn wij niet welkom, zegt Levinas, en dan kan ik evenmin mijn huis in. Wat de vreemdeling overkomt, overkomt mij; overkomt ons. Tenslotte vraagt dit om nog iets meer context.

Levinas graaft zijn onderwerpen minutieus uit en daagt tegelijk zijn lezers uit zijn ‘textes’ te doorvoelen, erover na te denken, ze ter harte te nemen, ze te proeven en erover te spreken; wellicht zelfs om ze te weerleggen, in plaats van ze naar Westers gebruik te rationaliseren

Alles begrijpen, doorzien en kennen veronderstelt een totale en volledig toegankelijke aanwezigheid van alles. Dat veronderstelt dat alles voor het ‘ik’ even aanwezig is als ‘mijn wereld’, waarin we stuk voor stuk bij aanvang leefden [zie mijn stukje van 20 april jl.]. Het veronderstelt ook dat er geen Ander is, geen ander mens, want het veronderstelt dat mensen geen onderlinge verschillen hebben. Het veronderstelt dat het marginale niet bestaat. Precies de Ander, die u degradeerde van heer & meester tot onderdaan, maakt glashelder dat ik niets begrijp, niets doorzie en niets ken. De aanwezigheid van de Ander breekt volgens Levinas de eenheid van plaats en tijd, die gebaseerd was op het ‘ik’ en het ‘mijn’. De Ander blijft in alles de uitzondering. Hij (m/v) maakt zich los, is niet zoals al het andere in ‘mijn wereld’ en doet om die reden een beroep op mijn betrokkenheid, medelijden en rechtvaardigheidsgevoel.
Ik ben verantwoordelijk voor wat ik met dat gegeven doe. Niet wat ik denk is beslissend, maar wat ik doe, wat ik gedaan en nagelaten heb. De consequentie van Levinas’ denken is zodoende de vraag te durven stellen:
Kan ik tegen de Ander zeggen: “Hier ben ik!”?

C’est le ton qui fait la musique
De teksten van Levinas dringen onmiddellijk tot de kern van zijn onderwerp en vragen als het ware daarin te graven, te tasten en te verwijlen; eerder naar het Franse woord ‘texte’, dan naar het Nederlandse woord ‘tekst’. Immers, ‘onze’ teksten zijn wij gewoon te interpreteren, waarmee we er aan de haal gaan. Levinas daarentegen graaft zijn onderwerpen minutieus uit, en nodigt zijn lezers vervolgens uit ze ontbloot te aanschouwen. J.C.M. Engelen [zie bron] wijst erop dat Levinas in zijn Joodse achtergrond juist gewoon geworden was teksten te bestuderen, in plaats van te twisten over mogelijke interpretaties, zoals niet-Joden gewoon (zouden) zijn te doen. Misschien wel daarom ken ik niemand, die zo precies schrijft als Levinas. Het gaat bij hem niet om ‘teksten’, maar om het Franse ‘textes’, waarmee de filosoof Levinas zijn lezers eerder uitdaagt zijn uiteenzettingen te doorvoelen, erover na te denken, ze ter harte te nemen, ze te proeven en erover te spreken; wellicht zelfs om ze te weerleggen, dan om ze naar Westers gebruik te rationaliseren.

Bron: “Het gelaat: hij die mij aanziet” (1987) van pagina 66 tot en met 120 door J.C.M. Engelen; uitgegeven door Gooi en Sticht te Hilversum.