Bij 2 Corona Extra gratis 1 Mort Subite

Vandaag zal blijken wat de werkelijke agenda van onze regering is: in goed Nederlands Bailout the people of Bailout the banks and the multinationals. Je kunt als overheid beslissen om enkele maanden de huur en de facturen voor nutsvoorzieningen te betalen van mensen die door de crisis minder inkomen en meer uitgaven hebben. Of je kunt als overheid beslissen om elk bedrijf, ook het meest belasting-ontwijkende en meest vervuilende overeind te houden. Om maar wat uitersten te noemen.

Het Coronavirus veroorzaakt een acute crisis die door al die steunpaketten ongetwijfeld ook in een economische crisis zal ontaarden. De Europese Unie heeft immers duidelijke regels voor begrotingstekorten en overheidsschulden bedacht (ook al staat de rente op schulden historisch laag). We ontdekken dat besparingen van de voorbije decennia in alle overheidssectoren niet de beste voorbereiding waren op een gezondheidscrisis van deze omvang, maar deze wetenschap houden we nog even onder de pet.

De acute Coronacrisis komt op een moment dat we met elkaar ook een bedreiging van de wereld als leefwereld voor nu levende mensen (dieren en planten) het hoofd moet bieden: klimaatverandering. Nu al vragen verschillende bedrijfstakken (met de reeds flink gesubsidieerde en klimaatverandering bevorderende luchtvaartindustrie voorop) om financiële steun van overheden. Even zijn we (lees ‘ze’) vergeten dat overheidsbemoeienis voor de vrije markt volgens de invloedrijke predikers van de afgelopen 40 jaar uit den boze is; zoals steeds weer wanneer er bij overheden wat te halen valt.

Volgens dr. Fatih Birol, de baas van het International Energy Agency, kan Corona naast bedreiging ook een kans zijn in die fundamentele transitie van onze economie en onze energiesystemen. De bedreiging zit ‘m in met name
– onderbroken aanvoerlijnen vanuit China, waar de meeste duurzame energie-technieken vandaan komen,
– dalende olieprijzen, die energie-efficiency minder financieel aantrekkelijk maken en
– overvraagde politici, die zo druk zijn met Corona dat ze andere bedreigingen, zoals armoede, klimaatverandering en gebrek aan toekomstperspectief, uit het oog verliezen.
Kansen zitten hem vooral in de steunmaatregelen, die overheden nu voorbereiden om de economie op gang te houden. Het belastinggeld dat nu wordt uitgetrokken om sectoren te steunen, die het door maatregels om Coronabesmetting tegen te gaan zwaar hebben, zou wat mij betreft gekoppeld moeten worden aan duurzame doelen. Daarmee houden we ook volgens Birol niet alleen nu de economie op gang, maar bouwen we direct aan de economie van de toekomst.

Frankrijk legt 10% van het bruto binnenlands product (BNP) op tafel als garantie voor banken, die geld geleend hebben aan bedrijven die nu dreigen ten onder te gaan. Nieuw-Zeeland maakt 4% van het BNP vrij om bedrijven en werknemers te ondersteunen. De Verenigde Staten van Amerika vergoeden in elk geval de schade, die heel de luchtvaartindustrie lijdt, voor 100%.

Vanavond, wanneer het Nederlandse pakket aan steunmaatregels bekend gemaakt wordt, wordt zo de lakmoesproef afgenomen:
– gaan we geld uitgeven om fossiele sectoren in het zadel te houden of geven we geld uit om hen op een koolstofarme toekomst voor te bereiden?
– Krijgen de aarde, de gezondheidszorg en mensen prioriteit of de economie, waaraan binnen ons hijgere kapitalisme alle welvaart en welzijn voor gewone mensen* uiteindelijk ondergeschikt zijn?

Ik heb er weinig vertrouwen in met een regering, die eerder al plaatsen waar meer dan 100 mensen samenkomen sloot, maar scholen open wilde houden. Niet omdat het onderwijs zo belangrijk is, maar omdat anders kinderen elders opgevangen moesten worden.

Bronnen: “Waarom we nu een volmachtenregering hebben (en dat is niet voor onze gezondheid)” door Christophe Callewaert via DeWereldMorgen op 17 maart 2020 en “Energieagentschap: ‘Gebruik coronavirus om energietransitie te versnellen’” door Ties Joosten via FollowTheMonney op 16 maart 2020.

* In verkiezingstijd worden deze mensen, voor zover ingezetenen, aangeduid met de term ‘Hardwerkende Nederlanders’. Overigens verwijs ik voor de achtergrond van deze zin naar wat ik enkele jaren heb bijgehouden over wat mensen vermag. Dat is hier te vinden onder het kopje “Over mensen”.

Niet begrepen worden (en daarmee om moeten gaan)

“Wer nur der liebe Adorno lässt walten,
der wird den Kapitalismus ein Leben lang behalten”
ofwel “Wie die aardige Adorno gewoon zijn gang laat gaan,
behoudt het kapitalisme zijn leven lang
”.

Deze tekst hadden enkele studenten van de Frankfurter Schule in 1969 op het bord geschreven, waar Adorno college zou gaan geven. Adorno, moet u weten, is de vader van de ‘kritische theorie’ (door Nederlandse bewonderaars toentertijd vaak als ‘kritiese theorie’ geschreven). De kritische theorie was de specialiteit van het Frankfurter Institut für Sozialforschung; de Frankfurter Schule dus. Het instituut was in 1923 opgericht als een marxistische ‘thinktank’, in de verwachting dat de Russische revolutie elk moment kon overslaan naar Duitsland en andere industriestaten. Het was een tijd waarin we nog niet veramerikaniseerd waren en ‘kritiek’ hoger stond aangeschreven dan ‘succes’ of ‘veel cashen‘. Toen die verwachting niet uitkwam, werd het instituut een wereldwijd bekend platform voor linkse economen, psychologen en sociologen. Zij betoogden dat de ideeën van de achttiende-eeuwse Verlichting in hun tegendeel zijn ontaard. Het primaat van het verstand zou immers de Verlichte mens bevrijden van de knechting van religie en ander magisch denken. Ons verstand zou ons waardigheid en kritisch zelfbewustzijn schenken. Echter, omdat aan de uitkomsten van techniek en wetenschap niet mag worden getwijfeld, zijn wij zelf nieuwe mythen geworden. We dragen al doende zelfs bij aan de moorddadigheid en nietsontziende uitbuiting van het kapitalistische systeem.

Het is een uitgangspunt waarvan de inhoud mij heel mijn leven al aanspreekt. Net als de oneliner van Adorno, die op de gevelsteen van het huis waar hij zijn leven lang gewoond heeft (met uitzondering van de tijd dat Adolf Hitler aan de macht was) gebeiteld staat: “Es gibt kein richtiges Leben im Falschen” ofwel “In een wereld zonder moraal is het maken van juiste keuzes onmogelijk”. De maatschappelijke voorwaarden voor het fascisme bestaan immers nog, meende hij, zoals de ‘concentratietendens’ bij het kapitaal, en het maatschappelijk-economisch afglijden van groeperingen die zichzelf nog zien als ‘burgerlijk’ (middenklasse, zou je nu misschien zeggen). Die richten hun frustratie niet tegen het kapitaal, maar tegen groeperingen die kritisch staan tegenover het systeem waarin ze zelf eens ‘status’ bezaten.

Als theoreticus ging Adorno voor in het verzet tegen de kapitalistische consumptiemaatschappij, waarin het streven naar winst alle andere menselijke strevingen overschaduwt. Zijn hoorcolleges waren zo populair dat de toehoorders ook de trappen van de collegezaal en de ruimte rond het spreekgestoelte vulden.

Maar ja, toen kwamen de roerige jaren ’60. De subtiele denker Adorno zag met lede ogen aan hoe ‘zijn’ activistische studenten radicaliseerden en overgingen tot daden. Hij koos welbewust niet voor actie voeren, maar wilde het vermaledijde kapitalisme met het verstand, met de ratio bevechten. ‘Zijn’ studenten namen hem zijn gerichtheid op goed doordenken kwalijk. Toen hij in april 1969 achter het spreekgestoelte had plaatsgenomen, omringden de drie vrouwelijke studenten van de boordtekst aan het begin van dit stukje hem, ontblootten hun borsten en wierpen rozenblaadjes over zijn hoofd. Geschokt door deze ludiek bedoelde actie probeerde Adorno de ‘aanval’ af te weren met zijn aktetas en beende vervolgens de gehoorzaal uit. Hij keerde er nimmer terug. Een half jaar later overleed hij tijdens een wandeling in de bergen van Zwitserland, waarbij hij te veel van zijn hart had gevergd.

Och ja, ik voel me ook wel eens niet begrepen. Laatst nog… Nou, ja, dat hoort hier niet.

Frankfurt am Main kan nu gekarakteriseerd worden door indrukwekkend glanzende glazen banktorens, overvloed voor the have’s en torenhoge huizenprijzen. Het is vermoedelijk een van de weinige plaatsen ter wereld waarin een monument voor geld staat: een 14 meter hoog, blauw euroteken met twaalf gele sterren. Op de AfD stemden er de laatste verkiezingen 9% van de stemgerechtigden.

Bronnen: “Flessenpost uit Duitsland” Profiel van Theodor W. Adorno door Raymond van den Boogaard in de Groene Amsterdammer van 4 maart 2020 en de website van ‘AfD-Fraktion im Frankfurter Römer’ op 11 maart 2020.

Sommige elementen van Adorno’s analyses zijn door de tijd ingehaald. Zo meende hij dat de opkomst van de NPD, De Nationaldemokratische Partei Deutschlands, mede werd veroorzaakt door angst voor het Oostblok, en dat de Duitsers nooit echt hebben gebroken met de ‘identificatie’ met het fascisme, terwijl dat in Italië zo prachtig gelukt zou zijn. Ook zag hij ‘anti-Amerikanisme’ als een belangrijke voedingsbodem voor rechts-radicale gevoelens en hij meende dat de EEG, de voorloper van de Europese Unie, een list was van het kapitaal om de broodnodige collectivisering van de Duitse landbouw tegen te houden. Hij blijkt een broertje dood gehad te hebben aan het Franse ‘existentialisme’, dat mij zo aanspreekt. Het zou het intellectuele klimaat volgens hem hebben vergiftigd en zo de weg vrij gemaakt hebben naar rechts-radicale aanvallen op echte ‘dragers van de geest’, en naar anti-intellectualisme. Jean-Paul Sartre moet ervan hebben opgekeken.

Hoewel de gedachte dat de Europese Unie een list is, mij wel aanspreekt. Ik zou zeggen: zich ontwikkeld heeft tot een list alsof de keuze bestaat uit
of géén enkele samenwerking (of zelfs oorlog)
of een onderlinge samenwerking zoals de aandeelhouders van multinationals, grootbanken en andere grootbedrijven die graag ingevuld zien (met voor de bühne wat ‘linkse’ regelgeving).

Verrassend veel van Adorno’s ideeën laat zich echter nog steeds lezen als commentaar op onze huidige wereld. Zo signaleerde hij dat de rechts-radicalen weliswaar de mond vol hebben van ‘de natie’, maar donders goed weten dat het nationalistische repertoire anachronistisch en versleten is. Adorno wees ook op het door rechts-radicalen met graagte opgeroepen beeld van een soort eindtijd van ‘sociale catastrofe’. Typerend voor rechts-radicalisme was volgens Adorno verder de pretentie dat men spreekt uit naam van een grote aanhang, zo niet namens iedereen, terwijl het in werkelijkheid gaat om een minderheid, of zelfs een verzameling ‘Einzelgänger’, eenlingen. Het rechts-radicalisme, meende Adorno, is geen richting met een werkelijk maatschappelijk programma, maar slechts ‘geniale propaganda’. Zo is er de gewoonte om suggestief te refereren aan ‘dingen die je niet mag zeggen’. Voor de ‘goede verstaander’ is dan bijvoorbeeld duidelijk dat de spreker vindt dat de jodenvervolging onder Hitler sterk wordt overdreven. Adorno heeft vanwege zijn katholieke vader, die van Joodse origine was, onder Hitler de wijk moeten nemen, nadat werken hem onmogelijk gemaakt was. In het verlengde daarvan ligt de gedachte bij rechts-radicalisten dat Duitsland moet ophouden steeds maar excuses aan te bieden voor het verleden en zich daarvoor te schamen. Dit is een wens die de AfD met de NPD gemeen heeft. Wat verder als hedendaagse kritiek op rechts-radicalisme op gaat: met feiten staat het volgens Adorno op gespannen voet. De beweging streeft naar wat hij ‘konkretisme’ noemde: een alternatief geheel van verzonnen, oncontroleerbare stellingen, die als feiten gepresenteerd worden. Het heeft daarom volgens hem weinig zin om het rechts-radicalisme met feitelijke argumenten te bestrijden, en ook moraliseren is vruchteloos, meende hij. Je zou de rechts-radicaal hoogstens kunnen bereiken door hem op zijn concrete belangen te wijzen. Daar zouden we wellicht nog steeds van kunnen leren.

Een preciese (met een ‘s’) milieuactivist

Ik ben op pagina 279, bijna aan het eind van Paul Kingsnorth’s “Bekentenissen van een afvallig milieuactivist; een radicaal andere kijk op natuurbescherming”. Ik ben benieuwd naar de laatste twee essays. Een van mijn gedachten, die zich al lezend bij mij ontvouwt, is dat we maar een jaartal in de toekomst moeten kiezen: 2025, 2050, 2075, 2100; de toename van het mensdom in dat jaartal bepalen en onszelf vervolgens opleggen dat we (: de Westerse mens) vanaf dat jaartal alleen nog mogen consumeren op een manier dat onze ecologische voetafdruk gelijk kan zijn met alle andere dan levende mensen. Alleen op die manier, vermoed ik, kunnen we wat we doen ‘beschaving’ blijven noemen; ergens is een grens aan de groei, omdat de aarde niet met ons meegroeit. En als voorhoede van het vergaren en beschermen van geneugten stoppen we daar dus op zeker moment mee en geven de rest van het mensenrijk de gelegenheid om op dezelfde schaal als wij te gaan leven. Dan vervalt het ongelijkheidsmotief om onderling strijd te leveren. Het zal er wel op neerkomen dat we dan direct al moeten consuminderen, maar dat lijkt ons allemaal de toekomst van onze (kinds) kinderen wel waard, toch?

Ik vermoed dat Kingsnorth aan het slot van zijn boeiende bundel een andere kant opgaat.

Overigens herken ik tot nu toe deze van zijn visies op het leven:
· de flexibiliteit, macht en zelfs wijsheid van ongerepte natuur,
· de uiteindelijk onbeduidende rol van mensen op dit alles (niet omdat het onbeduidend is wat we aan chaos en disbalans teweegbrengen, maar gezien de grootsheid van het ondermaanse waar we onze levens slijten; laat staan onze onbeduidende rol binnen het universum),
· de doodlopende kapitalistische weg, die we met ons allen ingeslagen zijn, terwijl we elkaar op de keper beschouwd domweg op de mouw spelden dat we er wel bij varen, want ons welzijn zit in veel minder dan de vergaarde materiële zaken en
· de waanzin van de milieubeweging(en) zich te richten op duurzame energie-opwekking ten koste van ongerepte natuur, waardoor intrinsieke waarden van wat niet-menselijk is over het hoofd gezien worden.
Dit alles is misschien in één zin samen te vatten: ik herken me in zijn opvatting dat we nooit onze wortels moeten verlaten, hoe verleidelijk het luilekkerland, dat we ervoor terug zouden krijgen, ook lijkt.

De man kan schrijven (en zijn vertalers konden het mooi naar makkelijk leesbaar Nederlands omzetten). Naar mijn idee heeft hij als roepende in de woestijn ook wel iets interessants te melden; ik zou iedereen willen aanraden dit boek ook te lezen. Zelf kreeg ik het van een vriendin. Ze wil het van me lenen als ik het uit heb, omdat zij eveneens in de inhoud geïnteresseerd is. Dat lijkt me een goed plan, dus ik lees nu nog even door hoe Kingsnorth zelf zijn essaybundel eindigt.

Maar eerst nog even dit: er zijn altijd Preciesen en Rekkelijken. Kingsnorth beschouw ik als een van de Preciesen binnen de milieu- en natuurbescherming. Vandaar zijn ogenschijnlijke afvalligheid en de ogenschijnlijke spelfout in de titel boven dit stukje.

Economische principes zijn bedenksels (die de machtigen machtig houden)

Gisteren lunchte ik met een van mijn twee zonen. Langs mijn neus weg poneerde ik ook voor mijzelf onverwacht de stelling dat het, voor zover het aan mensen ligt, wel goed met ons gaat. Mensen zijn vaak bijzonder vriendelijk en goedwillend naar elkaar, ook naar vreemden; maar helaas drukken teveel rijken en rijke ondernemingen hun stempel op de politiek en dat benadeelt iedereen; al onze ideeën over denken dat we in een democratie leven ten spijt.

De rationalisering van ongelijkheden

En ’s avonds las ik dat Thomas Piketty zijn nieuwste onderzoek gepubliceerd heeft. De verschijning in 2013 van “Le capital au XXIe siècle” sloeg in als een bom. Hij toonde aan hoe sinds 1990 een nieuw soort kapitalisme zorgde voor een spectaculair toegenomen ongelijkheid, waarbij grote fortuinen (verworven door industrieel initiatief of door erfenis, of door combinaties van beide) veel sneller groeiden dan elke andere vorm van inkomen. Onlangs combineerde hij in ‘Capital et Idéologie’ (nog niet vertaald) een zorgvuldige analyse met visionair denkwerk. Hij toont erin aan dat elk economisch systeem een ideologie uitvindt om zichzelf te rechtvaardigen. Dat geldt en gold voor de Romeinse samenleving tot de huidige neoliberale samenlevingen, voor postkoloniale samenlevingen zoals India en voor communistische en postcommunistische landen zoals China en Rusland, voor samenlevingen waarin slavernij wijdverspreid was, zoals Brazilië, Rusland en de Verenigde Staten van Amerika, en voor landen als Iran waar een deel van het sociale en economische leven door de Islam wordt geregeld.

Piketty bespreekt een reeks historische veranderingen in economische stelsels en de manier waarop dit leidde tot nieuwe vormen van economische organisatie en – onvermijdelijk!!! – de rationalisering van ongelijkheden.

In onze geglobaliseerde wereld wordt het ideologische debat over de grenzen waarbinnen bezit verdeeld kan worden steeds scherper

De eerste conclusie in Piketty’s nieuwste onderzoek is dat ongelijkheid effectief geglobaliseerd is en de vorm aanneemt (en aannam) van verschillende “ongelijkheidsregimes”. De tweede conclusie is dat echte vooruitgang nooit het effect is geweest van grote concentraties van rijkdom. Vooruitgang werd daarentegen telkens bereikt door een streven naar gelijkheid en naar toegankelijk onderwijs voor iedereen.

Piketty legt ongelijkheidsregimes uit als telkens weer gestoeld op twee ideologische pijlers: het ene regime voor de verdeling van bezit en een ander voor grenzen aan wie toegang heeft tot bezit en rechten. In de 20ste eeuw vielen oude ongelijkheidsregimes uiteen en werden ze, met name na de Tweede Wereldoorlog, vervangen door een regime waarin herverdeling centraal stond, en waarin de categorie van wie aanspraak kon maken op de vruchten van de vooruitgang verruimd werd. Denk hierbij aan de dekolonisaties, het kiesrecht voor vrouwen en de spectaculaire verbreding van de toegang tot het voortgezet onderwijs. Nu, in een geglobaliseerde wereld, wordt het ideologische debat over de grenzen waarbinnen bezit verdeeld kan worden steeds scherper, omdat in de huidige fase van globalisering, die sinds het einde van de Koude Oorlog en met behulp van het internet z’n gang gaat, het ideologische antwoord slechts een enkele vorm aanneemt: die van “hyperkapitalisme”. En dat zorgt zowat overal op de wereld voor problemen en instabiliteit, want het leidt tot de terugkeer van een samenlevingsmodel dat in de 20ste eeuw stilaan was vervangen: een samenleving waarin de vermogende klasse het voor het zeggen heeft en waarin we opnieuw een vorm van “hyperongelijkheid” kennen die veel van het bereikte in de voorafgaande periode ongedaan maakt.

Fiscaliteit is hèt centrale instrument dat de nodige herverdeling van rijkdom kan bewerkstelligen

Een voorbeeld dat Piketty herhaaldelijk uitwerkt is de Europese Unie met haar politieke antwoord op globalisering, dat noodzakelijk is, maar in feite enkel opereert als een zone van “veralgemeende concurrentie tussen gebieden en mensen en van het vrije verkeer van goederen, kapitaal en werkenden, zonder een poging om gemeenschappelijke instrumenten te ontwikkelen voor een verbeterde sociale en fiscale rechtvaardigheid” (p990). Het regime van bezit ligt vast. De EU is boven alles een vrijhandelszone en bevoordeelt de grote vermogens die de fiscale en sociale concurrentie tussen lidstaten kunnen uitspelen en groot genoeg zijn om correcties hiervan effectief tegen te werken. Goed beleid is binnen de EU beleid dat zich aan de Maastricht-norm voor begrotingstekorten houdt. Dat heeft besparingen en privatiseringen tot gevolg en beschermt en stimuleert fiscaal private ondernemingen en fortuinen.

Individuele EU-lidstaten hebben nauwelijks nog invloed op de belangrijkste economische hefbomen en dus blijft er maar één soort macht over: de macht over de grenzen met migratie, identiteitspolitiek en de morele orde van de samenleving als de drie belangrijkste brandpunten.

Piketty kijkt naar de combinatie van twee parameters: inkomensniveaus en opleidingsniveaus. Wat dat laatste betreft ziet hij een spectaculaire toename van hoger gediplomeerden als een van de belangrijkste verwezenlijkingen van de periode tussen ruwweg 1950 en 1980 waarin herverdeling het politieke paradigma vormde. Hij onderscheidt ze in “la gauche brahmane” (hoogopgeleid links, de intellectuele en culturele elite) en ‘la droite marchande” (welgesteld rechts, de elite van het geld en het ondernemerschap). Wat die eersten betreft: de sociaaldemocratische partijen zijn de partijen van de “la gauche brahmane” geworden, niet langer die van de arbeiders. In de ruimte tussen de elitaire “gauche brahmane” en de even elitaire “droite marchande” ontstond nog een derde grote politieke macht: populisme, en dan vooral in z’n “sociaal-nativistische” gedaante waarin een xenofoob nationalisme en een agressieve identiteitspolitiek vermengd worden met een reeks sociaaleconomisch herverdelende programmapunten.

Piketty ziet geen heil in dit sociaal-nativisme, maar pleit voor aanpassing van het belastingstelsel. Fiscaliteit is volgens hem (en mij) het centrale instrument dat de nodige herverdeling van rijkdom kan bewerkstelligen door veel progressievere belastingen te heffen, juist ook over de grote fortuinen en het kapitaalverkeer, om op die manier de hyperkapitalistische opeenhoping van geld af te toppen.

De huidige ongelijkheden en het hyperkapitalisme dat daarmee geproduceerd wordt zijn geen wetmatigheden en evenmin een logisch gevolg van eerdere ontwikkelingen

Regeringen zijn de instanties met een programma voor machtsuitoefening. Piketty stelt: “van zodra men verklaart dat er geen geloofwaardig alternatief bestaat voor de huidige sociaaleconomische organisatie en voor de ongelijkheden tussen klassen, is het weinig verbazend dat de hoop op verandering zich richt op een ophemeling van de grenzen en van de identiteit” (p. 1.112). Oftewel: hoe kleiner de te verdelen koek, hoe kleiner men de ruimte maakt waarbinnen de koek verdeeld mag worden. Hij benadrukt voortdurend dat deze ongelijkheden en het hyperkapitalisme, dat daarmee geproduceerd wordt, géén wetmatigheden zijn en evenmin een logisch gevolg van eerdere ontwikkelingen. Het zijn louter ideologische fenomenen, die een economisch en politiek systeem rationaliseren dat de menselijke vooruitgang tegenhoudt. En daar voeg ik modieus – geheel op persoonlijke titel – de door klimaatverandering bedreiging van menselijk leven in veel regio’s op aarde aan toe; Après nous pour les riches, le déluge pour les pauvres.

Thomas Piketty, “Capital et idéologie.” Seuil, Paris, 2019. pp. 1198
ISBN 9782021338041.

Bron “Boekrecensie van Thomas Piketty: “Kapitalisme is een ideologie”” door Jan Blommaert via DeWereldMorgen op 23 december 2019.

Prettig getimede schande

Ik zie het als een lot uit de loterij: kolenbedrijf Uniper gaat een claim indienen vanwege de vervroegde sluiting van kolencentrales. Uniper wil bijna € 1.000.000.000 uit onze schatkist. Ze maakt bij de claim gebruik van een handelsverdrag. Het Energy Charter Treaty; eentje speciaal voor energiebedrijven. Zij claimt bijna een miljard en wij kijken hoe we de dit en de dat ‘betaalbaar kunnen houden’.

Vanwaar dan dat lot uit de loterij?
Dat heeft met de timing te maken. Nederland is tot nu toe nooit via een handelsverdrag door een multinational aangeklaagd. Met al onze argeloosheid zien velen onheilsprofeten zoals ik als zwartkijkers. Maar nu kan iedereen met eigen ogen zien dat deze onheilsprofeten realisten zijn: juist het element dat multinationals er niet voor terugdeinzen claims tegen overheden voor te leggen bedreigt de rechtstaat. En het ondermijnt ook nog eens gezond ondernemerschap van grootbedrijven. Immers, hun winsten zijn met zulke “handelsverdragen” veiliggesteld.
Maken ze geen of minder winst uit onderneming door wetgeving die de burger, werknemers, dieren of het milieu beschermt dan dienen ze gewoon een claim in. Met – in goed Nederlands – het Investor-state Dispute Settlement (ISDS), investment court system (ICS) of de Investeerder-staatsarbitrage kunnen bedrijven al een tijdje landen aanklagen vanwege het mislopen van winsten uit investeringen.
Nu dat in Nederland gebeurt voordat CETA geratificeerd is komt deze claim van kolenbedrijf Uniper voor mij als geroepen. Eén miljard is immers slechts 2% van een aantal claims ter waarde van met elkaar – zoals elders in de wereld – vijftig maal zoveel…

Terwijl het boerenprotest dinsdag jl. op het Malieveld klonk, overhandigden Milieudefensie samen met een groep boeren aan Kamerleden een manifest voor eerlijke handel en tegen verdragen die het boeren moeilijker maken om te verduurzamen. Deze Uniper-claim laat precies zien waarom we geen nieuwe handelsverdragen moeten aangaan wanneer die verdragen multinationals nóg meer macht geven. Niet met Canada, niet met de Verenigde Staten van Amerika en via geen enkel ander zogenaamd-handelsverdrag, terwijl ik niets tegen werkelijke handelsverdragen heb.

Natuurlijk is nu in mijn ogen de Tweede Kamer aan zet om zo snel mogelijk een eind te maken aan het Energy Charter Treaty. Ja, de Tweede Kamer want de regering met CDA, D66 en VVD zal daartoe nooit bereid zijn. Weg met al die bommen onder ons beleid dat de wereld mooier zou maken.

Mocht u zich hier (deels) in vinden, ga dan snel eens naar de website van Milieudefensie en roep de Christenunie en PvdA op om tegen CETA te stemmen; dan ontstaat er misschien een nipte meerderheid tegen.

Bronnen: “Kolenbedrijf klaagt Nederland aan: dit is waarom we CETA moeten stoppen” door ‘Wij stoppen CETA van Milieudefensie en op 4 oktober 2019

Een op de honderd

Op moment van schrijven zijn er 7.715.575.538 mensen in leven. Eén op de honderd, te weten ruim 70.000.000 daarvan zijn op de vlucht.
84% van de vluchtelingen wordt in ontwikkelingslanden opgevangen, die zelf met grote (economische) problemen kampen.
1.440.000 vluchtelingen zouden snel hervestigd moeten worden. Die worden momenteel opgevangen in meer dan 60 landen maar lopen daar onaanvaardbare risico’s.

UNHCR-baas Filippo Grandi vroeg daarom onlangs in Genève, tijdens een jaarlijks congres over hervestiging, opnieuw een “rechtvaardiger verdeling” van de vluchtelingen – lees: meer inspanningen van de rijke landen om vluchtelingen te hervestigen. Bij hervestiging kunnen vluchtelingen naar een land waar ze zich permanent mogen vestigen. En we weten allemaal: “Vragen staat vrij, net als beleefd knikken en verder laten praten.” Vorig jaar lieten 25 landen 92.400 vluchtelingen toe voor hervestiging; een fractie van wat nodig was.

Ik zie een parallel met de strijd tegen klimaatverandering: de rijkste landen, die voor een groot deel verantwoordelijk zijn voor de problemen, negeren de inhumane gevolgen van hun doen en laten uit angst er materieel op achteruit te gaan. Tegelijk blijven “wij” Trump te vriend houden, vanuit precies dezelfde angst.

Ondertussen blijft het aantal vluchtelingen toenemen. Vorige maand maakte Het Vluchtelingenagentschap bekend dat het aantal vluchtelingen wereldwijd in amper 20 jaar is verdubbeld tot meer dan 70 miljoen mensen. Nooit eerder telde deze organisatie zo’n hoog aantal.

O, nee, op heel de aarde leven inmiddels 7.715.577.206 mensen. Klik hier voor het nu-u-dit-leest-aantal. Bedenk daarbij dat naar verwachting wat hier staat het aantal vluchtelingen verhoudingsgewijs ongeveer net zo snel stijgt.

Bronnen: Huidige Wereldbevolking volgens Worldometers en “VN: Dringend hervestiging nodig van 1,5 miljoen vluchtelingen” door Inter Press Service via De WereldMorgen op 2 juli 2019.

Concentratie van rijkdom zijn we gaan waarderen, in plaats van dat we er doodsbang voor zijn gebleven

Europa is een mengsel van mythe en werkelijkheid. Een van oudsher verdeeld continent dat steeds kleiner wordt in een wereld die steeds groter wordt. Pas iets meer dan een halve eeuw geleden vond Europa zijn bestemming in een model van sociale bescherming. En dat model, eigenlijk het enige identiteitskenmerk dat Europa wezenlijk onderscheidt van de rest van de wereld, is in rap tempo bezig te verdwijnen. Wat staat Europa te wachten? Eén ding lijkt zeker. Het verzet tegen de neoliberale afbraak van Europa komt uit het zuiden.

Ik [lees: Lex Rietman] spreek Boaventura de Sousa Santos in zijn werkkamer op de campus van de universiteit van Coimbra. De Portugese socioloog is een van de invloedrijkste hedendaagse denkers over globalisering en democratie. Hij wordt veel gevraagd voor lezingen over de hele wereld en overal trekt hij volle zalen. De helft van het jaar woont hij in Madison in de VS, waar hij doceert aan de universiteit van Wisconsin.

Eigenlijk heeft Europa nooit bestaan, zegt De Sousa. Eeuwenlang is het een samenraapsel geweest van landen zonder een gemeenschappelijk bewustzijn. Vanaf de vijftiende en zestiende eeuw begint daar verandering in te komen door de koloniale expansie van twee landen aan de rand van het continent, Portugal en Spanje. Vanaf dat moment ontstaat er zoiets als een continentale logica, gevoed door het opkomende handelskapitalisme. Een behoorlijk conflictueuze logica, dat wel, want de mate van economische ontwikkeling varieert sterk. Terwijl de nijverheid in het noorden – de Lage Landen, Engeland, Schotland – flink profiteert van de goud- en zilverstroom uit de Nieuwe Wereld, blijft de modernisering in Portugal en Spanje uit. Die kloof is tot op de dag van vandaag niet gedicht.

De twintigste eeuw trekt een nieuwe scheidslijn door het continent, nu tussen oost en west. De scheiding tussen het kapitalistische en het communistische Europa sluit een min of meer gemeenschappelijk zelfbeeld praktisch uit.

De Verenigde Staten willen laten zien dat het kapitalisme politiek en ethisch superieur is aan het communisme.

Twee gruwelijke oorlogen, vooral de Tweede, voeden volgens De Sousa het idee dat dit continent waarden herbergt die in ere hersteld moeten worden. Na 1945 legt dat de grondslag voor een nieuwe eenheid. Deze krijgt eerst gestalte in het kapitalistische Europa; na de val van het sovjetimperium breidt de unie zich uit met de oostelijke landen.

Zo ontstaat een sterk economisch blok dat zich beroept op zijn democratische en christelijke essentie. Boaventura de Sousa Santos heeft er bedenkingen bij. ‘De moslims waren zeven eeuwen hier. Vanaf de twaalfde eeuw stond Europa cultureel onder sterke invloed van de islam. Onze erfenis van de Griekse filosofie als een Europese verworvenheid is een mythe die halverwege de negentiende eeuw gecreëerd wordt. In werkelijkheid hebben we die erfenis te danken aan de Arabieren en de islam. Via Egypte, Perzië en Bagdad kwamen de teksten van de klassieken terecht in Toledo. Daar werden ze vertaald.’

Een andere mythe is de gedachte dat Europa bij uitstek het continent is van de democratie. ‘Dit idee ontstaat na een enorme democratische instabiliteit in een groot deel van Europa. En de zuidelijke landen, vooral Portugal, Spanje en Griekenland, hebben tot vrij recent lange periodes van dictatuur meegemaakt – Portugal 48 jaar. Na 1945 leidt het trauma van de oorlog tot de oprichting van de Europese Economische Gemeenschap, ook al om eens en voor altijd een einde te maken aan de rivaliteit tussen Frankrijk en Duitsland. We moeten ons er dus van bewust zijn dat we in het gewelddadigste continent ter wereld leven. In de twintigste eeuw hebben we 78 miljoen mensen gedood. De Dertigjarige Oorlog (1618-1648) kostte in die tijd al een miljoen mensenlevens. We hebben meer dan genoeg gedood. Je kunt pas sinds kort zeggen dat we een continent van de vrede zijn. Europa is een mengsel van mythe en realiteit.’

Ondanks alle tekortkomingen is er geen plek op aarde waar de mensenrechten en de liberale democratie beter functioneren dan Europa, erkent De Sousa. Tenminste, als we onze blik beperken tot de laatste zeventig jaar. En het is ook onmiskenbaar dat de liberale democratische theorie grotendeels in Europa is geboren, onder meer in Engeland, Frankrijk en Duitsland. Dat heeft een eenvoudige reden. ‘De democratie van Aristoteles was altijd verworpen als een demagogisch regime. Het idee zou nooit in de praktijk gebracht kunnen worden omdat de meeste mensen onwetend waren en niet in staat zouden zijn om te regeren. Pas in de negentiende eeuw, na de Franse Revolutie, wordt het idee serieus genomen dat de democratie verenigbaar kan zijn met de moderne samenleving. Het kapitalisme is in Europa het meest ontwikkeld: dat maakt het mogelijk dat het democratische gedachtegoed verspreid wordt.’

Tegelijk is Europa ook de plek waar een alternatief voor het kapitalisme bedacht wordt. Of eigenlijk twee alternatieven, na de breuk in de arbeidersbeweging tussen revolutionairen en reformisten. De eersten willen een radicale breuk met het kapitalisme forceren. De reformisten keren zich tegen de revolutie en streven naar een democratisch socialisme, later ook sociaaldemocratie genoemd. Het is een poging om kapitalisme en democratie met elkaar te verenigen. ‘Eigenlijk is het idee heel simpel’, zegt De Sousa. ‘De groei van de economische productiviteit moet op een gelijkwaardige manier ten goede komen aan het kapitaal en aan de arbeiders. Deze verdeling van de groeiende productiviteit en concurrentiekracht biedt ruimte voor sociale zekerheid. Je zou het een virtuoze combinatie tussen kapitalisme en sociale rechten kunnen noemen. En dit is tot nu toe het wezenlijke kenmerk geweest van het hedendaagse Europa.’

Hoe was dit mogelijk? Waarom toonde het kapitalisme zich genereuzer en menselijker in Europa dan elders in de wereld? Het antwoord is de Koude Oorlog, zegt De Sousa. ‘Het Marshallplan is geen vredesplan. Het is een Koude-Oorlogsplan, net zoals later in Zuid-Korea. De Verenigde Staten willen ermee bereiken dat het kapitalistische Europa, en West-Duitsland voorop, kan laten zien dat het kapitalisme politiek en ethisch superieur is aan het communisme. Het verschaft namelijk welvaart aan de arbeiders, en dat in vrijheid en democratie. Daarom accepteert het kapitalisme een aantal concessies die nu absoluut ondenkbaar zouden zijn: nationalisatie van de industrie en strategische grondstoffen, van water en elektriciteit, de mijnbouw. En ook een harde progressieve belastingpolitiek, waarbij de rijksten tot zo’n zeventig procent belasting betalen.’

Het neoliberalisme is heel erg goed in één ding: rijkdom van de armen naar de rijken overhevelen.

Dit project van de Koude Oorlog werkte goed zolang de Berlijnse Muur overeind stond. Maar toen de muur viel, stortte niet alleen het sovjetsocialisme in. Ook de sociaaldemocratie kwam ten val. Die was overbodig geworden, want het kapitalisme had geen rivalen meer. Vanaf 1980 duikt een nieuw begrip op: het neoliberalisme, een variant van het kapitalisme die het idee van een permanente crisis nodig heeft om te overleven. ‘Als een crisis sporadisch voorkomt – in de politiek of in ons dagelijkse leven – kan deze productief zijn. Het dwingt tot bezinning en de noodzaak om dingen te verbeteren. Maar als de crisis permanent is, behoeft zij geen uitleg. Zij is de uitleg. Worden de salarissen verlaagd? Dat komt door de crisis. Privatisering van de gezondheidszorg en het onderwijs? Door de crisis. De crisis verklaart alles. Het neoliberalisme heeft het nodig dat de mensen geloven dat er geen enkel alternatief is. Dat begint met Thatcher en Reagan.’

Het is niet langer het productieve kapitaal dat het grote geld oplevert, maar het financiële kapitaal. De financiële sector, een van de drijvende krachten achter het neoliberalisme, heeft het voor het zeggen. ‘Dat betekent een gevaar voor Europa’, zegt De Sousa. Het sociaaldemocratische model, het wezenskenmerk van Europa, is immers ondenkbaar in een neoliberaal systeem. Bedrijfswinsten gaan daarin voor een steeds groter deel naar de aandeelhouders, ten koste van de werknemers en investeringen. ‘Het neoliberalisme is niet goed om banen te scheppen en de economie te doen groeien’, zegt De Sousa. ‘Maar het is heel erg goed in één ding: rijkdom van de armen naar de rijken overhevelen.’

Dit is een onbewerkt deel van een artikel uit de Groene Amsterdammer. Mij spreekt het aan; zeker wanneer het (in grote lijnen) waar is. Lees jaargang 143, nummer 23 van de Groene Amsterdammer voor het gehele artikel, waarin De Sousa ook nog uitlegt wat er volgens hem momenteel in Europa gaande is.

Bron: “We moeten de kapitalistische overheersing ter discussie stellen” door Lex Rietman in de Groene Amsterdammer van 5 juni 2019