Overleven van een historische mijlpaal

Ik ben niet bang voor het Covid-19-virus. Ik neem risico’s, maar doe altijd al al het mogelijke om niet ziek te worden. Ik ben me er al heel lang van bewust het tot aan mijn dood met mijn lichaam te moeten doen. Mijn leefstijl is zondermeer gezond. Overigens staat geen enkele ziekte me aan. Ik houd niet van afhankelijkheid en pijn. Wie wel? Met Corona speelt nog iets anders: de zorg de Ander niet te besmetten. Dat maakt me wel wat voorzichtiger. Maar ook nu doe ik zoveel als mogelijk mijn dingen, die ik anders ook zou doen. Dat komt neer op veel dingen niet kunnen doen, helaas.

Met het begin van de lente ging ik officieel dan eindelijk met pensioen. Natuurlijk zou ik graag gewoon doorwerken. Toch kwam mijn pensioen later dan ik wilde, omdat ik sinds mijn 55ste voor geen enkele serieuze baan meer uitgenodigd werd om na een sollicitatie zelfs maar op gesprek te komen. Nu heb ik dan eindelijk de voordelen van het steeds maar ouder worden. Tegelijk met dat pensioen ben ik weer aan mijn jaarlijkse vastenkuur tussen Carnaval en Pasen begonnen. Corona-dreiging of niet. Ik zei al dat ik er, hoewel ik tot een risicogroep hoor, niet bang voor ben.

Ik heb altijd wel een zakdoekje bij me, en niet voor niets, en eens in de twee dagen hoest ik.

Feitelijk zijn alle Corona-beperkingen een mooie gelegenheid om te gaan vasten, nu de terrassen gesloten zijn. De verleiding ontbreekt om op een terras een biertje met kaas, espresso met gebak of glas wijn met nootjes te bestellen. Maar zulke verleidingen heb ik altijd al wel kunnen weerstaan.
Sterker nog, dit zou een ideaal moment zijn om een poosje mijn huis te verruilen voor een bungalow in de bossen, op een waddeneiland of aan zee. Lekker alleen, met mijn gezin of vrienden doen wat anderen in de zomer doen. Me terugtrekken van al het nieuws over de per land en provincie verschillende besmettingtrends, de Corona-gerelateerde doden, de laatste maatregels en de uitwassen: “Ooohhh, dat mensen dat doen!” Aan dat laatste doe ik sowieso niet mee en de eerste twee zeggen me weinig omdat er onvoldoende testmateriaal is. Het zijn volgens mij minimumbedragen. Nee, gewoon op vakantie en als die afgelopen is, ben ik vast snel bijgepraat over de stand van de Corona-zaken.

Woonde ik alleen, dan zou ik vast meer riskeren, maar ik heb huisgenoten. Die zijn dermate bang dat ze voortdurend met alcohol, handdoeken en schoonmaakmiddelen in de weer zijn. En vuurtjes in de open haard maken om het virus te doden. Zij spreken anderen, die nòg angstiger zijn en volgen een hoop Corona-nieuws op de voet. De supermarkt is hun enige, schuchtere uitstap, naast even in de tuin of rond het huis (om een sigaret te roken, zo’n zichtbare gezondheidsvijand).

Mijn agenda is leeg; alsof het vakantie is. Zelfs mijn celloles heb ik afgezegd omdat mijn docent alleen volledig klachtenvrije mensen lesgeeft. Ik heb altijd wel een zakdoekje bij me, en niet voor niets, en eens in de twee dagen hoest ik.

Eerst maar blijven genieten en voorkomen ziek te worden.

Ik ben deze dagen, met leestijd te over, tot het inzicht gekomen dat ik Emmanuel Levinas’ essay “De totaliteit en het oneindige” niet doorkom. Het is vermoeiend lezen, wanneer elke alinea twee of drie keer door mij herlezen moet worden om iets te begrijpen van wat er staat. Hoe boeiend ook. Dat inzicht leidde tot de aanschaf van twee inleidingen op zijn filosofie waar ik wel wijzer van hoop te worden. Ter verstrooiing schafte ik ook de Decamorone aan. 100 Verhalen, die de Italiaanse dichter en geleerde Giovanni Boccaccio waarschijnlijk in de periode 1349–1360 schreef: de pest waart rond in Florence en tien vrienden trekken zich twee weken terug op een buitenplaats; zoiets als mijn vakantie-ideetje van daarnet. Daar vertellen ze elkaar op 10 verschillende dagen elk een verhaal.

Als nutteloze toeschouwer verwondert het mij dat regeringen niet alle bevindingen van de WHO opvolgen. Dat is toch bij uitstek de World Health Organization met de primaire taak richtlijnen te geven over internationale gezondheidszorg en haar partners, waar wij er een van zijn, te adviseren hoe op mondiale gezondheidsbedreigingen zoals deze te reageren. Ook de adviezen van ons eigen Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) worden door onze regering niet nauwgezet opgevolgd. Ik snap dat niet. Of ik snap niet waarom onze regeringen adviesorganen met experts bevolken om vervolgens te besluiten het toch een beetje anders aan te pakken.
Alsof er een juiste aanpak zou zijn, baart het mij zorgen dat elk land, afhankelijk van haar toevallig huidige regering, haar eigen maatregels treft. Hoe kan ik dan weten of wat ik doe of laat voor anderen en mijzelf verstandig is? Woonde ik in Groot-Brittannië dan was het onnodig zoveel af te zeggen; woonde ik in België dan was het onmogelijk om nog zoveel te doen.

Zolang er nog geen antistof beschikbaar is en een tekort aan testmateriaal modderen we waarschijnlijk maar verder. Wel fijn dat we ons licht via internet op kunnen steken in zo’n beetje heel de wereld. Zo kunnen we veel te weten komen. Van Corona-sterfgevallen in Rusland, waarvan officieel bronchitis als de doodsoorzaak opgegeven wordt, tot de Verenigde Staten van Amerika, die er niet voor terugdeinzen te proberen het alleenrecht te verwerven op antistoffen voor Covid-19 en beademingsapparatuur. Mij lijkt het gewetenloos beleid, terwijl wij dat spul ook het liefst voor onszelf houden en niet naar armere landen sturen ter bestrijding van de gemeenschappelijke vijand, en terwijl dus de diversiteit aan maatregels in West-Europa mij verbaast.

Dat de afloop van dit alles uitloopt op een verdere uitkleding van alles wat het algemeen belang dient, staat voor mij als een paal boven water. Tenzij we dat straks na de Corona-crisis een keer niet accepteren, we hebben ons immers en masse al veel te lang zand in de ogen laten strooien. Enfin, we zien wel.

Klik hier voor een opinie over de ernst van de financiële toestand in de wereld nadat de Corona-crisis bezworen is, op basis van wat we nu al weten.
Klik hier voor drie mogelijke economische herstelopties om na deze Corona-crisis in gang te zetten; serieus bedreigend voor de 99% of onwenselijk voor de 1%.

Eerst maar zoveel als mogelijk blijven genieten en voor de gelukkigen onder ons: voorkomen ziek te worden. De anderen wens ik beterschap.

Ruimte nemen om mezelf te verbeteren

De trombone is onder de blaasinstrumenten wat de cello onder de snaarinstrumenten is. Ik speel nu bijna 2 jaar cello; zo’n groot viool-achtig muziekinstrument dat (meestal) met een pootje op de grond staat. De klankkleur van dit muziekinstrument vind ik prachtig; kan prachtig zijn. Dat hoorde ik twee jaar geleden bij een concert met de titel “De menselijke stem van de cello” uitgevoerd door leerlingen van het Utrechts conservatorium. Daarvoor had ik nog nooit een strijkstok vastgehouden. Wel heb ik in een grijs verleden verdienstelijk schuiftrombone gespeeld.

Het noten lezen moest na 40 jaar weer opgefrist worden. Onlangs heb ik een overzichtje gemaakt van de 15 toonladders met de bijbehorende grepen voor zover ik daar zicht op heb. Ik leer nu de zogenaamde ‘grote grepen’ op de eerste positie (een verschuiving van duim of vingers met een halve noot) en het spelen op de ‘tweede en “duimpositie”‘ (van de vijf). Het maken van dergelijke overzichten is voor mij gemakkelijker dan elke keer weer spelend de snaren op de juiste plek op de juiste manier in te drukken of aan te raken, wanneer vingers de snaren niet moeten aanraken ze erboven te houden en voor te bereiden wanneer ze weer in actie moeten komen en met mijn duim, die geen snaren indrukt maar als ‘oriëntatiepunt’ gebruikt wordt, met de gewenste druk tegen de hals aan te houden, of juist los daarvan te houden, met de andere hand de strijkstok losjes en toch sturend vast te houden en met mijn strijkstok op de bij de te produceren tonen behorende manier op de juiste plek onder de gewenste hoeken te strijken met de juiste druk en met het te wensen deel van de haren van de strijkstok en met verder ontspannen armen, tenzij er getokkeld moet worden. Om dat allemaal te leren en vingervlugheid te oefenen heb ik ook les; morgen de 40ste.

Bepaalde dingen leren vind ik leuk, wanneer ze mij interesseren. Het leren dit muziekinstrument te bespelen vind ik bijzonder leuk. Mijn docent inspireert me. Ze weet me al twee jaar te stimuleren door te gaan met schier onmogelijke dingen aan- en afleren en ze weet mijn leerstof te doceren. Ik ga door het cellospelen ook anders naar muziek luisteren en heel de dag spelen er deuntjes door mijn hoofd. Meestal melodieën die te maken hebben met wat ik op mijn cello onder de knie probeer te krijgen. Muziek is nu al twee jaar terug in mijn leven. Veel meer dan toen ik geen instrument leerde te bespelen en vaak naar fado’s luisterde; intenser.

Het moet leuk blijven.

Sinds een jaar speel ik op mijn verzoek ook samen met andere cellisten; leerlingen van mijn cellodocent. Het samen muziek maken vind ik leuk als aanvulling op mijn oefeningen. Zeker bij muziekstukken, waarin de ene stem ritmisch anders is dan de andere, klinkt de muziek een stuk voller dan wanneer ik alleen speel. Het is voor mij door de gerichtheid op wat de ander speelt en daarop aan te sluiten ook leerzaam. Het is meer muziek maken dan oefenen. Vandaag waren mijn medecellist en ik bijzonder tevreden over hoe mooi het soms klinkt. Zelfs voor het eerst een beetje trots.

Sinds ruim een half jaar speel ik ook nog mee in een amateur-orkest. Dat is voor mij flink aanpoten; vooralsnog eigenlijk te hoog gegrepen. Maar ik mocht na een auditie blijven, ik leer er veel van en mijn leercurve stijgt nu sneller dan toen ik er nog niet in meespeelde. Ik zorg ervoor niet te detoneren wanneer ik onzeker ben over een aantal maten van een muziekstuk en ik heb er heel veel plezier in zoveel als mogelijk op de door de dirigent gewenste manier mee te spelen; deel uit te maken van zo’n groter geheel dat allerlei stemmingen weet op te roepen. Daar komt bij dat de sfeer er heel prettig is.

Afgelopen week heb ik tijdens onze oefenavond tegen de dirigent gezegd dat het aan haar is om te beslissen, maar dat ik wat mij betreft de komende uitvoering voor publiek liever nog niet meespeel. Ik deed dat nadat ik dat al veel eerder aan het bestuur gemeld had. Muziek maken moet, omdat ik het puur voor de lol doe, geen prestatiedruk opleveren. Het moet leuk blijven. Voor mij ontstaat er zo ruimte om met alle plezier in mijn tempo te blijven oefenen en mezelf op de cello beetje bij beetje te verbeteren en fijn samen te spelen; ik op mijn niveau.

Voor de komende voorspeelmiddag van mijn cellodocent, waarvoor ik deze week een uitnodiging ontving, heb ik me direct weer opgegeven.

Misschien ging het om het slotakkoord

De heren spelen het laatst in, want ze spelen het eerst na de pauze”, zei mijn cellodocent (v) en zo geschiedde vanmiddag.

De andere heer en ik hadden eerder deze week al even een celloles samen gehad, om voor vanmiddag wat puntjes op wat i’s te zetten: dit is een vraag en dat is het antwoord, hier start jij en jij valt daar in, op dit akkoord komt het aan. Van dat soort aanwijzingen boden ons een focus om het voorspelen van vanmiddag tot een zo groot mogelijk succes te maken.

Later deze week hadden we de stukken nog eens samen gespeeld om ons de aanwijzingen eigen te maken. Vanmiddag was het dan zover. Na de pauze beluisterde het publiek, bestaande uit medeleerlingen, vaak met hun ouders, onze drie stukken en een hartelijk applaus viel ons ten deel.

Zelf wist ik heel goed wat ik niet goed gedaan had; waar ik er naast gezeten had, maar daar ging het niet om. Het was een goede ervaring om op mijn cello voor een beetje publiek te spelen en samen kwamen we er bij alle drie de stukken goed uit.

De andere cellisten, wiens vader of opa we hadden kunnen zijn, speelden voor en na de pauze minstens net zo goed als wij, en meestal stukken beter. Ik vond het fijn om ze te beluisteren en het gemak of juist de inspanning van hun gezichten af te lezen. Ze speelden vooralsnog voorbeeldig voor mij.

Het bijzondere van zelf muziek maken is voor mij dat het altijd weer op het moment aankomt: precies daar in dit muziekstuk moet ik dit loopje zo mooi mogelijk spelen zoals de componist het waarschijnlijk bedoeld heeft, moet die fis zuiver gespeeld worden en moet ik die lastige bes voorbereiden om hem even later te laten horen.

Mijn cellovriend en ik gaan vrolijk door met op gezette tijden samen cello te spelen. Na het voorspelen maakten we daarvoor de volgende afspraak.

Anders dan alleen spelen, vraagt het samenspelen ook nog om een voortdurende afstemming. Dat is een deel van de pret. En het klinkt weer anders dan het dagelijks oefenen in mijn eentje. Bij het samenspelen moeten we precies tegelijk in die tel rust een stilte laten vallen, precies tegelijk of juist iets na elkaar inzetten en steeds luisteren of de ander en ik nog wel samen opgaan. En toen we vanmiddag ons gezamenlijk slotakkoord speelden, keken we elkaar aan om exact tegelijk te stoppen. Dat was mooi!

De eerste stappen in 2020 zijn gezet

De eerste stappen in 2020 zijn alweer gezet. Mijn nieuwe arbeidscontract heb ik op de valreep toch maar niet getekend. Omdat de aanpak van het bestuur in de laatste weken van 2019 een voorspel kan zijn voor hoe het in 2020 verder zal functioneren, besloot ik uiteindelijk op 2 januari mijn portie aan Fikkie te geven. Met los zand kan niemand kleien.

Het doet mij natuurlijk verdriet mijn mij-passende en vaak leuke werk te beëindigen en het valt me zwaar om de bestuurders en medewerkers van ‘mijn’ organisatie, die stuk voor stuk goed bedoelen, die zo positief betrokken zijn bij de organisatie en bij elkaar voortijds aan hun lot over te laten.

Ik heb er toch vanaf gezien mijn nieuwe arbeidscontract te tekenen om zo niet-doende wel goed voor mijzelf te zorgen. Op een zekere leeftijd is dat misschien nog wel het enige dat telt: een goede zorg voor wie mij dierbaar zijn, voor mijzelf en voor wie mij nabij zijn. Toch lastig dat een aantal collega’s mij dierbaar geworden zijn…

Gelukkig resteren de andere leuke vooruitzichten voor 2020, waar ik het eerder in mijn stukje op 29 december jl. over had.

2019 (minus de rest van vandaag t/m 31 december)

Econoom Joseph Stiglitz, 76 jaar, schopt nog altijd heilige huisjes omver. In zijn nieuwste boek “Winst voor iedereen” fileert hij ons neoliberale economische model tot op het bot. Voor veel mensen, die nu leven, is een economisch model als dat van John Maynard Keynes ondenkbaar, maar juist dat model bracht na de Tweede Wereldoorlog tussen de jaren ’50 tot ’80 heel veel welzijn en zekerheid onder de mensen. En daarmee rust in onze samenleving, terwijl ook toen Nederland nog lang niet ‘af’ was.
Na de jaren ’80 zijn we, velen onwetend, het neoliberalisme gaan aanhangen. Het idee dat wanneer de rijkste bedrijven en mensen tevredengesteld worden hun tevredenheid doorwerkt naar de onderste lagen van de bevolking (Trickle-down). Ons huidig economisch model maakte mogelijk dat bijna 40 jaar later de 31 rijkste Nederlanders dit jaar hoogstwaarschijnlijk 10% rijker afsluiten: samen bezitten zij volgens Quote € 179.800.000.000 en het afgelopen jaar kwamen er in Nederland 6 miljardairs bij. Tegelijk is een record gebroken wat betreft de protesten in Nederland wegens onderbetaling, personeelstekorten en gebrek aan waardering (lees: beloning & secondaire arbeidsvoorwaarden). Op wereldschaal is het leed dat mensen elkaar aandoen, èn de wereld als leefomgeving, getuige bijvoorbeeld de toename van aantallen vluchtelingen, mensen die huis en haard verlaten, en de vlotte kap van tropich regenwoud om de ondergrond te exploiteren niet te beschrijven.

Maar voor mij was het zondermeer een uitstekend jaar. Straks ga ik mijn jaarlijkse oliebollen bakfestijn in de keuken houden, waarna ik hem weer helemaal schoon zal gaan maken. Dit is een mooi moment voor mij even persoonlijk terug te blikken. Ik beschikte ook in 2019 gelukkig over een fijne, betrouwbare vriendenkring, die mij desgevraagd met raad en daad bijstond. En ik hen waar ik kon. Mijn volleybalteam ervoer ik als een wekelijks feestje. Met de wisselende mensen in mijn huis kon ik het ook steeds weer goed vinden. Even dacht ik afgelopen jaar de Ware gevonden te hebben, maar helaas bleek mij dat slechts in potentie juist; deze Ware was haar eerder opgelopen psychische beschadigingen nog niet te boven gekomen. Toch had ik dat gevoel haar gevonden te hebben niet willen missen. Ik heb veel plezier aan en in mijn werk gehad en ik ben trots op wat ik er bereikt heb. In een van mijn twee banen hebben we zelfs een ware bestuurscrisis overwonnen. Met die ene baan ben ik nog niet klaar, dus daar ga ik nog 9 maanden mee door. Dan hoop ik mijzelf overbodig gemaakt te hebben. Ik genoot van een topvakantie in de Dolomieten en ik heb herinneringen aan een bijzonder stel fijne dagwandelingen, museumbezoeken en andere vakanties dichterbij. Soms ging ik alleen op stap en andere keren met anderen. Mijn best gezonde leefstijl helpt me mijn lichamelijke en mentale conditie op orde te houden. Wel schrok ik in december even van een uurtje lichtflitsen in mijn linkeroog waarna ik er een pikzwart vlekje in waarnam; dat is in mijn waarneming een soort grijze druppel geworden. Die ‘druppel’ is nog niet weg. Hoogstwaarschijnlijk is het een onschuldig ouderdomskwaaltje dat met mouches volantes aangeduid wordt, wist een vriendin me te vertellen. Financieel en door acte de présence te geven maak ik me sterk tegen sommige vormen van wat in mijn ogen onrecht is. Tenslotte mag hier niet ontbreken dat ik dagelijks veel plezier beleef aan mijn pogingen mijn cello te leren bespelen. Ik mocht het afgelopen jaar na een auditie zelfs al toetreden tot een amateur-orkest. Ook die repetitie-avonden waren voor mij een steeds terugkerend feestje.

Dan gelden er voor mij ook nog prettige vooruitzichten: financieel en materieel hoef ik mij geen zorgen te maken, vooralsnog ben ik kerngezond, mijn huidige prettige huisgenoten zullen nog wel even blijven, mijn werk, geplande en vast nog veel ongeplande ontmoetingen met vrienden en muziekvrienden, mijn cellospel waarin volgens mijn buren en docent nog steeds progressie zit, geplande en vast ook nog ongeplande museumbezoeken, dag- en stadswandelingen en vakanties. Op zijn voorstel mag ik zelfs met een zoon van mij op wintersportvakantie. En een tweede date staat voor januari in mijn agenda; wellicht met wel-de-Ware. Ook het contact met mijn belangrijkste vriend in mijn middelbare schooltijd zal in januari aangehaald worden.

Echter, last and not least laat ik mij ongemerkt steeds minder bepalen door omstandigheden en ervaar een innerlijke verzoening met het zijn wie ik ben en met de omstandigheden waarmee ik van doen heb. Hier hoef ik niet veel voor te doen; het lijkt er op dat me deze rust-in-mijn-hoofd in de schoot geworpen wordt. Mijn lijfspreuk “Wil jezelf zijn en wil niets liever dan dat” wordt steeds meer mijn leefstijl.

Bronnen: “Joseph Stiglitz: ‘We hebben luid protest nodig tegen de stille invloed van het grote geld’” door Thomas Bollen via FollowThe Monney op 28 december 2019, “Rijkste Nederlanders steeds rijker” via LinkedIn op 5 november 2019.

Aan de goede kant van de streep

Een vliegtuig laat in de helderblauwe lucht twee witte strepen achter. Ik zie het tussen twee besneeuwde bergtoppen door. Daarin zitten mensen, die andere kaartjes gekocht hebben dan ik, want ik zie het vliegtuig vanuit een stoeltjeslift. Aan mijn voeten bungelen ski’s, in mijn hand houd ik mijn skistokken vast en ik ben warm genoeg aangekleed tegen de vrieskou. Juist, ik kocht kaartjes voor een wintersportvakantie in Frankrijk.

Dagen van opstaan, ontbijten en skiën. Heel de dag laat ik me met liften de bergen opbrengen om er vervolgens vanaf te roetsjen tot er ‘thuis’ of onderweg geluncht moet worden. En aan het eind van de dag zorg ik ervoor de laatste liften naar het tijdelijk appartement niet te missen. Daarna hoeft er ’s avonds weinig meer dan wat boodschappen doen en het bereiden van een maaltijd. Ik ben samen, dus we kunnen spelletjes spelen of wat dan ook doen, of iets voor onszelf zoals nu.

De wereld zit maar raar in elkaar. Dat ik met al die andere wintersporters hier een volle week zo kan leven in een gebied dat tot “Paradiski” is omgedoopt, de mensen in dat vliegtuig, die op weg zijn naar hun nog zuidelijker bestemming, en dat weer anderen zich zoiets, als wat ik en zij daar in dat vliegtuig nu doen, nooit zullen kunnen veroorloven; misschien zelfs geen thuis hebben of geen eten.

Het is maar wat fijn om aan de goede kant van de streep te verkeren.

Stijgen, door gebrek aan gewicht

Het begon met eigenwijsheid. Daar begint verandering altijd mee. Mijn eigenwijsheid (één woord):

Mijn cellodocent (v) vond een harde koffer voor mijn cello niet nodig. De zachte hoes, die ik had, volstond. Ik hoefde me niet druk te maken over de hals van mijn cello als een laaghangende tak ertegen zou botsen. Terwijl ik op de fiets naar haar twee van die laaghangende takken passeer. Op de terugweg geen; toch vond ik het maar niets. Een beetje deuropening is ook al te laag.

Een cellovriend, een net-als-ik-leerlingcellist met wie ik elke derde week samenspeel, had een mooie harde koffer gekocht. Daar kon ik goed mee fietsen. Die wilde ik ook. Ik wilde zelfs dezelfde mooie geborsteld blauwe kleur. Eigenwijze ik bestelde dezelfde koffer via internet. Zo gaat dat tegenwoordig.

In afwachting van de bezorging zocht ik stikkers uit om mijn koffer te onderscheiden van andere cellokoffers. Zo zet ik, uit vroegere orkestervaring wijs geworden, ook altijd een teken op al mijn bladmuziek. Mijn koffer werd bezorgd, ik beplakte hem bescheiden en ik werd een ander mens. Onverwacht voelde ik me ineens een cellist-in-de-dop, zoals een kind zich in een piratenpak piraat kan voelen.

Niet veel later gaf ik mij op bij een amateur-orkest. Als ik mijn cello goed mee kan nemen, vergroot dat mijn mogelijkheden en ik oefen om te leren samenspelen; niet om te oefenen. Vanavond had ik, na wonder boven wonder een auditie ‘overleeft’ te hebben, alweer mijn vijfde repetitieavond. De eerste avond dat ik haast alles mee kon spelen. Aan sommige hoge noten ben ik nog niet toe, dus dan zwijgt mijn cello; enkele loopjes gaan zo snel dat ik mijn behendigheid eerst nog verder moet ontwikkelen, één stuk dat in driekwartsmaat geschreven is (3 tellen, zoals ook in een wals), speelde ik telkens de tweede tel niet, waardoor ik de rest wel helemaal mee kon spelen. Slechts één keer klaagde de dirigent (v) vanavond over de zuiverheid van de cellisten. Wij alle vier wisten dat alleen ik me dat beklag aan moest trekken. Dat deed ik, en ik speelde monter en meer geconcentreerd op mijn vingerzetting door.

Tijdens de repetitie sprak ik met een medecellist (v) af om de komende tijd eens, net als met mijn cellovriend, duetjes te gaan spelen. Zo rol ik sinds de aanschaf van die koffer van het ene muziekavontuur in het andere.

Hoewel iets in mij ook wel opgezien had tegen deze repetitieavond, overweegt achteraf een gevoel van Wat leuk om aan dit geheel bij te mogen dragen; Mijn partijtje mee te strijken en te tokkelen. Heel anders dan op de heenweg, voel ik me voldaan. En verschillende melodiën, die we vanavond repeteerden, ‘hoor’ ik nog in mijn hoofd.

Wat mijn lol nog ‘ns extra vergroot, is dat ik – door feitelijk te vroeg aan een orkest deel te nemen – met sprongen vooruitga. De dirigent had dat in haar overweging meegenomen toen ze me na mijn auditie toeliet.

Dit alles roept nu een ervaring op uit mijn geheugen, een leerervaring uit het begin van mijn muzikale leven: door samen op een feitelijk te hoog niveau aan concoursen deel te nemen, konden we een enkele keer boven ons eigen niveau presteren.