Wir waren wieder zusammen (um Musik zu machen)

Toen het woensdagavond donker begon te worden, vertrok ik op de fiets met mijn cello in een koffer op de rug. Bij de Woudkapel in Bilthoven ontmoette ik enkele medemuzikanten. Buiten wachtten we totdat degenen, die al naar binnen gegaan waren, hun handen ontsmet en zichzelf geregistreerd hadden. Nadat ik dezelfde procedure gevolgd had, zocht ik in de kapel mijn plaats: twee stoelen met een briefje met mijn naam erop.

We waren weliswaar met 4 van de 5 cellisten, maar slechts met 3 fluitisten, even zoveel violisten, 2 klarinettisten, de pianist (v); kortom zo’n beetje de helft van de circa 30 muzikanten. Corona-angst, vakantie en daadwerkelijke ziekte waren er de oorzaak van dat we met zo weinig waren. Vanwege corona vervalt de in november geplande muziekuitvoering, werd ons verteld.

Na het stemmen van onze instrumenten begonnen we met de bewerking van een aria, die Johann Sebastian Bach in 1718 gecomponeerd heeft. “Bist du bei mir, geh ich mit Freuden Zum Sterben und zu meiner Ruh…” We moesten wennen aan het spelen in de kerkzaal van de Woudkapel. Normaal spelen we er in een zaal, waar we dicht op elkaar zitten. Nu hadden we stuk voor stuk alle ruimte, waardoor ik mijn eigen instrument beter hoorde dan anders, maar de aanwijzingen van onze dirigent (v) wat minder goed. Ik vond het een feestje om hier inmiddels na een half jaar weer samen met zoveel andere instrumenten en partituren muziek te maken.

In de pauze werd ons verzocht een voor een achter, aan een tafel, iets te drinken te halen wanneer niemand anders dat deed, en minstens anderhalve meter afstand van elkaar te houden.

Daarna vervolgden we met een bewerking van de Boléro, die Maurice Ravel in 1928 heeft gecomponeerd. Daaraan heb ik nog een bijzondere herinnering. Oververhit arriveerde ik ergens rond 1986 op weg naar Spanje na een flinke klim onder de brandende zon in Marlet, een laatste dorp in een dal dat in de Franse Pyreneeën ligt. Ik trad een donker etablissement binnen, toen juist die Boléro opgezet werd. Met het aanzwellen van de muziek ontwaarde ik steeds meer mensen in dat café. Aan het eind van het stuk voelde ik me weer de oude en zag ik weer normaal. Maar goed, dat was toen, en zo repeteerden we woensdagavond 6 muziekstukken van nog levende en overleden componisten om daarna, ik vrolijk en voldaan, weer op te breken. Op de terugweg was het nog even spannend in het pikkedonker met mijn cello op de rug over een hobbelig bospaadje om een slagboom heen te fietsen, maar de kop is eraf. We hebben weer gerepeteerd en dat we voorlopig geen uitvoering zullen geven, maakt mij niets uit.

Twijfels

Afgelopen maandagavond zou ik rond acht uur vertrekken naar de Dolomieten. Ik zou met mijn auto gegaan zijn. Naast mij een doos met cd’s en cassettebandjes om in de stilte van de nacht naar te luisteren. Achterin zou ik mijn rugzak gelegd hebben met alles om direct de bergen in te gaan. En een tafel en stoeltje voor als ik uit de bergen zou komen, want mijn gewoonte is, voor ik de terugreis aanvaard, eerst weer op krachten te komen op een gewone camping.

Twijfel over heel deze onderneming noopte mij om er nog even vanaf te zien. Ik ben op het moment te onevenwichtig voor zo’n reis, wat misschien samenhangt met de zevende neurofeedback-sessie van de maandag daarvoor. Ik kom er niet aan toe mijn plannen goed voor te bereiden en twijfel om ten zuidwesten van Bolzano de mij iets bekendere Dolomieten in te gaan, of juist naar een heel nieuw gebied ten oosten van Trento. Dat veel campings en hotels in Noord-Italië dicht zijn en er per regio andere regels gelden om Covid-19-besmetting tegen te gaan, doet mij afvragen hoe verantwoord het is om juist nu naar de Dolomieten te gaan en daarvoor ruim 1.000 km door Duitsland, Oostenrijk en Italië heen en weer te gaan rijden. Ik vraag me af wat te doen wanneer ik op de terugweg vanwege Corona-maatregels Oostenrijk of Duitsland niet meer in mag. En hoe groot is de kans achteraf verplicht enige tijd in quarantaine te moeten? Ik heb geen zin mijn spullen in te pakken en de warmte van de afgelopen dagen helpt me daar ook niet bij. De warmte maakt mij loom en moe, zeker als ik even niets hoef.

Maar misschien heb ik een onbewust voorgevoel dat het domweg onverstandig is om te gaan, om een of ander onheil te voorkomen, bijvoorbeeld een verkeersongeval.

Ik geef toe aan mijn onzekerheden. Dat heb ik altijd gedaan. Het is niet erg om plannen te laten varen. Door iets niet te doen, ontstaan mogelijkheden voor iets anders. Zal ik mijn huis gaan schilderen? Mijn garage, die ik als schuur gebruik, eens goed opruimen? Daar was ik al aan begonnen. Een vriendin heeft me onlangs zelfs geholpen foto’s te maken van wat anderen eventueel nog zouden kunnen gebruiken. Of, als het wat koeler is, mijn tweede zolder eindelijk eens goed opruimen? De eerste heb ik wel opgeruimd, maar in die tweede ligt nog allerlei spul onaangeroerd sinds ik negen jaar geleden hierheen verhuisd ben. Of zal ik toch maar een zwembad aanleggen in mijn tuin, want dat zal met de toekomstprognoses een uitstekende investering zijn, naast een airco voor mijn huis?

Weer thuis

Het voelt een rijkdom eigen domein te bezitten
Om zonder voorbespreking te kunnen doen en laten
Hoewel jammer weer muren te moeten witten
kan ik weer overal zijn waar zij steeds zaten

want m’n huisgenoten wonen nu elders in het land
Een uit elkaar geschroefd bed staat in de gang
Sopje hier en stapels wasgoed in een mand
Ze bleven ook dit keer mij nèt iets te lang

Mijn huis, ik blijk aan bijzonderheden zeer gehecht
Ik her-ontmoet het nu ik ’t leeg heb teruggevonden
Ik kijk geen tv, dus digitenne heb ik opgezegd,
Cello en stoelen terug naar waar ze eerder stonden

Het zal ze goed gaan, voorlopig verderop verblijven
Zo leven zij in hun wereldje van hop naar her
Ik mis mijn familie, mijn land blijft mij beklijven
maar hier wil ik zijn, al is het ver, en veel te ver.

Hoewel jammer weer muren te moeten witten
kan ik weer overal zijn waar zij steeds zaten
Heerlijk mijn eigen wereldje zo te gaan bezitten
Thuis
……….Te kunnen doen en er geruisloos ook te laten

Nooit klaar komen

Zo langzamerhand begin ik het idee te krijgen dat er slechts weinig nieuws onder de zon verschijnt. Er gebeurt veel, maar er verandert uiteindelijk weinig; laat staan ten goede. Wat nu bepleit wordt aan verbeteringen, zoals de verkoop van repareerbare duurzame producten, was vroeger soms de norm. Niet dat alles beter was; vroeger had ik ook stevige kritiek op de hypocrisie van degenen met invloed op de loop der dingen. Maar toen had ik nog de hoop dat we met elkaar iets wezenlijks konden veranderen. Dàt is het verschil met nu. Nu zie ik dat we tot nu toe uiteindelijk met elkaar in de greep van egoïsme, hebzucht en zelfzucht zijn gebleven; ons kortzichtig consumentisme. En ik raak van ellende, zelfs als die door onze eigen overheden veroorzaakt wordt, steeds minder geschokt. Er treedt bij mij een zekere gewenning op.

Steeds vaker zie ik hedendaagse ontwikkelingen als oude wijn in nieuwe zakken. Steeds vaker zie ik bevestigd dat ons doen en laten, onze omgang met elkaar, ons hele staatsbestel niet gefundeerd is op principes als artikel 1 van onze grondwet en al evenmin op een andere wijze van ethisch denken. Het was “wij tegen zij”, waardoor per definitie ingegaan wordt tegen dat artikel. En het is “wij tegen zij” en dat zal het nog wel even blijven in een samenleving waar de overheid de zwakkeren niet tegen de sterkeren beschermd; een overheid die als zij niet in de macht is van, zich sterk laat beïnvloeden door grootbanken en grootbedrijven, een overheid die zelf zelfs de afdracht van vennootschapsbelastingen bij sommige van haar instituten ontwijkt.

Het cement in de voegen tussen de bakstenen, waaruit heel onze samenleving is opgebouwd, is verpulverd als het ooit al meer was dan droog zand.

Het zal de leeftijd wel zijn.

Nee, dit alles overziend blijkt volgens mij vooral dat we als mensen nooit klaar komen. Misschien wel in bed, maar net als de boer, die voort blijft ploegen, net als de hoogleraar, die zijn vakgebied altijd blijft bijhouden, net als een musicus, die altijd blijft studeren, zo is ook de mens met (andere) idealen nooit klaar.

Eén keer net zo verstandig als een ezel

Onlangs ontmoette ik een ambitieuze, mooie, haast even oude, jonge vrouw aan de Hof in Amersfoort, die wel te porren was voor een liefdesrelatie met mij. Het klikte goed, ware het niet dat ze geen wandelaar (v) is, betwijfelde of ze ooit meer zou willen dan een LAT-relatie en ze niet wist of ze ooit nog met een ander zou kunnen slapen. Of ze dan niet keer op keer wakker zou schrikken.

Het deed mij denken aan een liefdesrelatie, die ik eerder gehad had. Voor de buitenwereld waren we een stel. Zo wilde zij het en ik vond het best. Ik was na een trouwfeest-zonder-dat-we-trouwden haar man en zij was mijn vrouw. Verder was ik een vriendje. Ze had er haar redenen voor, maar dichtbij mocht ik niet komen. Totdat ik weggestuurd werd. Toen gebeurde er iets opmerkelijkst: zij werd letterlijk ziek van het afscheid, dat zij gewenst had, en ik voelde me blij en vrij.

Nee, als het al met twijfel begint, in plaats van met enthousiasme, mag de prachtige vrouw, met haar nog zo mooie levenswijze, ondernemingszin, uitstraling en zachte huid mooi en ondernemend blijven zonder mijn aandacht, liefde en tijd.

Met zo’n vrouw zou het lot me een handje geholpen hebben als we begonnen waren met een vriendschap en konden gaan meemaken wat die vriendschap ons allemaal brengen zou, waarbij de toenadering wellicht langzaam maar zeker intiemer en intiemer werd.

Maar het lot, of zij, besloot anders. Ik moest er maar mee leven dat zij is zoals ze is. Ze nam na die ontmoeting geen enkel initiatief meer en eiste mijn begrip en instemming om maar weer met – overigens gezien haar levensverhaal voor mij begrijpelijke – mitsen en maren aan een liefdesavontuur te beginnen.

Mij niet gezien. Ik neem haar zoals ze is, maar ik ga niets met haar aan omdat haar lonkend vooruitzicht het mijne nu niet is. Zo schijt de duivel misschien voor haar wel op één hoop en handel ik één keertje net zo verstandig als een ezel.

De fikse uitdaging voor ieder mens

Gaat het in onze levens om het zijn of gaat het om het goede?

In het begin van onze levens, in de kindertijd, gaat het om het zijn. Een baby is. Niet meer en niet minder. Het past zich aan aan alle omstandigheden. Het zet het op een brullen bij ongemak, doet wat het doet met toewijding en kirt soms van tevredenheid.

Op een zeker moment, wanneer de hersenen tot wasdom komen, wordt een kind steeds meer een sociaal wezen in zijn leefomgeving. Hij gaat vanuit de eenheid, die hij met zijn moeder vormt, gaandeweg verbintenissen met anderen aan en andere juist uit de weg. Verbintenissen, die te zijner tijd de binding met zijn moeder ook losser kunnen maken, zoals een band met zijn vader, maar een kind gaat ook met andere hem welgevallige mensen verbintenissen aan. Geleidelijk ontwikkelt hij voorkeuren; sympathie en antipathie. Hij blijft het centrum van zijn wereld, maar ontwikkelt van lieverlee voor zijn begeertes en zelfbehoud broodnodige oordelen.

De oordelen van anderen, zullen op een bijzonder moment gaan botsen met zijn eigen ontwikkelde wereldbeeld. Sterker, op een zeker moment zal het zich ervan bewust worden dat zijn oordelen stuk voor stuk discutabel zijn; dat alle resultaten van de ontwikkelde oordeelsvorming ter discussie staan. Dat sommige van zijn waarheden zelfs beschamend zijn. Vanaf dat moment gaat het in ons leven langzaam maar zeker niet meer om zijn maar om het goede. Om het goede doen, om precies te zijn. Zelfs zelfbehoud kan sindsdien ten behoeve van een ander, impliciet hoger geacht doel opgeofferd worden.

Wanneer we op deze wijze uit ons Paradijs gevallen zijn en ons leven niet meer om zijn draait, komen we er tegelijk achter dat we niet in Utopia beland zijn. Er zijn veel anderen en evenzoveel losse schroeven waarop ons wereldbeeld gebaseerd is. Er is ook veel leed.

Anders dan toen ons leven om zijn-in-het-hier-en-nu draaide, neemt nu de hoop op beter, op minder lijden, op mooier en op zintuiglijk genieten een plaats in in ons leven. Om hoop bewaarheid te laten worden, moeten we het goede gaan doen. Het goede voor wie? Het goede voor iedereen, omdat we sociale wezens zijn. Dat komt er in de praktijk op neer dat het goede is om naar beste kunnen het leed van anderen te verzachten, waardoor we een ietsepietsie dichterbij Utopia komen. Dat we een iets eraan bijdragen een wereld te creëren, waarin voor iedereen plaats is, waarin iedereen wel zou willen wonen.

Per definitie wil ik wonen in een wereld waarin iedereen wil wonen. Vandaar dat het in het leven, zodra we besef hebben van het ter discussie staan van al onze bevindingen, om het goede gaat. We maken deel uit van en hebben invloed op onze omgeving. We kunnen de ander ondersteunen waar mogelijk, we kunnen hem negeren en we kunnen hem disciplineren of breken. Vanwege deze ongevraagde verantwoordelijkheid voor de ander, we zijn inmiddels immers van kinderen uitgegroeid tot handelingsbekwame, sociale volwassenen, draait het leven er nu alleen nog om het goede te doen.

Feitelijk is het met ons nog heftiger gesteld: …om het goede gedaan te hebben. Ondanks goede bedoelingen kunnen we nog altijd bewerkstelligen de wereld, onze omgeving, verder van Utopia te doen verwijderen. Daarmee zouden we onze hoop op beter ridiculiseren. Daarom telt wat we gedaan hebben op basis van het resultaat, waardoor we in de praktijk vechten tegen de bierkaai en ook nog eens altijd te laat zijn. Dàt is – volgens mij – de betekenis van elk mensenleven; het goede gedaan hebben voor de ander, of niet het goede gedaan hebben.

Ik schreef dit zojuist na het doornemen van het boek “De ander in ons; Emmanuel Levinas in gesprek: een inleiding op zijn denken”, en met name daarin het interview met Rudy Visker, als hoogleraar verbonden aan het Hoger Instituut voor Wijsbegeerte in Leuven, (2008) door France Guwy, uitgegeven door Uitgeverij SUN in Amsterdam.

Iets gemeenschappelijks

In het zonnetje tussen de buien door op een Utrechts terras vroeg een van mijn kinderen me gisteren wat ik dacht van de anti-racisme-demonstratie, die eergisteren op het Jaarbeursplein had plaatsgevonden; of ik eraan deelgenomen zou hebben als ik ervan had geweten. Ik antwoordde dat ik benieuwd ben wat de demonstranten beogen; je kunt immers ook voor mooier weer of een betere wereld demonstreren. Waar zijn de demonstranten concreet op uit?

Overigens hebben de anti-racisme betogers mijn sympathie. Ook al zouden deze wereldwijde demonstraties als stok dienen om een andere hond mee te slaan: we demonstreren tegen racisme door de politie, maar zijn eigenlijk tegen het asocialisme van Donald Trump en zijn republikeinse partij, tegen ongelijkheid in het algemeen, of tegen de vooringenomenheid van de gevestigde orde in ons eigen land.

Wat ik bedoelde met mijn reactie, is dat ik het vanzelfsprekend vind om racisme te verwerpen, maar dat vind ik een open deur. Geen weldenkend mens, dat ervoor uitkomt apartheid te omarmen. Dàt zullen we in 2020 toch al wel bereikt hebben (of is het nòg erger met de mensheid gesteld dan ik denk?). We kwamen er na even praten op uit dat we beiden racisme verwerpen, maar dat we ons niet bewust zijn van het onbewuste racisme waar we ons ongetwijfeld ook schuldig aan maken. Hoe betreurenswaardig en verwerpelijk ook, racisme is van alle tijden.

We kwamen er ook op uit dat we beiden van ‘de hoop’ zijn. De hoop op een betere wereld. Vertrouwen in mensen, die toch feitelijk nagenoeg altijd proberen het juiste te doen. Voor mij is die betere wereld een pacifistische wereld. Ik roep altijd al, sinds de vervulling van mijn militaire dienstplicht en mijn daarop volgende – toegekende – beroep op de wet gewetensbezwaren militaire dienst, dat elke nieuwe wet volgens mij getoetst zou moeten worden aan de vraag of die wet pacifisme dichterbij brengt. Elke dag zouden we al doende vandaag stappen zetten naar een rechtvaardiger inrichting van de wereld, ongeacht of en zo ja, wanneer pacifisme of mondiale rechtvaardigheid binnen handbereik komt. Dan doen wij nu het juiste, in plaats van onrecht in stand houden of verergeren.

Door mijn voorsprong van zo’n 30 jaar op mijn kinderen, heb ik mijn hoop op een vreedzame wereld steeds meer zien vervliegen. Het neoliberalisme heeft sinds de 80-er jaren veel van de vruchten van 30 jaar Keynesianisme teniet gedaan. En de marktwerking, die in combinatie met een tandeloze overheid voor alle maatschappelijke problemen als oplossing werd gepresenteerd, heeft het lijden van mensen over de hele wereld, zoals ook in ons eigen land, verergerd. En dat terwijl enkelingen, de 1%, daarmee materieel over de ruggen van de aarde, miljoenen dieren, het klimaat, miljarden mensen en even zoveel planten (zoals die in oerbossen) een rijkdom vergaarden, die soms groter is dan sommige landen voor al hun nutsvoorzieningen te besteden hebben. Mijn sombere grondtoon, zeg maar mijn zwartgalligheid, is terug te herleiden tot deze vervlogen hoop.

Anti-racisme is wat mij betreft een van de vele pijlers onder een wereld waarin we ons bewust zijn van en schamen voor het lijden van de ander. Door zo’n bewustzijn kunnen we vervolgens ons uiterste best doen om onze invloed op de gang der dingen ertoe aan te wenden het lijden van de ander en onszelf tot minima te beperken, in plaats van er collectief onze respectieve hoofden voor in het zand te blijven steken.

Het lot van de mensheid is in handen van wereldverbeteraars

Het in de steek laten van zo’n beetje alle Afrikanen, armoede, belasting-ontwijking door aan onze overheid gelieerde bedrijven, gefaciliteerde belasting-ontwijking in Nederland, beleidsmacht die door grootbedrijven in Nederland en in de Europese Unie wordt uitgeoefend in weerwil van democratische principes, het onrecht dat het neoliberale D’66 mensen pleegt aan te doen, gebrek aan menslievend beleid binnen het al even neoliberale CDA, CETA, de boter op het hoofd van de coalitie, geweld & onrecht dat wij – door het veilig stellen van ons feestje hier te lande – anderen elders in de wereld aandoen, honger, onrecht in het algemeen, het apartheidsbeleid van de Israëlische regeringen sinds 1948, het asociale gehalte van de neoliberale PvdA, TiSA, TTIP, Trump, voedselbanken in rijke landen, de minister-president en zijn immorele en neoliberale VVD, welvaart in relatie tot welzijn. Dat zijn onderwerpen die hier regelmatig door mij aan de orde gesteld worden.

Wanneer we willen dat een ongedefinieerd wij zich handhaaft

Een terecht verwijt aan mijn stukjes is wellicht dat ik weinig aandacht schenk aan de geneugten, die ik (en wij) dagelijks genieten door ons gedrag dat zich niet gebaseerd weet op ethiek maar op een overvloedige mate van zelfbehoud. Met dat waarschijnlijk terechte verwijt kan ik weinig, omdat ik mij als inwoner van Nederland ondanks allerlei bevoorrechting juist daardoor vaak medeplichtig weet aan wan-gedragingen van een samenleving die in mijn ogen op een aantal essentiële punten niet deugt. Knechting, machtsmisbruik en uitbuiting van anderen waardoor we ons tot een van de meest materieel rijkste samenlevingen op aarde kunnen rekenen, al is onze rijkdom dankzij 40 jaar neoliberalisme – met dank aan het CDA, D’66, de PvdA en de VVD – ook onderling steeds onrechtvaardiger verdeeld. Arm in onze moraal, maar het is hier best veilig wanneer je je weet te handhaven. “Je maintendrai” staat passend geschreven onder de Nederlandse leeuw.

Toch zou ik liever deel uitmaken van een geestelijk hoogstaandere samenleving, bestaande uit mensen die omkijken naar elkaar en zich zorgend opstellen voor vreemden die (ook) lijden onder corruptie, de elementen, maatschappelijk onrecht, oorlogs- en/of natuurgeweld. Als kind had ik al sympathie voor primitieve Indiaanse stammen wanneer die volgens mij ethisch hoogstaand met elkaar en met hun vijanden probeerden om te gaan.

Hoopgevend is mij lange tijd het gegeven geweest dat veel landen de Universele Verklaring van de rechten van de mens in 1948 (en daarna) hebben ondertekend. Nog steeds draag ik de Verenigde Naties een warm hart toe en het verdriet me dat haar invloed beperkt blijft tot de bedragen die we bereid zijn aan haar projecten te doneren. Bedragen die altijd ontoereikend zijn om de koeien echt bij hun horens te pakken.

Wanneer we ons als mensheid willen handhaven

Ik vermoed een besef dat de wereldorde verandert, wanneer de gekoeioneerden en rechtelozen van nu behandeld zouden gaan worden als naasten. Mij doet dat verdriet, al zouden de gevolgen van mijn gewenste pacifistisch socialistische aanpak voor ons misschien wel desastreus zijn. Hoewel, ik ben helemaal niet tegen zelfbehoud, maar ik zie de wereld en onze benadering ervan als zoektocht altijd het juiste te doen, met het besef dat we tekort zullen schieten. Dat we ons dus blijvend zouden moeten beijveren zelfs het onrecht, dat we met de beste bedoelingen plegen, te beperken tot het werkelijk onvermijdelijke. Ik zou haast zeggen ‘het hoognodige onrecht’.

Helaas leef ik daarentegen in een wereld waar men het onrecht, waarmee ik dit stukje begon, onder het tapijt pleegt te vegen. Helaas blijven de meesten hier graag dansen op de voor zovelen ondergaande planeet. Is het niet door natuurkrachten, dan wel door wat anderen en met name ook wij hen gewetenloos – en soms zelfs met best menselijke bedoelingen maar met onmenselijke gevolgen – direct en indirect aandoen.

Wanneer we het belangrijker blijven vinden dat een ongedefinieerd ‘wij’ zich ten koste van wat het kosten moet handhaaft, zal het helaas waarschijnlijk wel blijven gaan zoals het altijd al gaat.

Ik, daarentegen, vind het fijn dat er nog altijd idealisten zijn, die onrecht aan de kaak stellen en op grotere schaal en/of op kleinere schaal de wereld wèl mooier proberen te maken; die proberen om steeds het moreel-juiste te doen. Wanneer we ons als mensheid willen handhaven, is het lot in handen van deze wereldverbeteraars.

Jaap Fischer alias Joop Visser

“Joop Visser en Jessica van Noord”. Toevallig had ik het het vorig weekend nog over hen. Wie van schurende teksten houdt en even tijd heeft, kan hier 21 liedjes van hen horen. Het zijn niet eens de beste teksten van Jacob Herman Frederik (Jaap) Fischer, die sinds 18 april jl. 82 jaar oud is, maar hoe zou je zijn beste liedjes moeten vinden? Vanaf 1961 schreef hij zoveel herkenbare en onder de huid kruipende teksten, zoals een van zijn eerste: “Het ei”:

Ik kocht een ei. De melkboer zei:
’t komt zo onder de kip vandaan.
‘k ben nog te laat van huis gegaan om het mee te kunnen nemen.
Hier heeft u een jong leven, voor 16 cent of meer
en namens de ouders smakelijk eten meneer.

Het lag nog warm te leven in m’n hand.
Ik mikte reeds, zorgvuldig op de harde hete rand
van de pan en ik kon de geur al ruiken
van dit al te vroeg geremde kuiken.
Toen het ei zei, het ei zei:
denk eens dat het een jongetje is dat je hier gaat staan te bakken.
Denk eens dat het je broertje is dat zacht sist in de pan.
Denk eens dat ie verkrampt uit angst de rand probeert te pakken
en dat ie dan terug in de boter glijdt. Wat dan, wat dan?

Ik rolde het zorgvuldig in een deken.
En heb toen zelf 2 weken liggen wachten op iets moois.
Slechts verwarmd door een hoop slechts verwarmd door een laken tot het ei begon te kraken.
En het kuiken zei, het kuiken zei:
Haha het was geen jongetje dat je had willen bakken.
Haha het was je broertje niet dat in de pan was gegaan.
En ik had me weer voor de zoveelste keer door een kuiken laten verlakken,
maar de volgende dag at ik rijst
met hele jonge kip of haan.

Ik vind zo’n beetje al zijn liedjes pareltjes en ik heb bij mijn weten al zijn cd’s gekocht om ze af en toe, bijvoorbeeld tijdens het autorijden, nog eens te beluisteren.
Klik hier voor deze 21 willekeurige laatste teksten, die door een zekere Paul Koene op YouTube gezet zijn, te beginnen met hoe zij Chantal Janzen, Dan Karaty en Gordon Heuckeroth in ‘Holland’s got Talent’ in de maling nemen.

Aangezien leraar maatschappijleer en Nederlandstalig troubadour Jaap Fischer, alias Joop Visser, zich niet aangesloten heeft bij de auteursrechtenorganisatie Buma/Stemra (dit vind ik een leuk trekje van hem), zijn zijn liedjes weinig op radio of TV te horen geweest; ze moeten apart met hem afgerekend worden. De CD’s zijn weliswaar in de ‘betere’ muziekwinkels te bestellen of te koop, maar ook bij hemzelf te bestellen. Klik hier voor zijn CD- en boekenaanbod.

“Het ei” plukte ik van www songteksten nl.

We moeten het stuk voor stuk met één lichaam doen

Coronadreiging of niet, ik ben weer aan het vasten; mijn jaarlijkse vastenkuur. Ook al behoor ik vanwege mijn leeftijd tot een risicogroep. Aan Carnaval doe ik meestal niet zoveel. Ik zou er graag aan meedoen wanneer ik in een omgeving woonde waar het Carnaval uitbundig gevierd wordt, zodat ik tijdens het Carnaval allerlei vrienden en zelfs vage kennissen zou tegenkomen. Aan Pasen doe ik nog minder. Sinds mijn kinderen het huis uit zijn, koop ik geen broedende kippen of paashazen meer en als ik al eieren zou verstoppen dan zou ik ze zelf weer op moeten zoeken. Nee, ik bewaar mijn eieren ook met Pasen in de koelkast. Maar in de vastentijd, die met Carnaval begint en met Pasen eindigt, vast ik steevast ongeveer 2 weken. Ik doe dat om mijn lichaam te reinigen. Ik denk ook dat de vastentijd vanuit een cultus voortkomt, die ontstaan is omdat het een gezonde gewoonte is. Net als dat eetfeesten als Kerstmis, Sinterklaas en Sint-Maarten rituelen zijn om vòòr de winter aan te sterken. Het vasten levert me na even vaak een helder voelen en soms nieuwe inzichten.

Mijn vasten begint voor mij altijd met een papieren voorbereiding. Die bestaat uit het bijtijds zetten van een streep in mijn agenda, zodat ik in die periode geen eetafspraken maak. Verder schaf ik mij sappen aan, die van mij wel gedronken mogen worden. Mijn lichaam krijgt zo wel de benodigde voedingstoffen, zij het als drank. Mijn vastentijd bestaat er dus uit dat ik niets eet, zodat mijn spijsverteringsstelsel zich leegt en zoveel mogelijk tot rust komt.

Wanneer mijn vasten begint, stop ik abrupt met eten. Ik ben niet van het ‘afbouwen’. Meestal start ik met vasten op een ochtend, zodat ik als ontbijt mijn eerste glas bietensap, groentensap of wortelsap drink. Daarna houd ik als gewoonte aan driemaal daags zo’n glas sap te drinken, als vervangend ontbijt, lunch en diner, en verder drink ik dan alleen water. Dit jaar startte ik na een normaal ontbijt en, om niet teveel te verzwakken, sta ik mijzelf toe tussendoor ook chocolademelk of druivensap te drinken.

De eerste en derde dag zijn voor mij altijd het zwaarst. De eerste dag moet ik er na verloop van tijd aan wennen niets te eten. De verleiding, om tegen het eind van de dag mijn trek te stillen, moet ik dan weerstaan. De tweede dag is voor mij meestal weinig bijzonder. De derde dag voel ik duidelijk dat mijn lichaam vast eten ontbeert. En daarna is het sapvasten voor mij meestal ‘een eitje’.

Ik heb het gevoel dat mijn lichaam een eigen geheugen heeft. Het vasten wordt in elk geval met de jaren steeds gemakkelijker.

Ik blijf altijd tijdens het vasten alles doen en proberen wat ik anders ook gedaan zou hebben. Activiteiten zoals dagwandelingen, afspraken, hobby’s zoals volleybal en werk gaan gewoon door en dat gaat altijd goed. Ook dit jaar, maar nu valt het vasten samen met een soort van afgedwongen retraite, die we in mijn geval een ‘tamelijk lege agenda’ noemen.

Alleen bij plotselinge krachtsinspanningen merk ik dat ik snel door mijn reserves ben. Die gaan me na een week vasten niet meer goed af. Als ik een hoop trappen oploop – ik neem sowieso zo min mogelijk liften of roltrappen – dan kom ik tijdens het vasten mezelf wel tegen. Dat is zo’n plotselinge krachtsinspanning, waardoor ik dan bijna misselijk wordt, net als wanneer ik even flink doorfiets om een groen licht te halen. Of op de fietsen een forse tegenwind heb.

Mijn lichaam gaat na even vasten vanzelf over op het verteren van vetten. Die hebben we natuurlijk overal. Mijn buik valt in elkaar, mijn gezicht wordt beniger, overal valt mijn lichaam af en mijn stoelgang stopt. Op een hard oppervlak liggen of zitten wordt gevoeliger. De tweede week moet ik altijd toch weer naar het toilet om keutels uit mijn lichaam te verwijderen. Dat zijn uitwerpsel als van een konijn, maar dan groter. Wanneer dat achter de rug is, verklaar ik mijn lichaam als gereinigd. Mijn vastendoel is dan bereikt. Dan ga ik toch nog een paar dagen door met sapvasten, om mijn darmen eens een beetje rust te gunnen.

Dit jaar ben ik van plan – bij toeval – na Palmpasen te stoppen. Dan heb ik bijna 15 dagen niets gegeten. Mijn laatste 3 ‘maaltijden’ bestaan altijd elk uit één glas laxerende pruimensap. Voor de zekerheid.

Aan ‘opbouwen’ doe ik evenmin* als aan ‘afbouwen’. Wanneer het vasten voor mij voorbij is, dan eet is alles wat ik wil in het besef dat ik tot de uitverkorenen op aarde behoor, die zich dat kunnen veroorloven. In de 20ste eeuw stierven volgens Wikipedia (trefwoord ‘Hongersnood’) ruim 70.000.000 mensen aan hongersnood en er lijden momenteel wereldwijd 1.000.000.000 mensen onder honger en ondervoeding. Dat is 1 op de bijna 8 mensen.

Soms verandert er na zo’n vastentijd vanzelf iets aan mijn gewoontes. Eens stopte ik toen met het eten van brood, een andere keer at ik na het vasten geen ‘ongezonde koolhydraten’ (aardappelen, pasta, rijst) meer en een jaar geleden stopte ik na het vasten spontaan met alcohol te drinken. Alles met de nodige uitzonderingen wanneer ik bijvoorbeeld bij iemand anders eet of in een restaurant.

Helemaal zuiver in de leer ben ik nooit geweest, behalve met mijn vegetarisme. Gevogelte, vis, vlees, week- en zeedieren zijn voor mij al een absoluut taboe sinds mij 23ste levensjaar. Dat werd mij toen, naast mijn bezwaren tegen de bioïndustrie ook al mede ingegeven als een manier om goed voor mijn lichaam te zorgen gezien de troep die in ons vlees zit. Toen al, wat verander ik toch weinig…

Ik besef in elk geval al mijn leven lang dat ik, in tegenstelling tot wat in games gewoon is, slechts één lichaam heb waarmee ik het tot mijn dood zal moeten doen. Een goede reden er goed voor te zorgen, vind ik.

Mijn lichaam kan deze manier van vasten aan en ik ervaar hier baat bij. Dat is niet vanzelfsprekend. Wat iemand anders aankan, kan best veel meer of juist veel minder zijn. En de behoefte moet er ook maar net zijn. Echter, op een eigen manier goed voor ons eigen lichaam zorgen, is voor iedereen belangrijk, lijkt me. We kunnen dat ook haast allemaal, maar hoe bijvoorbeeld u de zorg voor uw lichaam kunt en wilt invullen, lijkt mij aan u. Met deze afsluitende zinnen wil ik duidelijk maken dat ik slechts wil laten weten hoe en waarom ik jaarlijks vast, en dat ik niemand dit wil opdringen na te doen. Goed voor jezelf zorgen, is soms juist niet doen waar een ander baat bij heeft.

_____________________
* Naschrift 6 april 2020: Noodgedwongen doe ik dit keer toch wel aan opbouwen. Dat deed ik voorheen nooit. Ooit begon ik na 17 vastendagen met twee oliebollen. Ik weet het nog goed. Ik liep over de Neude en zag de kraam staan. Ik rook de oliebollengeur en besloot terstond vandaag te gaan stoppen met vasten. Ik at er twee op een lege maag en zonder kwalijke gevolgen genoot ik ervan. Vandaag blijk ik misselijk te worden als ik teveel eet. Ik ga dan hevig transpireren en dreig om te vallen. Zittend of liggend gaat dat allemaal over. De appeltaart, die ik vandaag ging bakken, heb ik dus maar zittend klaargemaakt en ik eet nog even mondjesmaat.