Nooit klaar komen

Zo langzamerhand begin ik het idee te krijgen dat er slechts weinig nieuws onder de zon verschijnt. Er gebeurt veel, maar er verandert uiteindelijk weinig; laat staan ten goede. Wat nu bepleit wordt aan verbeteringen, zoals de verkoop van repareerbare duurzame producten, was vroeger soms de norm. Niet dat alles beter was; vroeger had ik ook stevige kritiek op de hypocrisie van degenen met invloed op de loop der dingen. Maar toen had ik nog de hoop dat we met elkaar iets wezenlijks konden veranderen. Dàt is het verschil met nu. Nu zie ik dat we tot nu toe uiteindelijk met elkaar in de greep van egoïsme, hebzucht en zelfzucht zijn gebleven; ons kortzichtig consumentisme. En ik raak van ellende, zelfs als die door onze eigen overheden veroorzaakt wordt, steeds minder geschokt. Er treedt bij mij een zekere gewenning op.

Steeds vaker zie ik hedendaagse ontwikkelingen als oude wijn in nieuwe zakken. Steeds vaker zie ik bevestigd dat ons doen en laten, onze omgang met elkaar, ons hele staatsbestel niet gefundeerd is op principes als artikel 1 van onze grondwet en al evenmin op een andere wijze van ethisch denken. Het was “wij tegen zij”, waardoor per definitie ingegaan wordt tegen dat artikel. En het is “wij tegen zij” en dat zal het nog wel even blijven in een samenleving waar de overheid de zwakkeren niet tegen de sterkeren beschermd; een overheid die als zij niet in de macht is van, zich sterk laat beïnvloeden door grootbanken en grootbedrijven, een overheid die zelf zelfs de afdracht van vennootschapsbelastingen bij sommige van haar instituten ontwijkt.

Het cement in de voegen tussen de bakstenen, waaruit heel onze samenleving is opgebouwd, is verpulverd als het ooit al meer was dan droog zand.

Het zal de leeftijd wel zijn.

Nee, dit alles overziend blijkt volgens mij vooral dat we als mensen nooit klaar komen. Misschien wel in bed, maar net als de boer, die voort blijft ploegen, net als de hoogleraar, die zijn vakgebied altijd blijft bijhouden, net als een musicus, die altijd blijft studeren, zo is ook de mens met (andere) idealen nooit klaar.

Eén keer net zo verstandig als een ezel

Onlangs ontmoette ik een ambitieuze, mooie, haast even oude, jonge vrouw aan de Hof in Amersfoort, die wel te porren was voor een liefdesrelatie met mij. Het klikte goed, ware het niet dat ze geen wandelaar (v) is, betwijfelde of ze ooit meer zou willen dan een LAT-relatie en ze niet wist of ze ooit nog met een ander zou kunnen slapen. Of ze dan niet keer op keer wakker zou schrikken.

Het deed mij denken aan een liefdesrelatie, die ik eerder gehad had. Voor de buitenwereld waren we een stel. Zo wilde zij het en ik vond het best. Ik was na een trouwfeest-zonder-dat-we-trouwden haar man en zij was mijn vrouw. Verder was ik een vriendje. Ze had er haar redenen voor, maar dichtbij mocht ik niet komen. Totdat ik weggestuurd werd. Toen gebeurde er iets opmerkelijkst: zij werd letterlijk ziek van het afscheid, dat zij gewenst had, en ik voelde me blij en vrij.

Nee, als het al met twijfel begint, in plaats van met enthousiasme, mag de prachtige vrouw, met haar nog zo mooie levenswijze, ondernemingszin, uitstraling en zachte huid mooi en ondernemend blijven zonder mijn aandacht, liefde en tijd.

Met zo’n vrouw zou het lot me een handje geholpen hebben als we begonnen waren met een vriendschap en konden gaan meemaken wat die vriendschap ons allemaal brengen zou, waarbij de toenadering wellicht langzaam maar zeker intiemer en intiemer werd.

Maar het lot, of zij, besloot anders. Ik moest er maar mee leven dat zij is zoals ze is. Ze nam na die ontmoeting geen enkel initiatief meer en eiste mijn begrip en instemming om maar weer met – overigens gezien haar levensverhaal voor mij begrijpelijke – mitsen en maren aan een liefdesavontuur te beginnen.

Mij niet gezien. Ik neem haar zoals ze is, maar ik ga niets met haar aan omdat haar lonkend vooruitzicht het mijne nu niet is. Zo schijt de duivel misschien voor haar wel op één hoop en handel ik één keertje net zo verstandig als een ezel.

De fikse uitdaging voor ieder mens

Gaat het in onze levens om het zijn of gaat het om het goede?

In het begin van onze levens, in de kindertijd, gaat het om het zijn. Een baby is. Niet meer en niet minder. Het past zich aan aan alle omstandigheden. Het zet het op een brullen bij ongemak, doet wat het doet met toewijding en kirt soms van tevredenheid.

Op een zeker moment, wanneer de hersenen tot wasdom komen, wordt een kind steeds meer een sociaal wezen in zijn leefomgeving. Hij gaat vanuit de eenheid, die hij met zijn moeder vormt, gaandeweg verbintenissen met anderen aan en andere juist uit de weg. Verbintenissen, die te zijner tijd de binding met zijn moeder ook losser kunnen maken, zoals een band met zijn vader, maar een kind gaat ook met andere hem welgevallige mensen verbintenissen aan. Geleidelijk ontwikkelt hij voorkeuren; sympathie en antipathie. Hij blijft het centrum van zijn wereld, maar ontwikkelt van lieverlee voor zijn begeertes en zelfbehoud broodnodige oordelen.

De oordelen van anderen, zullen op een bijzonder moment gaan botsen met zijn eigen ontwikkelde wereldbeeld. Sterker, op een zeker moment zal het zich ervan bewust worden dat zijn oordelen stuk voor stuk discutabel zijn; dat alle resultaten van de ontwikkelde oordeelsvorming ter discussie staan. Dat sommige van zijn waarheden zelfs beschamend zijn. Vanaf dat moment gaat het in ons leven langzaam maar zeker niet meer om zijn maar om het goede. Om het goede doen, om precies te zijn. Zelfs zelfbehoud kan sindsdien ten behoeve van een ander, impliciet hoger geacht doel opgeofferd worden.

Wanneer we op deze wijze uit ons Paradijs gevallen zijn en ons leven niet meer om zijn draait, komen we er tegelijk achter dat we niet in Utopia beland zijn. Er zijn veel anderen en evenzoveel losse schroeven waarop ons wereldbeeld gebaseerd is. Er is ook veel leed.

Anders dan toen ons leven om zijn-in-het-hier-en-nu draaide, neemt nu de hoop op beter, op minder lijden, op mooier en op zintuiglijk genieten een plaats in in ons leven. Om hoop bewaarheid te laten worden, moeten we het goede gaan doen. Het goede voor wie? Het goede voor iedereen, omdat we sociale wezens zijn. Dat komt er in de praktijk op neer dat het goede is om naar beste kunnen het leed van anderen te verzachten, waardoor we een ietsepietsie dichterbij Utopia komen. Dat we een iets eraan bijdragen een wereld te creëren, waarin voor iedereen plaats is, waarin iedereen wel zou willen wonen.

Per definitie wil ik wonen in een wereld waarin iedereen wil wonen. Vandaar dat het in het leven, zodra we besef hebben van het ter discussie staan van al onze bevindingen, om het goede gaat. We maken deel uit van en hebben invloed op onze omgeving. We kunnen de ander ondersteunen waar mogelijk, we kunnen hem negeren en we kunnen hem disciplineren of breken. Vanwege deze ongevraagde verantwoordelijkheid voor de ander, we zijn inmiddels immers van kinderen uitgegroeid tot handelingsbekwame, sociale volwassenen, draait het leven er nu alleen nog om het goede te doen.

Feitelijk is het met ons nog heftiger gesteld: …om het goede gedaan te hebben. Ondanks goede bedoelingen kunnen we nog altijd bewerkstelligen de wereld, onze omgeving, verder van Utopia te doen verwijderen. Daarmee zouden we onze hoop op beter ridiculiseren. Daarom telt wat we gedaan hebben op basis van het resultaat, waardoor we in de praktijk vechten tegen de bierkaai en ook nog eens altijd te laat zijn. Dàt is – volgens mij – de betekenis van elk mensenleven; het goede gedaan hebben voor de ander, of niet het goede gedaan hebben.

Ik schreef dit zojuist na het doornemen van het boek “De ander in ons; Emmanuel Levinas in gesprek: een inleiding op zijn denken”, en met name daarin het interview met Rudy Visker, als hoogleraar verbonden aan het Hoger Instituut voor Wijsbegeerte in Leuven, (2008) door France Guwy, uitgegeven door Uitgeverij SUN in Amsterdam.

Iets gemeenschappelijks

In het zonnetje tussen de buien door op een Utrechts terras vroeg een van mijn kinderen me gisteren wat ik dacht van de anti-racisme-demonstratie, die eergisteren op het Jaarbeursplein had plaatsgevonden; of ik eraan deelgenomen zou hebben als ik ervan had geweten. Ik antwoordde dat ik benieuwd ben wat de demonstranten beogen; je kunt immers ook voor mooier weer of een betere wereld demonstreren. Waar zijn de demonstranten concreet op uit?

Overigens hebben de anti-racisme betogers mijn sympathie. Ook al zouden deze wereldwijde demonstraties als stok dienen om een andere hond mee te slaan: we demonstreren tegen racisme door de politie, maar zijn eigenlijk tegen het asocialisme van Donald Trump en zijn republikeinse partij, tegen ongelijkheid in het algemeen, of tegen de vooringenomenheid van de gevestigde orde in ons eigen land.

Wat ik bedoelde met mijn reactie, is dat ik het vanzelfsprekend vind om racisme te verwerpen, maar dat vind ik een open deur. Geen weldenkend mens, dat ervoor uitkomt apartheid te omarmen. Dàt zullen we in 2020 toch al wel bereikt hebben (of is het nòg erger met de mensheid gesteld dan ik denk?). We kwamen er na even praten op uit dat we beiden racisme verwerpen, maar dat we ons niet bewust zijn van het onbewuste racisme waar we ons ongetwijfeld ook schuldig aan maken. Hoe betreurenswaardig en verwerpelijk ook, racisme is van alle tijden.

We kwamen er ook op uit dat we beiden van ‘de hoop’ zijn. De hoop op een betere wereld. Vertrouwen in mensen, die toch feitelijk nagenoeg altijd proberen het juiste te doen. Voor mij is die betere wereld een pacifistische wereld. Ik roep altijd al, sinds de vervulling van mijn militaire dienstplicht en mijn daarop volgende – toegekende – beroep op de wet gewetensbezwaren militaire dienst, dat elke nieuwe wet volgens mij getoetst zou moeten worden aan de vraag of die wet pacifisme dichterbij brengt. Elke dag zouden we al doende vandaag stappen zetten naar een rechtvaardiger inrichting van de wereld, ongeacht of en zo ja, wanneer pacifisme of mondiale rechtvaardigheid binnen handbereik komt. Dan doen wij nu het juiste, in plaats van onrecht in stand houden of verergeren.

Door mijn voorsprong van zo’n 30 jaar op mijn kinderen, heb ik mijn hoop op een vreedzame wereld steeds meer zien vervliegen. Het neoliberalisme heeft sinds de 80-er jaren veel van de vruchten van 30 jaar Keynesianisme teniet gedaan. En de marktwerking, die in combinatie met een tandeloze overheid voor alle maatschappelijke problemen als oplossing werd gepresenteerd, heeft het lijden van mensen over de hele wereld, zoals ook in ons eigen land, verergerd. En dat terwijl enkelingen, de 1%, daarmee materieel over de ruggen van de aarde, miljoenen dieren, het klimaat, miljarden mensen en even zoveel planten (zoals die in oerbossen) een rijkdom vergaarden, die soms groter is dan sommige landen voor al hun nutsvoorzieningen te besteden hebben. Mijn sombere grondtoon, zeg maar mijn zwartgalligheid, is terug te herleiden tot deze vervlogen hoop.

Anti-racisme is wat mij betreft een van de vele pijlers onder een wereld waarin we ons bewust zijn van en schamen voor het lijden van de ander. Door zo’n bewustzijn kunnen we vervolgens ons uiterste best doen om onze invloed op de gang der dingen ertoe aan te wenden het lijden van de ander en onszelf tot minima te beperken, in plaats van er collectief onze respectieve hoofden voor in het zand te blijven steken.

Het lot van de mensheid is in handen van wereldverbeteraars

Het in de steek laten van zo’n beetje alle Afrikanen, armoede, belasting-ontwijking door aan onze overheid gelieerde bedrijven, gefaciliteerde belasting-ontwijking in Nederland, beleidsmacht die door grootbedrijven in Nederland en in de Europese Unie wordt uitgeoefend in weerwil van democratische principes, het onrecht dat het neoliberale D’66 mensen pleegt aan te doen, gebrek aan menslievend beleid binnen het al even neoliberale CDA, CETA, de boter op het hoofd van de coalitie, geweld & onrecht dat wij – door het veilig stellen van ons feestje hier te lande – anderen elders in de wereld aandoen, honger, onrecht in het algemeen, het apartheidsbeleid van de Israëlische regeringen sinds 1948, het asociale gehalte van de neoliberale PvdA, TiSA, TTIP, Trump, voedselbanken in rijke landen, de minister-president en zijn immorele en neoliberale VVD, welvaart in relatie tot welzijn. Dat zijn onderwerpen die hier regelmatig door mij aan de orde gesteld worden.

Wanneer we willen dat een ongedefinieerd wij zich handhaaft

Een terecht verwijt aan mijn stukjes is wellicht dat ik weinig aandacht schenk aan de geneugten, die ik (en wij) dagelijks genieten door ons gedrag dat zich niet gebaseerd weet op ethiek maar op een overvloedige mate van zelfbehoud. Met dat waarschijnlijk terechte verwijt kan ik weinig, omdat ik mij als inwoner van Nederland ondanks allerlei bevoorrechting juist daardoor vaak medeplichtig weet aan wan-gedragingen van een samenleving die in mijn ogen op een aantal essentiële punten niet deugt. Knechting, machtsmisbruik en uitbuiting van anderen waardoor we ons tot een van de meest materieel rijkste samenlevingen op aarde kunnen rekenen, al is onze rijkdom dankzij 40 jaar neoliberalisme – met dank aan het CDA, D’66, de PvdA en de VVD – ook onderling steeds onrechtvaardiger verdeeld. Arm in onze moraal, maar het is hier best veilig wanneer je je weet te handhaven. “Je maintendrai” staat passend geschreven onder de Nederlandse leeuw.

Toch zou ik liever deel uitmaken van een geestelijk hoogstaandere samenleving, bestaande uit mensen die omkijken naar elkaar en zich zorgend opstellen voor vreemden die (ook) lijden onder corruptie, de elementen, maatschappelijk onrecht, oorlogs- en/of natuurgeweld. Als kind had ik al sympathie voor primitieve Indiaanse stammen wanneer die volgens mij ethisch hoogstaand met elkaar en met hun vijanden probeerden om te gaan.

Hoopgevend is mij lange tijd het gegeven geweest dat veel landen de Universele Verklaring van de rechten van de mens in 1948 (en daarna) hebben ondertekend. Nog steeds draag ik de Verenigde Naties een warm hart toe en het verdriet me dat haar invloed beperkt blijft tot de bedragen die we bereid zijn aan haar projecten te doneren. Bedragen die altijd ontoereikend zijn om de koeien echt bij hun horens te pakken.

Wanneer we ons als mensheid willen handhaven

Ik vermoed een besef dat de wereldorde verandert, wanneer de gekoeioneerden en rechtelozen van nu behandeld zouden gaan worden als naasten. Mij doet dat verdriet, al zouden de gevolgen van mijn gewenste pacifistisch socialistische aanpak voor ons misschien wel desastreus zijn. Hoewel, ik ben helemaal niet tegen zelfbehoud, maar ik zie de wereld en onze benadering ervan als zoektocht altijd het juiste te doen, met het besef dat we tekort zullen schieten. Dat we ons dus blijvend zouden moeten beijveren zelfs het onrecht, dat we met de beste bedoelingen plegen, te beperken tot het werkelijk onvermijdelijke. Ik zou haast zeggen ‘het hoognodige onrecht’.

Helaas leef ik daarentegen in een wereld waar men het onrecht, waarmee ik dit stukje begon, onder het tapijt pleegt te vegen. Helaas blijven de meesten hier graag dansen op de voor zovelen ondergaande planeet. Is het niet door natuurkrachten, dan wel door wat anderen en met name ook wij hen gewetenloos – en soms zelfs met best menselijke bedoelingen maar met onmenselijke gevolgen – direct en indirect aandoen.

Wanneer we het belangrijker blijven vinden dat een ongedefinieerd ‘wij’ zich ten koste van wat het kosten moet handhaaft, zal het helaas waarschijnlijk wel blijven gaan zoals het altijd al gaat.

Ik, daarentegen, vind het fijn dat er nog altijd idealisten zijn, die onrecht aan de kaak stellen en op grotere schaal en/of op kleinere schaal de wereld wèl mooier proberen te maken; die proberen om steeds het moreel-juiste te doen. Wanneer we ons als mensheid willen handhaven, is het lot in handen van deze wereldverbeteraars.

Jaap Fischer alias Joop Visser

“Joop Visser en Jessica van Noord”. Toevallig had ik het het vorig weekend nog over hen. Wie van schurende teksten houdt en even tijd heeft, kan hier 21 liedjes van hen horen. Het zijn niet eens de beste teksten van Jacob Herman Frederik (Jaap) Fischer, die sinds 18 april jl. 82 jaar oud is, maar hoe zou je zijn beste liedjes moeten vinden? Vanaf 1961 schreef hij zoveel herkenbare en onder de huid kruipende teksten, zoals een van zijn eerste: “Het ei”:

Ik kocht een ei. De melkboer zei:
’t komt zo onder de kip vandaan.
‘k ben nog te laat van huis gegaan om het mee te kunnen nemen.
Hier heeft u een jong leven, voor 16 cent of meer
en namens de ouders smakelijk eten meneer.

Het lag nog warm te leven in m’n hand.
Ik mikte reeds, zorgvuldig op de harde hete rand
van de pan en ik kon de geur al ruiken
van dit al te vroeg geremde kuiken.
Toen het ei zei, het ei zei:
denk eens dat het een jongetje is dat je hier gaat staan te bakken.
Denk eens dat het je broertje is dat zacht sist in de pan.
Denk eens dat ie verkrampt uit angst de rand probeert te pakken
en dat ie dan terug in de boter glijdt. Wat dan, wat dan?

Ik rolde het zorgvuldig in een deken.
En heb toen zelf 2 weken liggen wachten op iets moois.
Slechts verwarmd door een hoop slechts verwarmd door een laken tot het ei begon te kraken.
En het kuiken zei, het kuiken zei:
Haha het was geen jongetje dat je had willen bakken.
Haha het was je broertje niet dat in de pan was gegaan.
En ik had me weer voor de zoveelste keer door een kuiken laten verlakken,
maar de volgende dag at ik rijst
met hele jonge kip of haan.

Ik vind zo’n beetje al zijn liedjes pareltjes en ik heb bij mijn weten al zijn cd’s gekocht om ze af en toe, bijvoorbeeld tijdens het autorijden, nog eens te beluisteren.
Klik hier voor deze 21 willekeurige laatste teksten, die door een zekere Paul Koene op YouTube gezet zijn, te beginnen met hoe zij Chantal Janzen, Dan Karaty en Gordon Heuckeroth in ‘Holland’s got Talent’ in de maling nemen.

Aangezien leraar maatschappijleer en Nederlandstalig troubadour Jaap Fischer, alias Joop Visser, zich niet aangesloten heeft bij de auteursrechtenorganisatie Buma/Stemra (dit vind ik een leuk trekje van hem), zijn zijn liedjes weinig op radio of TV te horen geweest; ze moeten apart met hem afgerekend worden. De CD’s zijn weliswaar in de ‘betere’ muziekwinkels te bestellen of te koop, maar ook bij hemzelf te bestellen. Klik hier voor zijn CD- en boekenaanbod.

“Het ei” plukte ik van www songteksten nl.

We moeten het stuk voor stuk met één lichaam doen

Coronadreiging of niet, ik ben weer aan het vasten; mijn jaarlijkse vastenkuur. Ook al behoor ik vanwege mijn leeftijd tot een risicogroep. Aan Carnaval doe ik meestal niet zoveel. Ik zou er graag aan meedoen wanneer ik in een omgeving woonde waar het Carnaval uitbundig gevierd wordt, zodat ik tijdens het Carnaval allerlei vrienden en zelfs vage kennissen zou tegenkomen. Aan Pasen doe ik nog minder. Sinds mijn kinderen het huis uit zijn, koop ik geen broedende kippen of paashazen meer en als ik al eieren zou verstoppen dan zou ik ze zelf weer op moeten zoeken. Nee, ik bewaar mijn eieren ook met Pasen in de koelkast. Maar in de vastentijd, die met Carnaval begint en met Pasen eindigt, vast ik steevast ongeveer 2 weken. Ik doe dat om mijn lichaam te reinigen. Ik denk ook dat de vastentijd vanuit een cultus voortkomt, die ontstaan is omdat het een gezonde gewoonte is. Net als dat eetfeesten als Kerstmis, Sinterklaas en Sint-Maarten rituelen zijn om vòòr de winter aan te sterken. Het vasten levert me na even vaak een helder voelen en soms nieuwe inzichten.

Mijn vasten begint voor mij altijd met een papieren voorbereiding. Die bestaat uit het bijtijds zetten van een streep in mijn agenda, zodat ik in die periode geen eetafspraken maak. Verder schaf ik mij sappen aan, die van mij wel gedronken mogen worden. Mijn lichaam krijgt zo wel de benodigde voedingstoffen, zij het als drank. Mijn vastentijd bestaat er dus uit dat ik niets eet, zodat mijn spijsverteringsstelsel zich leegt en zoveel mogelijk tot rust komt.

Wanneer mijn vasten begint, stop ik abrupt met eten. Ik ben niet van het ‘afbouwen’. Meestal start ik met vasten op een ochtend, zodat ik als ontbijt mijn eerste glas bietensap, groentensap of wortelsap drink. Daarna houd ik als gewoonte aan driemaal daags zo’n glas sap te drinken, als vervangend ontbijt, lunch en diner, en verder drink ik dan alleen water. Dit jaar startte ik na een normaal ontbijt en, om niet teveel te verzwakken, sta ik mijzelf toe tussendoor ook chocolademelk of druivensap te drinken.

De eerste en derde dag zijn voor mij altijd het zwaarst. De eerste dag moet ik er na verloop van tijd aan wennen niets te eten. De verleiding, om tegen het eind van de dag mijn trek te stillen, moet ik dan weerstaan. De tweede dag is voor mij meestal weinig bijzonder. De derde dag voel ik duidelijk dat mijn lichaam vast eten ontbeert. En daarna is het sapvasten voor mij meestal ‘een eitje’.

Ik heb het gevoel dat mijn lichaam een eigen geheugen heeft. Het vasten wordt in elk geval met de jaren steeds gemakkelijker.

Ik blijf altijd tijdens het vasten alles doen en proberen wat ik anders ook gedaan zou hebben. Activiteiten zoals dagwandelingen, afspraken, hobby’s zoals volleybal en werk gaan gewoon door en dat gaat altijd goed. Ook dit jaar, maar nu valt het vasten samen met een soort van afgedwongen retraite, die we in mijn geval een ‘tamelijk lege agenda’ noemen.

Alleen bij plotselinge krachtsinspanningen merk ik dat ik snel door mijn reserves ben. Die gaan me na een week vasten niet meer goed af. Als ik een hoop trappen oploop – ik neem sowieso zo min mogelijk liften of roltrappen – dan kom ik tijdens het vasten mezelf wel tegen. Dat is zo’n plotselinge krachtsinspanning, waardoor ik dan bijna misselijk wordt, net als wanneer ik even flink doorfiets om een groen licht te halen. Of op de fietsen een forse tegenwind heb.

Mijn lichaam gaat na even vasten vanzelf over op het verteren van vetten. Die hebben we natuurlijk overal. Mijn buik valt in elkaar, mijn gezicht wordt beniger, overal valt mijn lichaam af en mijn stoelgang stopt. Op een hard oppervlak liggen of zitten wordt gevoeliger. De tweede week moet ik altijd toch weer naar het toilet om keutels uit mijn lichaam te verwijderen. Dat zijn uitwerpsel als van een konijn, maar dan groter. Wanneer dat achter de rug is, verklaar ik mijn lichaam als gereinigd. Mijn vastendoel is dan bereikt. Dan ga ik toch nog een paar dagen door met sapvasten, om mijn darmen eens een beetje rust te gunnen.

Dit jaar ben ik van plan – bij toeval – na Palmpasen te stoppen. Dan heb ik bijna 15 dagen niets gegeten. Mijn laatste 3 ‘maaltijden’ bestaan altijd elk uit één glas laxerende pruimensap. Voor de zekerheid.

Aan ‘opbouwen’ doe ik evenmin* als aan ‘afbouwen’. Wanneer het vasten voor mij voorbij is, dan eet is alles wat ik wil in het besef dat ik tot de uitverkorenen op aarde behoor, die zich dat kunnen veroorloven. In de 20ste eeuw stierven volgens Wikipedia (trefwoord ‘Hongersnood’) ruim 70.000.000 mensen aan hongersnood en er lijden momenteel wereldwijd 1.000.000.000 mensen onder honger en ondervoeding. Dat is 1 op de bijna 8 mensen.

Soms verandert er na zo’n vastentijd vanzelf iets aan mijn gewoontes. Eens stopte ik toen met het eten van brood, een andere keer at ik na het vasten geen ‘ongezonde koolhydraten’ (aardappelen, pasta, rijst) meer en een jaar geleden stopte ik na het vasten spontaan met alcohol te drinken. Alles met de nodige uitzonderingen wanneer ik bijvoorbeeld bij iemand anders eet of in een restaurant.

Helemaal zuiver in de leer ben ik nooit geweest, behalve met mijn vegetarisme. Gevogelte, vis, vlees, week- en zeedieren zijn voor mij al een absoluut taboe sinds mij 23ste levensjaar. Dat werd mij toen, naast mijn bezwaren tegen de bioïndustrie ook al mede ingegeven als een manier om goed voor mijn lichaam te zorgen gezien de troep die in ons vlees zit. Toen al, wat verander ik toch weinig…

Ik besef in elk geval al mijn leven lang dat ik, in tegenstelling tot wat in games gewoon is, slechts één lichaam heb waarmee ik het tot mijn dood zal moeten doen. Een goede reden er goed voor te zorgen, vind ik.

Mijn lichaam kan deze manier van vasten aan en ik ervaar hier baat bij. Dat is niet vanzelfsprekend. Wat iemand anders aankan, kan best veel meer of juist veel minder zijn. En de behoefte moet er ook maar net zijn. Echter, op een eigen manier goed voor ons eigen lichaam zorgen, is voor iedereen belangrijk, lijkt me. We kunnen dat ook haast allemaal, maar hoe bijvoorbeeld u de zorg voor uw lichaam kunt en wilt invullen, lijkt mij aan u. Met deze afsluitende zinnen wil ik duidelijk maken dat ik slechts wil laten weten hoe en waarom ik jaarlijks vast, en dat ik niemand dit wil opdringen na te doen. Goed voor jezelf zorgen, is soms juist niet doen waar een ander baat bij heeft.

_____________________
* Naschrift 6 april 2020: Noodgedwongen doe ik dit keer toch wel aan opbouwen. Dat deed ik voorheen nooit. Ooit begon ik na 17 vastendagen met twee oliebollen. Ik weet het nog goed. Ik liep over de Neude en zag de kraam staan. Ik rook de oliebollengeur en besloot terstond vandaag te gaan stoppen met vasten. Ik at er twee op een lege maag en zonder kwalijke gevolgen genoot ik ervan. Vandaag blijk ik misselijk te worden als ik teveel eet. Ik ga dan hevig transpireren en dreig om te vallen. Zittend of liggend gaat dat allemaal over. De appeltaart, die ik vandaag ging bakken, heb ik dus maar zittend klaargemaakt en ik eet nog even mondjesmaat.

Overleven van een historische mijlpaal

Ik ben niet bang voor het Covid-19-virus. Ik neem risico’s, maar doe altijd al al het mogelijke om niet ziek te worden. Ik ben me er al heel lang van bewust het tot aan mijn dood met mijn lichaam te moeten doen. Mijn leefstijl is zondermeer gezond. Overigens staat geen enkele ziekte me aan. Ik houd niet van afhankelijkheid en pijn. Wie wel? Met Corona speelt nog iets anders: de zorg de Ander niet te besmetten. Dat maakt me wel wat voorzichtiger. Maar ook nu doe ik zoveel als mogelijk mijn dingen, die ik anders ook zou doen. Dat komt neer op veel dingen niet kunnen doen, helaas.

Met het begin van de lente ging ik officieel dan eindelijk met pensioen. Natuurlijk zou ik graag gewoon doorwerken. Toch kwam mijn pensioen later dan ik wilde, omdat ik sinds mijn 55ste voor geen enkele serieuze baan meer uitgenodigd werd om na een sollicitatie zelfs maar op gesprek te komen. Nu heb ik dan eindelijk de voordelen van het steeds maar ouder worden. Tegelijk met dat pensioen ben ik weer aan mijn jaarlijkse vastenkuur tussen Carnaval en Pasen begonnen. Corona-dreiging of niet. Ik zei al dat ik er, hoewel ik tot een risicogroep hoor, niet bang voor ben.

Ik heb altijd wel een zakdoekje bij me, en niet voor niets, en eens in de twee dagen hoest ik.

Feitelijk zijn alle Corona-beperkingen een mooie gelegenheid om te gaan vasten, nu de terrassen gesloten zijn. De verleiding ontbreekt om op een terras een biertje met kaas, espresso met gebak of glas wijn met nootjes te bestellen. Maar zulke verleidingen heb ik altijd al wel kunnen weerstaan.
Sterker nog, dit zou een ideaal moment zijn om een poosje mijn huis te verruilen voor een bungalow in de bossen, op een waddeneiland of aan zee. Lekker alleen, met mijn gezin of vrienden doen wat anderen in de zomer doen. Me terugtrekken van al het nieuws over de per land en provincie verschillende besmettingtrends, de Corona-gerelateerde doden, de laatste maatregels en de uitwassen: “Ooohhh, dat mensen dat doen!” Aan dat laatste doe ik sowieso niet mee en de eerste twee zeggen me weinig omdat er onvoldoende testmateriaal is. Het zijn volgens mij minimumbedragen. Nee, gewoon op vakantie en als die afgelopen is, ben ik vast snel bijgepraat over de stand van de Corona-zaken.

Woonde ik alleen, dan zou ik vast meer riskeren, maar ik heb huisgenoten. Die zijn dermate bang dat ze voortdurend met alcohol, handdoeken en schoonmaakmiddelen in de weer zijn. En vuurtjes in de open haard maken om het virus te doden. Zij spreken anderen, die nòg angstiger zijn en volgen een hoop Corona-nieuws op de voet. De supermarkt is hun enige, schuchtere uitstap, naast even in de tuin of rond het huis (om een sigaret te roken, zo’n zichtbare gezondheidsvijand).

Mijn agenda is leeg; alsof het vakantie is. Zelfs mijn celloles heb ik afgezegd omdat mijn docent alleen volledig klachtenvrije mensen lesgeeft. Ik heb altijd wel een zakdoekje bij me, en niet voor niets, en eens in de twee dagen hoest ik.

Eerst maar blijven genieten en voorkomen ziek te worden.

Ik ben deze dagen, met leestijd te over, tot het inzicht gekomen dat ik Emmanuel Levinas’ essay “De totaliteit en het oneindige” niet doorkom. Het is vermoeiend lezen, wanneer elke alinea twee of drie keer door mij herlezen moet worden om iets te begrijpen van wat er staat. Hoe boeiend ook. Dat inzicht leidde tot de aanschaf van twee inleidingen op zijn filosofie waar ik wel wijzer van hoop te worden. Ter verstrooiing schafte ik ook de Decamorone aan. 100 Verhalen, die de Italiaanse dichter en geleerde Giovanni Boccaccio waarschijnlijk in de periode 1349–1360 schreef: de pest waart rond in Florence en tien vrienden trekken zich twee weken terug op een buitenplaats; zoiets als mijn vakantie-ideetje van daarnet. Daar vertellen ze elkaar op 10 verschillende dagen elk een verhaal.

Als nutteloze toeschouwer verwondert het mij dat regeringen niet alle bevindingen van de WHO opvolgen. Dat is toch bij uitstek de World Health Organization met de primaire taak richtlijnen te geven over internationale gezondheidszorg en haar partners, waar wij er een van zijn, te adviseren hoe op mondiale gezondheidsbedreigingen zoals deze te reageren. Ook de adviezen van ons eigen Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) worden door onze regering niet nauwgezet opgevolgd. Ik snap dat niet. Of ik snap niet waarom onze regeringen adviesorganen met experts bevolken om vervolgens te besluiten het toch een beetje anders aan te pakken.
Alsof er een juiste aanpak zou zijn, baart het mij zorgen dat elk land, afhankelijk van haar toevallig huidige regering, haar eigen maatregels treft. Hoe kan ik dan weten of wat ik doe of laat voor anderen en mijzelf verstandig is? Woonde ik in Groot-Brittannië dan was het onnodig zoveel af te zeggen; woonde ik in België dan was het onmogelijk om nog zoveel te doen.

Zolang er nog geen antistof beschikbaar is en een tekort aan testmateriaal modderen we waarschijnlijk maar verder. Wel fijn dat we ons licht via internet op kunnen steken in zo’n beetje heel de wereld. Zo kunnen we veel te weten komen. Van Corona-sterfgevallen in Rusland, waarvan officieel bronchitis als de doodsoorzaak opgegeven wordt, tot de Verenigde Staten van Amerika, die er niet voor terugdeinzen te proberen het alleenrecht te verwerven op antistoffen voor Covid-19 en beademingsapparatuur. Mij lijkt het gewetenloos beleid, terwijl wij dat spul ook het liefst voor onszelf houden en niet naar armere landen sturen ter bestrijding van de gemeenschappelijke vijand, en terwijl dus de diversiteit aan maatregels in West-Europa mij verbaast.

Dat de afloop van dit alles uitloopt op een verdere uitkleding van alles wat het algemeen belang dient, staat voor mij als een paal boven water. Tenzij we dat straks na de Corona-crisis een keer niet accepteren, we hebben ons immers en masse al veel te lang zand in de ogen laten strooien. Enfin, we zien wel.

Klik hier voor een opinie over de ernst van de financiële toestand in de wereld nadat de Corona-crisis bezworen is, op basis van wat we nu al weten.
Klik hier voor drie mogelijke economische herstelopties om na deze Corona-crisis in gang te zetten; serieus bedreigend voor de 99% of onwenselijk voor de 1%.

Eerst maar zoveel als mogelijk blijven genieten en voor de gelukkigen onder ons: voorkomen ziek te worden. De anderen wens ik beterschap.

Ruimte nemen om mezelf te verbeteren

De trombone is onder de blaasinstrumenten wat de cello onder de snaarinstrumenten is. Ik speel nu bijna 2 jaar cello; zo’n groot viool-achtig muziekinstrument dat (meestal) met een pootje op de grond staat. De klankkleur van dit muziekinstrument vind ik prachtig; kan prachtig zijn. Dat hoorde ik twee jaar geleden bij een concert met de titel “De menselijke stem van de cello” uitgevoerd door leerlingen van het Utrechts conservatorium. Daarvoor had ik nog nooit een strijkstok vastgehouden. Wel heb ik in een grijs verleden verdienstelijk schuiftrombone gespeeld.

Het noten lezen moest na 40 jaar weer opgefrist worden. Onlangs heb ik een overzichtje gemaakt van de 15 toonladders met de bijbehorende grepen voor zover ik daar zicht op heb. Ik leer nu de zogenaamde ‘grote grepen’ op de eerste positie (een verschuiving van duim of vingers met een halve noot) en het spelen op de ‘tweede en “duimpositie”‘ (van de vijf). Het maken van dergelijke overzichten is voor mij gemakkelijker dan elke keer weer spelend de snaren op de juiste plek op de juiste manier in te drukken of aan te raken, wanneer vingers de snaren niet moeten aanraken ze erboven te houden en voor te bereiden wanneer ze weer in actie moeten komen en met mijn duim, die geen snaren indrukt maar als ‘oriëntatiepunt’ gebruikt wordt, met de gewenste druk tegen de hals aan te houden, of juist los daarvan te houden, met de andere hand de strijkstok losjes en toch sturend vast te houden en met mijn strijkstok op de bij de te produceren tonen behorende manier op de juiste plek onder de gewenste hoeken te strijken met de juiste druk en met het te wensen deel van de haren van de strijkstok en met verder ontspannen armen, tenzij er getokkeld moet worden. Om dat allemaal te leren en vingervlugheid te oefenen heb ik ook les; morgen de 40ste.

Bepaalde dingen leren vind ik leuk, wanneer ze mij interesseren. Het leren dit muziekinstrument te bespelen vind ik bijzonder leuk. Mijn docent inspireert me. Ze weet me al twee jaar te stimuleren door te gaan met schier onmogelijke dingen aan- en afleren en ze weet mijn leerstof te doceren. Ik ga door het cellospelen ook anders naar muziek luisteren en heel de dag spelen er deuntjes door mijn hoofd. Meestal melodieën die te maken hebben met wat ik op mijn cello onder de knie probeer te krijgen. Muziek is nu al twee jaar terug in mijn leven. Veel meer dan toen ik geen instrument leerde te bespelen en vaak naar fado’s luisterde; intenser.

Het moet leuk blijven.

Sinds een jaar speel ik op mijn verzoek ook samen met andere cellisten; leerlingen van mijn cellodocent. Het samen muziek maken vind ik leuk als aanvulling op mijn oefeningen. Zeker bij muziekstukken, waarin de ene stem ritmisch anders is dan de andere, klinkt de muziek een stuk voller dan wanneer ik alleen speel. Het is voor mij door de gerichtheid op wat de ander speelt en daarop aan te sluiten ook leerzaam. Het is meer muziek maken dan oefenen. Vandaag waren mijn medecellist en ik bijzonder tevreden over hoe mooi het soms klinkt. Zelfs voor het eerst een beetje trots.

Sinds ruim een half jaar speel ik ook nog mee in een amateur-orkest. Dat is voor mij flink aanpoten; vooralsnog eigenlijk te hoog gegrepen. Maar ik mocht na een auditie blijven, ik leer er veel van en mijn leercurve stijgt nu sneller dan toen ik er nog niet in meespeelde. Ik zorg ervoor niet te detoneren wanneer ik onzeker ben over een aantal maten van een muziekstuk en ik heb er heel veel plezier in zoveel als mogelijk op de door de dirigent gewenste manier mee te spelen; deel uit te maken van zo’n groter geheel dat allerlei stemmingen weet op te roepen. Daar komt bij dat de sfeer er heel prettig is.

Afgelopen week heb ik tijdens onze oefenavond tegen de dirigent gezegd dat het aan haar is om te beslissen, maar dat ik wat mij betreft de komende uitvoering voor publiek liever nog niet meespeel. Ik deed dat nadat ik dat al veel eerder aan het bestuur gemeld had. Muziek maken moet, omdat ik het puur voor de lol doe, geen prestatiedruk opleveren. Het moet leuk blijven. Voor mij ontstaat er zo ruimte om met alle plezier in mijn tempo te blijven oefenen en mezelf op de cello beetje bij beetje te verbeteren en fijn samen te spelen; ik op mijn niveau.

Voor de komende voorspeelmiddag van mijn cellodocent, waarvoor ik deze week een uitnodiging ontving, heb ik me direct weer opgegeven.

Misschien ging het om het slotakkoord

De heren spelen het laatst in, want ze spelen het eerst na de pauze”, zei mijn cellodocent (v) en zo geschiedde vanmiddag.

De andere heer en ik hadden eerder deze week al even een celloles samen gehad, om voor vanmiddag wat puntjes op wat i’s te zetten: dit is een vraag en dat is het antwoord, hier start jij en jij valt daar in, op dit akkoord komt het aan. Van dat soort aanwijzingen boden ons een focus om het voorspelen van vanmiddag tot een zo groot mogelijk succes te maken.

Later deze week hadden we de stukken nog eens samen gespeeld om ons de aanwijzingen eigen te maken. Vanmiddag was het dan zover. Na de pauze beluisterde het publiek, bestaande uit medeleerlingen, vaak met hun ouders, onze drie stukken en een hartelijk applaus viel ons ten deel.

Zelf wist ik heel goed wat ik niet goed gedaan had; waar ik er naast gezeten had, maar daar ging het niet om. Het was een goede ervaring om op mijn cello voor een beetje publiek te spelen en samen kwamen we er bij alle drie de stukken goed uit.

De andere cellisten, wiens vader of opa we hadden kunnen zijn, speelden voor en na de pauze minstens net zo goed als wij, en meestal stukken beter. Ik vond het fijn om ze te beluisteren en het gemak of juist de inspanning van hun gezichten af te lezen. Ze speelden vooralsnog voorbeeldig voor mij.

Het bijzondere van zelf muziek maken is voor mij dat het altijd weer op het moment aankomt: precies daar in dit muziekstuk moet ik dit loopje zo mooi mogelijk spelen zoals de componist het waarschijnlijk bedoeld heeft, moet die fis zuiver gespeeld worden en moet ik die lastige bes voorbereiden om hem even later te laten horen.

Mijn cellovriend en ik gaan vrolijk door met op gezette tijden samen cello te spelen. Na het voorspelen maakten we daarvoor de volgende afspraak.

Anders dan alleen spelen, vraagt het samenspelen ook nog om een voortdurende afstemming. Dat is een deel van de pret. En het klinkt weer anders dan het dagelijks oefenen in mijn eentje. Bij het samenspelen moeten we precies tegelijk in die tel rust een stilte laten vallen, precies tegelijk of juist iets na elkaar inzetten en steeds luisteren of de ander en ik nog wel samen opgaan. En toen we vanmiddag ons gezamenlijk slotakkoord speelden, keken we elkaar aan om exact tegelijk te stoppen. Dat was mooi!