Wie de jeugd heeft, heeft de toekomst

Wie kent de uitspraak in de titel van dit stukje niet? In de crèche, in de dans- en muziekklas, op school, aan het sportveld, zelfs in het kinderziekenhuis kom je hem tegen. Niet gehinderd door ons gebrek aan kennis denken veel Nederlanders dat het een typisch Nederlands spreekwoord is. Ik schreef hem toe aan Golda Meir, die van 1969 tot 1974, premier van Israël was. Inmiddels weet ik dat dit een pijnlijke vergissing was.

Weinigen zullen weten dat de uitspraak een geestelijke vader heeft van geheel niet-onbesproken gedrag. Letterlijk zei deze ijzervreter: “Alleen wie de jeugd heeft, heeft de toekomst. Mijn lessen zullen hard zijn. Zwakheid zal eruit geslagen worden. Een agressief actieve, dominerende, harde jeugd, daar ben ik op uit!”. Was getekend, Adolf Hitler.

Maar goed, dezer dagen worden we dankzij de Zweedse Greta Thunberg geconfronteerd met een geheel nieuwe, pijnklijke, want ons onwelgevallige inhoud van dit gezegde voor degenen die de 40-jarige leeftijd gepasseerd zijn. Klik hier voor haar laatste ons confronterende actie in het openbaar tot nu toe. En wanneer u de 25-jarige leeftijd allang gepasseerd bent en zich durft te laten confronteren met een nog pijnlijker zelfinzicht, klik dan hier voor de motieven een (inter-)nationale noodtoestand uit te roepen.

Bronnen: “Wie de jeugd heeft, heeft de toekomst” door Daily Pam via Humanistische alliantie op 12 juni 2014, “Greta Thunberg bij Youth for Climate in Brussel: ‘Ik zou de waarheid zeggen over de ernst van de situatie’” door Helenka Spanjer en Elena Parton en “Klimaat: Afkondiging van ‘nationale noodtoestand’?” door Pol Dhuyvetter, beide via DeWereldMorgen op 22 februari 2019.

Wel of niet over het graf heen regeren?

De plaats van handeling was onlangs in The LivingRoom op de eerste etage van het Babylon Hotel in Den Haag. De een had via SocialDeal 3 couverts gereserveerd. De ander had mij nog net op tijd uitgenodigd. Ik was, na een concert en een middagje op de Schevingse Pier, in dat restaurant voor mij uit gaan zitten staren, totdat de eerste twee kwamen opdagen.

Degene die vanuit Duitsland moest reizen precies op de afgesproken tijd en – zoals het altijd gaat – degene die het dichts bij woont wat later.
Kon je het niet vinden? Ik had er ook moeite mee.
Wat een opvallend prettige bediening hier.
Hoe is het met jou?

We kwamen te praten over hoe we onze uitvaart zouden willen. De een, die van de SocialDeal, had er precieze ideeën over: gelegenheid tot ontmoeten, muziek, ‘vier het afscheid en het leven’. En ook: “Ik wil mijn nabestaanden niet opzadelen met onbekendheid hoe ìk mijn uitvaart had gewild”. De ander, die die het dichts bij woont en het oudst van ons drieën is, had er nog nooit over nagedacht. Ik denk daar af en toe wel over na en bespreek dat ook met mijn kinderen en wie mij verder lief is.

Mijn idee is dat het nou net mij niets uitmaakt hoe mijn uitvaart zal zijn. Zelfs als er geen uitvaart voor mij is, zal mij dat vast niets deren. Ik zal daar namelijk volgens mij eventueel louter en alleen lijfelijk bij aanwezig zijn. Maar ik kàn het verkeerd hebben.

Omdat ik er van uitga dat er net zo min iets is na mijn leven als daarvoor heb ik het idee dat boosaards, die bijvoorbeeld eerst hun familie en dan zichzelf vermoorden, of eerst hun kwelgeest om het leven brengen en dan zichzelf, of eerst iemand verkrachten voordat zij hun slachtoffer en zichzelf om het leven brengen, een principieel verkeerde volgorde van handelen kiezen. Omdat er mijns inziens niets meer is na iemands overlijden kan iemand de genoegdoening over zijn omgang met machteloosheid, wraak of ‘genot’ toch in zijn graf meenemen. Wanneer je niet verder kunt leven door de consequenties van je handelen, handel dan anders of ga nog vòòr je slachtoffers maakt in therapie! Wanneer je dan toch jezelf van jouw leven beroofd, begin daar dan mee en laat anderen met rust. Dat uitgangspunt heeft gevolgen voor mijn idee over de gewenstheid van mijn invloed op mijn uitvaart, die naar ik mag hopen per definitie plaatsvindt als ik dood ben.

Mijn adagium is ‘Leven en laten leven’, of zelfs nog liever: ‘Geniet zoveel als mogelijk en help zoveel mogelijk anderen eveneens te genieten’.

Wat mij betreft is het, wanneer we in ‘natuurlijke volgorde’ het leven laten, bovenal aan mijn kinderen hoe zij mijn uitvaart vorm willen geven; zij moeten met de herinneringen aan de uitvaart van hun vader verder met hun leven. Tot aan mijn overlijden kan ik iets van de toekomst vinden, maar zodra mijn doek gevallen is, is het (‘hoogst waarschijnlijk’) alleen nog aan jullie allemaal hoe verder te gaan in jullie levens.

Ik hoop nog een tijd gezond als een vis verder te leven. Maar als we het over mijn uitvaart willen hebben, zijn jullie gewaarschuwd: houd maar geen rekening met mij, want ik kom niet!