Albanië

Mijn reis van twee weken door Albanië was een soort van ontdekkingsreis voor mij. Sinds donderdag slaap ik weer in mijn eigen bed. Eerder in mijn leven, toen de communist Haxhi Lleshi er staatshoofd was, heb ik vanuit het Joegoslavië van Josip Broz, bijgenaamd Tito, aan de grens met Albanië gestaan. We mochten er niet in met onze Westerse boeken en kleding (spijkerbroeken). Geen denken aan, en voor ons ook geen denken aan om die spullen achter te laten.

Albaniërs roepen hier te lande geen gezellige associaties op, dus ik vond het wel wat spannend om er te gaan rondreizen. Reden om er naar toe te gaan was dat we nu nog iets van het oorspronkelijke Albanië kunnen meemaken. Het land zou zich naar verluid in rap tempo klaarmaken voor een goed geoliede toeristenindustrie en dan wordt al dat authentieke vaak tenietgedaan; zowel in omgangsvormen als in het landschap of wat je er als toerist van te zien krijgt. Toeristen houden nu eenmaal van kitsch is de ervaring van degenen die eraan willen verdienen. En we waren inderdaad net op tijd, want in een sneltreinvaart worden veel dorpen en steden omgetoverd in toeristen-boulevards. Met gladde steentjes, dus als u gaat, neem dan wandelschoenen met ruwe zolen mee. En euro’s, want de Albanese Lek is aan flinke inflatie onderhevig.

Mijn eerste en vervolgens voortdurende indruk van de Albanezen is dat het bijzonder gezellige mensen zijn; hulpvaardig, vriendelijk en vrolijk. Op straat voelde ik me overal veilig al zijn er ook, zoals overal in de wereld, achteraf-straten waar het onguur voelt. Overal zag ik mensen met elkaar pratend of alleen over straat gaan, zowel mannen als vrouwen. Het moet ook voor vrouwen een sociaal veilig land zijn, constateerde ik daaruit. Overal ervoer ik een respectvolle omgang met elkaar, zelfs toen we bedonderd waren en verhaal kwamen halen. Wanneer mensen druk, zelfs ruziënd in gesprek leken, gingen ze even later vaak samen lachend uiteen. De een de ander als afscheid een gemoedelijk klopje op de schouder gevend.

Een andere eerste en voortdurende indruk is er een van geldgebrek. Zowel de overheid als mensen hebben weinig te besteden of investeren weinig. De publieke ruimte, op de omvorming naar een toeristenland en een enkele nieuwe weg na, is duidelijk veel decennia niet onderhouden. Veel doorgaande wegen zijn nooit bestraat of geasfalteerd. Van andere is het asfalt over tientallen kilometers dermate slecht dat heel de weg gekozen moet worden de minst diepe kuilen te nemen. Door verlaten gebouwen waait de wind door de gebroken ramen. Verroest ijzer van hekken en ja-knikkers. Ingezakte daken. Overal gruis, stenen, stof en zand. En telefoonkabels. Dat er soms een uurtje geen elektriciteit is, of stromend water, lijkt voor Albanezen net zo gewoon als voor ons dat het er altijd is. De jonge mensen gaan in de grotere steden modern en goed gekleed over straat. Net als hier vaak een sigaret rokend en met een modern mobieltje aan het oor. Misschien iets vaker nog rokend dan hier. Veruit de meeste vrouwen gaan ook goed gekleed en van de mannen slechts de helft, die ik waarnam.

Die mannen zag ik overigens ook wat afroken. En ik zag ze overal in het land heel de dag de vele terrasjes bevolken. Wanneer er in de kleinere steden ook vrouwen op de terrasjes zaten, was het avond of tijd om te lunchen. Ook worden er onder de mannen spelletjes gespeeld; Backgammon en Domino. Voetbal is kennelijk zo populair dat in de steden elk terras voorzien is van minstens één megascherm waarop een voetbalwedstrijd uit de Champions leage life te zien is. In een provincieplaats telde ik in één eetgelegenheid zelfs 14 beeldschermen waarop 4 verschillende wedstrijden te volgen waren. Even verderop was er nog een taveerne met 11 beeldschermen.

In het verkeer lijkt alles geoorloofd. Een kraampje langs een snelweg met gescheiden rijbanen, snelheidsbeperkingen negeren, ‘ nachts zonder verlichting tegen het verkeer in fietsen, verbodsborden negeren, zodra een verkeerslicht op groen springt voorgangers opjagen door te toeteren. Waar we ermee te maken hadden trad de verkeerspolitie gemoedelijk op. We hoorden opmerkelijk weinig sirenes; één in veertien dagen waarvan drie dagen in Tirana. En dat terwijl we regelmatig wagens met zwaailichten, zoals die knipperlichten heten, zagen.

In gesprekken met Albanezen werden we bedankt voor ieder compliment dat we gaven. Ook kwam vaak de blik van de Albanezen op de grote wereld aan de orde. Dààr schijnt voor hen de toekomst te liggen; in Albanië blijken voor hen die we spraken weinig lonkend toekomstperspectief. Toen we ons in de bergen helemaal vastgereden hadden, zagen we gelukkig wat mensen met elkaar voor een huis praten. Hen vroegen we de weg. Een dochter van 14 werd erbij gehaald om ons Engels naar Albanees te vertalen en andersom. Na even stonden we met een volle plastic tas met druiven en gedroogde vijgen en kregen we een slaapplek aangeboden. We konden slapen op de kamer van hun zoon, die nu in China was om te studeren. Verder spreken veel mensen Italiaans omdat ze daar jaren gewerkt hebben.

Afgezien van de hoofdstad Tirana en omstreken lijkt de rest van het land, zeker dat deel waar gebergten zijn, dunbevolkt. Sommige dorpen liggen een of twee uur bochtjes rijden en kuilen vermijden van elkaar. In de vlakkere delen van het land zagen we overal alleenstaande huizen aan rechte lanen met flinke tuinen er omheen; zonder privé-zwembad. De woonhuizen, die we zagen, waren in de steden veelal aftandse flats tussen witte huizen met rode dakpannen. Buiten de steden zagen we vooral betonnen blokkendoosjes om in te wonen en van diezelfde witte huizen met rode dakpannen.

Je zult er maar geboren en getogen zijn”, ging regelmatig door mij heen. Want hoewel de mensen dus een uiterst hulpvaardige, vriendelijke en vrolijke indruk op me maakten, was ik blij weer naar ons ordelijke land terug te kunnen keren. ’t Is weer even wennen aan al dat aanmatigend gedoe, dat gedouw en dat ongeduld op straat, maar wat hebben wij de publieke ruimte hier goed op orde. Raar dan eigenlijk dat wij die warme zomer niet ook massaal aan het flaneren sloegen, zoals de Albanezen elke avond gewoon zijn te doen ongeacht de staat van hun wandelboulevards, maar dat wij altijd van A naar B op weg blijven gaan.

Na de klap

Het is geen nieuws dat in Nabi Saleh wekelijks geprotesteerd wordt tegen de handelswijze ter plaatse onder het gezag van de Israëlische regering. Eén keer haalde die protesten wel het nieuws. Niet doordat een Israëlische soldaat een 15 jarige jongen met een rubber kogel in het hoofd geschoten had. Dat is geen nieuws. Maar omdat zijn nichtje van 16 die soldaat daarna op de oprit van haar huis een klap gegeven had. Zij was ongewapend, hij was zwaar bewapend al had hij minstens een rubber kogel minder dan aan het begin van zijn ‘missie’.

Ik vermoed dat haar bijzondere haardracht een rol speelde, maar na verspreiding van de gefilmde klap via sociale media had Ahed Tamimi ineens wereldnaam gemaakt. Hoewel ik principieel elk geweld afwijs, schatte ik haar actie in als een natuurlijke reactie op zware stress; een menselijk machteloos gebaar tegen onrecht. Helaas ontvingen de aanleidingen van de wekelijkse protesten door haar klap geen wereldaandacht; wel kwam het onrechtmatig optreden van Israël richting haar en de haren onder een vergrootglas te liggen. Wat een onmachtig gebaar van een meisje met een opvallende haardracht aan aandacht kan genereren bleek te grenzen aan het ondenkbare.

Dat een Israëlische vrouw voor het meermaals slaan van Israëlische militairen nog geen dag vast zit, en Ahed Tamimi maar niet vrij kwam, werd wereldnieuws. Dat kennen wij van een maatschappelijk systeem dat we nog in het Caribisch deel van het Koninkrijk der Nederlanden, Indonesië, Suriname en Zuid-Afrika ingevoerd hebben: apartheid. Dat haar moeder en 10 andere minderjarige Palestijnse kinderen uit Nabi Saleh later ook gearresteerd werden, wellicht om Ahed Tamimi geestelijk onder druk te zetten, deed later ook op sociale media de ronde. De moeder van Ahed Tamimi kreeg voor het filmen en wereldkundig maken van de Israëlische praktijken 8 maanden cel opgelegd. Het neefje verklaarde onder dreiging met een lange gevangenisstraf dat de rubber kogel in zijn hoofd terecht gekomen is door een ongelukkige val met zijn fiets. Pars pro toto.

Internationale erkenning voor Ahed Tamimi volgde, of feitelijk kreeg de wereld door de filmpjes veel meer weet over het optreden van Israëliërs in de bezette gebieden. Er volgden wereldwijde handtekeningenacties en pleitnotities. Allemaal zaken om je als Israëlische regering vreselijk aan te storen, zelfs al laat die regering zich – zolang ze zich verzekerd weet van bescherming van de Verenigde Staten van Amerika – weinig gelegen liggen aan internationale verontwaardiging.

Later was een ander filmpje via sociale media te zien: een verhoor van Ahed Tamimi. Wat we zien, is dat zij tegen het internationaal en het Israëlisch recht in zonder bijstand van een volwassene ondervraagd wordt. Dat blijkt ook een Israëlische omgangsgewoonte voor Palestijnse minderjarigen. 300 andere Palestijnse kinderen worden momenteel op dezelfde manier tegen het Israëlisch recht in behandeld. Mishandeld? Tijdens haar verhoor, kunnen we zien, krijgt ze van haar mannelijk ondervrager complimenten over haar lichaam en haar ‘ogen als die van een engel”. Pars pro toto.

Na afloop van haar detentie vertelde Ahed Tamimi dat de ervaring van het gearresteerd worden haar onbeschrijflijk zwaar gevallen was. Ze vertelde erbij dat ze geen spijt had van de klap die zij gegeven heeft. Volgens haar was hij de soldaat die haar neefje in het hoofd geschoten had. Dat neefje moet de rest van zijn leven met een flink litteken in zijn gezicht door het leven. Tegelijk geeft Ahed Tamimi er blijk van dat alles na de klap waarde aan haar leven heeft gegeven. Ze merkte op dat ze door al deze narigheid volwassener geworden was, bewuster. Zou ze anders wellicht voor een carrière als profvoetballer gegaan zijn, nu wenst zij rechter te worden. Zij wil rechtszaken over schendingen van Israël tegen het internationale recht gaan leiden. Haar bekendheid heeft haar ook de mogelijkheid opgeleverd een studie naar haar keuze te volgen.

Tijdens haar detentie heeft ze samen met andere gevangenen geprobeerd zich verder te scholen. Nu is ze na een deal (4 bekentenissen tegen 7 maanden cel) weer herenigd met haar familie. Ze hoopt tot rust te komen, geniet van het rondlopen zonder handboeien om en beraadt zich op volgende stappen in haar persoonlijke leven. Een conflict is in Nabi Saleh echter nooit ver weg. Haar oudere broer zit in een Israëlische gevangenis in verband met confrontaties met Israëlische soldaten en vanuit haar huis kijkt ze uit op een Israëlische militaire post.

Wat ik met dat ‘pars pro toto’ bedoel? Ik vermoed dat we zo ongelooflijk veel niet weten, maar dat soms wel een tipje van een sluier opgelicht wordt. Dat geldt dan wat mij betreft voor de zaken in de alinea voorafgaand.

Bronnen: “Ahed Tamimi: ‘I am a freedom fighter. I will not be the victim’ Interview” door Oliver Holmes and Sufian Taha in Nabi Saleh via The Guardian op 30 juli 2018 en het dossier “Bezetting en kolonisatie Palestina” van DeWereldMorgen.

Overdenkingen bij een ree

Vandaag fietste ik van Soest naar Maartensdijk. In de bossen bij het landgoed de Paltz schoot ineens een ree links naast mij uit de berm, rende naast mijn fiets, haalde me in en vluchtte met een wijde boog voor mijn fiets uit de bossen in; aan de andere kant van de weg was een hek; vandaar dat het niet dìe andere kant op vluchtte.

Dat beest toch. Onnodige hartkloppingen, zinloze angst. Hij (of zij ?) zou mij moeten kennen… Dàn was het gewoon weer gaan slapen, maar ja, dat wist het beestje niet.

Zal wel veel vaker gebeuren: dat we bang zijn voor wie we helemaal geen angst hoeven te hebben. Als we elkaar maar kenden…

Het gaat om ‘wat’

Gisterenavond kwam ik na het avondeten thuis. Bij een vriend had ik tofu, op zijn Chinees klaargemaakt, met groenten en bami gegeten. Ik besloot nog even een haardvuur te maken. Slecht voor het milieu, ik weet het, maar ik deed het toch. Al snel knapperde het vuurtje in mijn woonkamer. Ik zette me op een stoel er tegenover.

Mijn gedachten gingen naar de afgelopen dag. Op de fiets naar Utrecht had ik herinneringen gehad aan mijn jammerlijke gedachten over een gesprek, ooit met een vriendin. In Utrecht sprak ik een andere vriendin onder meer over mijn gedachten over dat gesprek met die eerste. Daarna was ik naar een vriend gegaan, waarmee ik allerlei gesprekken had gevoerd, waaronder… Juist. En toen die tofu met groenten en bami.

Kijkend in het vuur gingen mijn gedachten naar de afgelopen week. Gesprekken en informatie. Indrukken en stilte. Waken, stilzitten en slapen. Mooi woord eigenlijk: ‘indrukken’. Alsof je een versteende voetafdruk van een dinosaurus vindt, zo vind ik herinneringen terug die ‘indruk’ op mij gemaakt hebben.

Wat is nu echt belangrijk? mijmerde ik bij mezelf.
Wat, van wat ik deze week heb meegemaakt, doet er toe? preciseerde ik.
Kan ik dat nu al weten, of weten we dat altijd pas langer achteraf?

Ik deed een blok hout op mijn vuurtje om het aan te houden en liep naar de koelkast voor een glas wijn.
Waarom alcohol? Mijn vriend-van-de-tofu doet mee om 40 dagen geen alcohol te drinken. Omdat hij eerder begonnen is dan na carnaval, is hij nu al op de helft. Hij merkt positieve verschillen.
De druivensap in mijn koelkast is waarschijnlijk niet goed meer. Net als de bosvruchtensap. In de cassis heb ik geen zin.
Met een glas water zet ik mij weer voor het vuur.

Hoe zou ik deze tijd omschrijven? Trump? Rutte? Nee, niet die van Halbe Zijlstra of Thierrie Baudet.
De tijd waarin heel de wereld zich niets aantrok van het lot van de Palestijnen? En van de Grieken, Rohingya, Tibetanen, de nog overgebleven Indianen; van alle Vreemden; de tijd waarin wij-en-zij-denken na de Tweede Wereldoorlog weer mode werd?
De tijd waarin we de klimaatproblemen begonnen te onderkennen maar niet bereid waren iets aan onze levensstijl te veranderen?
Toen had ik geen gedachten meer; keek enkel naar het vuur dat mij verwarmde.
Ik nam nog maar eens een slok water.
Geknesper.
Vlammetjes en één heel lange, sierlijk van onder naar hoog.
Ik wil weten hoe het met een familielid van mij gaat; morgenochtend bellen. Niet nu.
Het is alsof een miniwind door de vlammen raast.

Zo zat ik misschien wel vijf minuten. Misschien een kwartier. Tijdloos en stil zoals het geluid van de golven op het strand me aan stilte kan doen denken. In het geluid van golven aan het strand kan ik alles horen; stilte, maar ook vage gesprekken of muziekstukken.
Het geknesper in mijn vuurtje deed me ineens denken aan bigbandmuziek. Onlangs gehoord in TivoliVredenburg. De klankkleur herinnerde mij aan de tijd dat ik speelde in het Utrechts Jazzorkest en bij Jubal waar ik trombone leerde spelen. Indrukken.
Hi, hi.

Dat is het! Wat er echt toe doet is wat ik deed en doe.
Of ik nu samen muziek maak, gedachten uitwissel, stilzit, slaap of mijn werk uitmuntend doe. Het gaat om ‘wat’: ‘Ik heb een steen verlegd,

in een rivier op aarde.
Het water gaat er anders dan voorheen.
De stroom van een rivier, hou je niet tegen
het water vindt er altijd wel een weg omheen.
Misschien eens gevuld, door sneeuw en regen,
neemt de rivier m’n kiezel met zich mee.
Om hem, dan glad en rond gesleten,
te laten rusten in de luwte van de zee.

Ik heb een steen verlegd,
in een rivier op aarde.
Nu weet ik dat ik nooit zal zijn vergeten.
Ik leverde bewijs van mijn bestaan.
Omdat, door het verleggen van die ene steen,
de stroom nooit meer dezelfde weg zal gaan’, zong Bram Vermeulen ooit. Dat is wat er voor mij toe doet: de steentjes, die ìk heb verlegd. Vandaag, gisteren en daarvoor.

Het vuur liet ik uitbranden tot het gloeide; tot het hier en daar nog gloeide. Ik schonk mezelf een glas witte wijn in, poetste mijn tanden na gerag en geflos, waste mijn nek en ik ging naar bed. Het glas wijn plaatste ik naast mijn bed.

Vanmorgen stond het er nog, net zo vol als ik het gisteren had ingeschonken.
Na opstaan, wassen, ontbijten en bellen dacht ik bij mijzelf: Welk steentje ga ik vandaag in welke rivier verleggen? Wat voor moois ga ik vandaag bijdragen aan de wereld inclusief mijn familie, vrienden en aan mijzelf?
“Wat voor moois nog meer? preciseerde ik.
Hi, hi.

Utereg, me stadsie daar gebeurt van allehand, ’t bruis an alle kant in ’t hartjie van ’t land

De Amsterdamsestraatweg is een lange rechte weg die voor Utrechtse begrippen een beetje aan Amsterdamse winkelstraten doet denken. De bedrijvige winkels, sommige met etalages waarachter het tentoongestelde onder een dikke laag stof ligt, de meeste goed bijgehouden. Vermoedelijk kan men aan de Amsterdamsestraatweg alles kopen van Chinees tot drinken & eten, feestartikelen, Grieks, groenten, Marokkaans, knippen, mondzorg, Nederlands, oliebollen, seksartikelen, Surinaams, tatoos, therapieën, thuiszorg, Turks, verlichting, wassen en tot witgoed.

Die lange rechte weg ben ik vandaag met mijn vast gezelschap om lunchpauzeconcerten te bezoeken per bus gegaan tot Maarssen en daarvandaan hebben we hem teruggelopen tot aan Tivoli/Vredenburg.

Het is opmerkelijk hoeveel ik dan niet blijkt te weten van dit deel van de stad; we keken immers met de ogen van toeristen. Een gedenkteken, een historisch gebouw, een kunstvoorwerp, een sluis, een voortuin met vier kerstmannen die de bezoeker uitdrukkelijk welcome heten voor die bezoeker bij een metalen hek kan aanbellen om de tuin richting voordeur te bewandelen.

En wanneer je zoals ik al 40 jaar in en rond Utrecht dwaalt lagen de herinneringen hier ook voor het oprapen. Daar wandelde ik met Mies, daar woonde Wim, hier fietste ik met Zus, daar woonde ik nog zonder Jet, die gevel doet me denken aan de tijd met Teun, hier doofde Vuur en nee, dat frietkot heet echt Gijs.

Natuurlijk kwamen we door Elinckwijk, door Zuilen en liepen we door het mooie Julianapark. Naarmate we Utrecht naderden werden de gevels en winkels bekender en bekender tot we koffie gingen drinken bij een vriend, die toevallig net thuis was. Vervolgens was het niet meer mogelijk voor mij om met toeristenogen te blijven kijken; het kwam me allemaal zo bekend voor. De pratende mannen op straat, mijn kapper, mijn sleutelleverancier, al dat verkeer dat in beide richtingen onophoudelijk rijdt, de drukte op de ‘straatweg’ en de directe rust in alle zijstraten met namen als Anemoonstraat, Berkstraat, Demkaweg, Dieselweg, Sweder van Zuylenweg, Westinghousestraat. Alleen wat drukte waar ze aan het verhuizen zijn of de aanhangwagen van een auto inlaadden.

De gevaarlijkste straat van Utrecht en misschien wel van Nederland, waarschuwde mijn vriend. Met de Kanaalstraat de gezelligste straat in heel deze regio, vind ik. Ik moet maar weer eens naar Amsterdam, waar legio van dit soort straten zijn.

De titel is van de hand van Herman Berkien.

Duurzaamheid; Compleet gestoord, maar wel goed bedoeld

Stapsgewijs heeft mijn strijkbout het begeven. Eerst een haperende functie, toen een kapotte knop en vervolgens vertikte het apparaat al zijn werk. Onlangs kocht ik vervanger.
Hoe lang heeft de vorige het gedaan?” vroeg het vrolijke jonkie.
7 jaar”, antwoordde ik.
Oh, dat is best lang.
Dat is beschamend kort, jij kùnt dat haast niet weten, maar hoewel alle bedrijven de mond vol hebben van duurzaamheid, werden zo’n 40 jaar geleden dit soort apparaten gemaakt opdat ze niet vervangen hoefde te worden en nu opdat ze het zo snel mogelijk na afloop van de garantietermijn begeven. Ik heb nog een radio, versterker, en zo die ik in mijn studententijd gekocht heb. Mijn kinderen zijn al aan hun derde of vierde toe!
Met mijn nieuwe aankoop liep ik de zaak uit een verbouwereerd jonkie achterlatend. Ik dacht clichématig: “Vroeger ging een fiets een heel huwelijk mee, en nu nog steeds.

De mond vol van duurzaamheid en elke 11 maanden vervangen we onze gsm. Tegelijk neemt het aantal gorilla’s op de aarde af en is er nog maar één Indonesische neushoorn. Raar om dit in één alinea te schrijven? Helemaal niet!

In haar breedste betekenis staat ‘biodiversiteit’, de verscheidenheid aan planten en dieren op onze planeet, synoniem voor ‘leven op aarde’. Echter, de snelheid waarmee dier- en plantesoorten uitsterven is heel groot. Dat heeft te maken met biodiversiteitsverlies. En doordat de 31 mineralen, die nodig zijn om een gsm te produceren, waarvan vele uit natuurgebieden gehaald worden waar gorilla’s leven, hebben vermeerdering van het aantal gsm’s en vermindering van het aantal gorilla’s direct met elkaar te maken. Dit gaat over ons productie- en koopgedrag. Geen enkele aankoop is onschuldig.

De Belgische FOD Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu is vanwege bovenstaande begonnen met een #BeBiodiversity-campagne. Zo doen we dat tegenwoordig en voordat #metoo uitgedoofd is kan de volgende #hype de lucht in. De verantwoordelijkheid wordt door de FOD Volksgezondheid zo laag gelegd en wel bij degenen die dat haast niet of helemaal niet kunnen dragen. Zoals het bevreemdend is voor marsmannetjes dat in onze steden gewone en fairtrade-winkels zijn, moeten ‘we’ van de FOD Volksgezondheid ons aankoopgedrag veranderen. Prijsvechters bieden spotgoedkope vliegreizen aan en ‘we’ moeten ‘nee’ zeggen want vliegen is slecht voor het milieu; bevordert klimaatopwarming. De voedselindustrie biedt spotgoedkope importproducten aan en ‘we’ moeten ‘nee’ zeggen want de stookolie waarmee gestolen voedsel uit ontwikkelingslanden hierheen getransporteerd wordt is slecht voor het milieu; bevordert klimaatopwarming. Dit jaar richt de FOD Volksgezondheid zich op de consument, en volgend jaar – nadat CETA van kracht geworden is – op de bedrijfskant. Dan gaat de FOD Volksgezondheid vriendelijk vragen of de heren ietsje minder rommel willen maken. En elke heel klein beetje minder toename van rotzooi zal gevierd worden alsof we de aarde op de multinationals heroverd hebben.

De 5 grootste biodiversiteitsbedreigingen zijn:
invasieve soorten die een bedreiging vormen voor het voortbestaan van inheemse soorten,
klimaatverandering,
overexploitatie,
vernietiging van habitats en
verontreiniging.

Om een beeld te geven enkele statistieken:
In België worden 101 dieren, micro-organismen en planten geteld, die door menselijk handelen in een nieuw gebied terechtkomen (zoals ‘België’ of ‘Nederland’) en die door verspreiding en vestiging schade kunnen veroorzaken en de biodiversiteit van inheemse soorten bedreigen.
Tussen 1990 en 2010 zijn wereldwijd minstens 3.500.000 hectaren natuurlijke bossen omgevormd tot palmolieplantages. Ongeveer 20 % van de palmolieproductie wordt gebruikt door de cosmetica-industrie.
Illegale exploitatie van bedreigde bossen vormt een markt die tussen de € 50 en 150.000.000.000 geschat wordt. Na drugshandel is het de grootste misdaadmarkt ter wereld.
40 % van de cacao komt van Ivoorkust, waar de bossen sinds 1960 80 % van hun oppervlakte kwijt zijn geraakt. En,
meer dan 90.000 containerschepen varen over de oceanen en zeeën en storten samen evenveel kankerverwekkende verontreinigde stoffen uit als 4.500.000.000.000 auto’s in een jaar.

Ofwel ‘we’ moeten meer fietsen en wandelen of met het openbaar vervoer, en als u dat dan doet dan resteert de vervuiling van nog maar 4.499.999.999.999 auto’s per jaar.

Om de idiotie van deze campagne te verduidelijken een ander voorbeeld.
‘Let ook op micro-plastic’, waarschuwt de FOD Volksgezondheid ‘ons’. Dat zijn kleine plastic bolletjes die zitten in douchegel, tandpasta, shampoos en andere verzorgingsproducten. Die micro-plastics spoelen het riool in en verdwijnen – uiteindelijk – in de zee, waar zeedieren ze binnen krijgen. Die worden daar ziek van, worden opgegeten door andere zeedieren en die worden enzovoort. Veel mensen zijn hier niet van op de hoogte en vanaf deze campagne dus wel. Maar hoezo zouden ‘wij’ daarop moeten letten?
Een streng gehandhaafd verbod op productie en import van micro-plastics in douchegel, tandpasta, shampoo en andere verzorgingsproducten is volgens mij het enig werkende remedie, net als een afgedwongen beperking van koopvaardij en vliegverkeer en nog zo’n 197 adequate maatregels waaronder de productie van apparaten die weer een mensenleven lang meegaan.

Maar in Midden-Nederland gaan we vrolijk een vliegveld uitbreiden. Echter, op het hoogst volume:

Burger, weest ù zich dan bewust en dat ù ùw gedrag aanpast want het is echt slecht gesteld met de aarde, de gorilla’s, het milieu en die ene neushoorn.

Bron: “Wat een gsm en een gorilla met elkaar te maken hebben én met ons koopgedrag” door Helenka Spanjer via DeWereldMorgen op 18 december 2017.

De eerste familiereünie

De Bruine Vloot, dat leek mij leuk. Heel de familie in Harlingen aan boord. Stukje varen over de Waddenzee. Stukje droogliggen met een picknick op het wad. En weer terugvaren naar Harlingen. Dus nam ik contact op met De Bruine Vloot. Maar dat ging mij niet makkelijk af. Uiteindelijk was zo de zomer voorbij zonder dat ik iets georganiseerd had.

Met een nichtje van me had ik het er op een verjaardag over gehad dat een familiereünie een goed idee zou zijn. Wellicht dan iets waarvoor we minder van het weer afhankelijk zijn. En zo passeerde de winter zonder dat ik iets georganiseerd had. Het voorjaar brak alweer aan voor ik er erg in had. Dan toch De Bruine Vloot?

Elke 12 weken eet ik met mijn broers en deze familiereünie gaat uiteindelijk nog maar om ons drieën, onze partners en eventueel onze ex-partners, onze kinderen, hun partners, en onze kleinkinderen, die gezien hun jonge leeftijd naar verwachting nog geen vaste partners zullen hebben. Alles bij elkaar een stuk of 20 mensen in leeftijd variërend van 9 maanden tot 72 jaar. Ik legde eind april aan mijn broers de mij-tegenvallende voortgang uit van mijn organiseren van een familiereünie. De ene broer zei “Zo, zo” en de andere “Als we nou naar het Nationaal Park De Hoge Veluwe gaan en daar rond een uur of 12 koffie drinken? Dan kunnen we daarna fietsen of wandelen! Ik kan een rondleiding geven. Tussen zeg 4 en 5 kan ieder doen wat-i wil in museum, op terras, alsnog wandelen of juist fietsen. En om 5 uur kunnen we dan net buiten het park de dag afsluiten met pannekoeken. Op weg naar dat pannekoekenhuis kan ik nog iets vertellen over het Dennen Scheren en misschien kunnen we nog getuigen zijn van het burlen van Edelherten.

Verbaasd over hoe broers van dezelfde ouders kunnen verschillen vroeg ik laatste broer of hij een en ander ook wilde organiseren en dat wilde hij.

Zo werden mijn andere broer en ik afgelopen zondag door mijn organiserende broer en zijn vrouw welkom geheten bij Het Parkrestaurant van nationaal park De Hoge Veluwe. Wegens afspraken, gedoe des levens en ziekte waren we dankzij een stand-inn toch nog met 18 mensen bijna compleet. Mijn organiserende broer organiseerde en in de nabijheid werd zelfs door De Overlopers, een Jachthoornblazers-ensemble, een demonstratie jachtmuziek gegeven. We werden door mijn organiserende broer rondgeleid. Hij vertelde verhalen over de locatie waar we waren in vroeger ijstijden en rond 1930 en wat op deze plek daartussen zoals gebeurde; zelfs over het nu en binnenkort. We bezochten een natuur-observatiepost zonder uitzicht op wilde dieren, het bezoekerscentrum annex geologisch en natuurmuseum Museonder, een terras en zagen Edelherten en kuddes hindes grazen (zoekend naar neergelegde appeltjes). De mannetjes burlden af en toe. En we sloten net buiten het park af met pannekoeken. Mijn organiserende broer organiseerde tot op het laatst door, zodat het afrekenen zo eenvoudig mogelijk zou gaan en ik bedankte publiekelijk mijn nichtje voor haar reünie-idee en mijn organiserende broer voor zijn georganiseer.

Sinds nu hebben we een groepsWhatsApp en ontvangen daar leuke foto’s van onze eerste en zeer geslaagde familiereünie op.