Mijn zomervakantie dit jaar

Mijn zomervakantie-plan bestond eruit dat ik een vriendin met een vriendin van haar zou brengen naar een camping in de Dolomieten. Daarna zou ik twee bergtochten in de buurt van die camping maken om die twee vervolgens weer terug te brengen naar Nederland. De eerste bergtocht zou twee keer zo lang duren als de tweede en ik zou vaak kamperen bij bergmeertjes; zo mogelijk altijd bij stromend water, had ik bedacht.

Zo begonnen we mijn eerste vakantiedag rond 21:30 uur aan een nachtelijke heenreis en rond 10:30 uur kwamen wij de volgende dag aan op de camping. Ik kwam bij van de heenreis, terwijl de twee vrouwen hun tent opzetten en zich hun nieuwe omgeving eigen maakten. Aan het eind van de middag namen we een voorlopig afscheid van elkaar.
Ik parkeerde mijn trouwe Volvo een kilometer of 13 verderop, sorteerde de spullen die mee gingen de bergen in, pakte mijn rugzak definitief in en wandelde nog geen kilometer naar een weide aan een rivier om mijn eerste kampement op te slaan. Ik ontdekte mijn hoofdlamp vergeten te zijn en haalde die nog even uit de auto voor ik ging slapen.
De volgende ochtend kon ik mijn (anti-)zonnebrand niet vinden en haalde mijn reserve-(anti-)zonnebrand uit de auto voor ik aan mijn bergtocht begon.

De dagen daarna was het klimmen en dalen in slow motion, waarbij ik gedoseerd naar wat ik aan wilde gaan fysiek leed. Alleen de eerste dag zag en ontmoette ik nog dagjesmensen. Ging mijn weg omhoog naar een bergmeer, dan ‘moest ik’ dat meter na meter stijgen op de een of andere manier voor elkaar zien te krijgen. Ging mijn weg omlaag dan deed ik dat eveneens op mijn dooie gemak. Wilde ik liggen, gewoon pauzeren of slapen dan deed ik dat. Wilde ik bouillon dan maakte ik die. Had ik gewone trek dan nam ik wat te eten uit mijn rugzak. En dat alles dagen achtereen. Ik liet me door markeringen de bergen optrekken en dronk onderweg heel veel water; het liefst zo uit de bergriviertjes en wanneer die niet in de buurt waren uit mijn veldfles. Ik genoot van mijn afwisselende uitzichten, met name die over de route die ik reeds afgelegd had.

Bij bliksem, wanneer ik me nog onder de boomgrens bevond, bleef ik onder de boomgrens. Bij bliksem boven de boomgrens zette ik mijn groene tentje op en probeerde de bliksem af te leiden door mijn nordic walking stokken wat verderop in de grond te steken; mijn metalen voorwerpen legde ik dan daarbij.
Ik koos ervoor onder laaghangende wolken te blijven door wat eerder dan gepland mijn groene tentje op te zetten.
Ook zette ik mijn tentje eerder op wanneer er regen op komst was. Eén keer deed ik dat, terwijl ik slechts 100 meter onder mijn doel van die dag was.

Mijn groene tentje doorstond deze vakantie opdringerige koeien en nachtelijke rukwinden in een storm. Ik kwam er achter dat ook tijdens het herkauwen koeien mij uit mijn slaap hielden en mij in slaap susten door hun luid klingelende koeienbellen. Wat ’s avonds een mooi veldje voor mijn tent was geweest, trof ik de volgende ochtend aan als een mozaïek van koeienvlaaien. Daarbij hadden de dames ook op mijn tentje gemorst.

Ik beleefde een top-wandeldag toen ik al dagen geen bereik van telefoon of internet had. Als enige mens in een vallei ‘moest ik’ met gamaschen een rivier oversteken en zette ik een 200 meter hoger mijn groene tentje aan een helderblauw ijsmeertje. Ik slenterde verder omhoog langs een voor mij moeilijke rotspassage en over rotsen, sneeuwveldjes, steenvlakten en een lange, steile steengruishelling totdat ik halverwege de middag op een bergrug van iets meer dan 3.122 meter hoogte kon genieten van een weids uitzicht over alle bergen om mij heen.
De wandelroute, die ik omhoog genomen had, nam ik grotendeels ook naar omlaag tot ik terug was bij mijn tentje.
Daar in de buurt maakte ik nog een avondwandeling waarbij ik wel een uur met elkaar spelende gemzen observeerde. Die dag at ik alles bij elkaar twee droge crackers, één winterworteltje en een handje cashewnoten. Ik dronk liters water uit stromende riviertjes en mijn veldfles.

De laatste hele dag van mijn eerste bergtocht ontmoette ik een – voor mij jong – stel, dat dezelfde route zou afleggen als ik op mijn top-wandeldag. Ik waarschuwde hen voor het deel dat ik geen markeringen gevonden had en adviseerde op die plek vooral rechts aan te houden. Ik was daar rechtdoor gegaan waardoor ik die voor mij moeilijke rotspassage had moeten zien te nemen.
Ik genoot van een uitzicht over het tweede bergmeertje waarbij ik gekampeerd had. Ik betrapte me op de gedachte dat er twee mensen bij mijn (!) meertje liepen.
Ik plaatste mijn groene tentje niet aan mijn laatst geplande bergmeertje, maar aan een kabbelend riviertje in een grote hoogvlakte met verschillende meertjes. Daar beleefde ik mentaal mijn afscheid voor deze zomer van de mij geliefde hooggebergten. Ik besloot de optie open te houden geen tweede bergtocht te gaan maken, omdat ik feitelijk mijn doel tijdens deze fantastische tocht al bereikt had.

De volgende dag verheugde ik me op een uitgebreide maaltijd in een refugehuis, maar die ging niet door omdat rond 11 uur de keuken nog gesloten was.
Ik verheugde me vervolgens op een uitgebreide maaltijd in een dorp nabij de camping. Mijn broek zakte af tot een mannenmode waaraan ik niet eerder meegedaan had. Ik trok hem toch maar steeds op. Tussen mijn riem en mijn buik paste inmiddels met gemak mijn beide vuisten. Met toestemming van iemand uit de refuge negeerde ik een gemeentelijke waarschuwing betreffende het laatste stukje tot de parkeerplaats met mijn auto. Op dat laatste stukje was een deel van het wandelpad weggegleden. Op de heenweg had ik het nog belopen. Ik had er ‘om het nooit meer af te leren’ nog een hele klim aan om die paar meter te overbruggen door door het struikgewas op de hoger gelegen berghelling een nieuwe weg te zoeken.
Vlakbij de parkeerplaats had ik nog een heel gesprek met een Italiaan uit Rome, die me uitnodigde bij zijn gezin te logeren mocht ik Rome willen bezoeken. Deze ontmoeting liep uit op mijn eerste gesprek in acht dagen. Verder had ik de dag daarvoor alleen het jonge stel even gesproken. Dagen achtereen had ik zelfs niemand gezien.
Via de camping – mijn gezelschap maakte elders een wandeling – reed ik naar een nabij gelegen dorp. Gezien de siësta stelde ik mij tevreden met een croissant, een espresso, twee verrukkelijke Italiaanse ijskoffies en een puddingbroodje. Ik bekeek de mensen op het aangelegen dorpsplein en deed na de middagrust boodschappen in de twee supermarktjes, die het dorp rijk was.
’s Avonds genoot ik met mijn gezelschap in het eenvoudige campingrestaurant uiteindelijk mijn uitgebreide maaltijd. We hadden veel uit te wisselen en het klikte goed.

De dagen daarna maakten we gezamenlijk nog een fraai en flinke tocht op hoogte door ons daarheen met een kabelbaan te laten vervoeren. Op die tocht vielen de bergschoenen van de vriendin van de vriendin tijdens een lastige oversteek in een wilde bergrivier. Eén van de twee schoenen vond ik na lang zoeken terug.
We bezochten met bus en trein een wat groter stadje om nieuwe bergschoenen te kopen en genoten van – voor ons – historische hoogtepuntjes.
En we maakten een mooie, afwisselende en afsluitende wandeltocht van 9 uur waarbij we vastliepen en dus over hetzelfde pad een stukje terug moesten. De laatste kilometer liftten we bij gebrek aan lijnbusvervoer in de auto van andere wandelaars terug naar de camping.
We namen nog een lummeldag op en rond de camping.
Op de dag van vertrek naar huis bezochten we Bolzano (Bozen), dat ons geen van drieën aansprak. Tijdens onze terugweg aten we tussen allemaal Oostenrijkers ons “galgenmaal” in Oostenrijks Tirol en de volgende ochtend om 6 uur was mijn vriendin thuis. Haar vriendin zou nog even bij haar blijven logeren. Een uurtje later was ik ook thuis; geheel voldaan van een fantastische zomervakantie. Inmiddels past mijn riem weer om mijn buik.

De Brexit en het nieuws

Nee, ik heb helemaal niets op met de Britse politicus Alexander Boris de Pfeffel Johnson (19 juni 1964). Ik wil hier een heel ander punt maken.

Na maanden en maanden framing blijkt de werkelijkheid nu heel anders.

Alle maanden van onderhandelingen binnen het Britse Lagerhuis werd de indruk gewekt als zouden de Britten geschrokken zijn van de consequenties van hun met nipte meerderheid verkozen Brexit. De interne strijd in het Lagerhuis en binnen de Conservative Party over wel of niet uittreden, en zo ja onder welke afspraken met de Europese Unie zou blijk geven van spijt en besluiteloosheid. De boodschap was dat het beter is om in de EU te blijven als je er deel van uitmaakt.

Echter, op het moment dat de 27ste Conservatieve partijleider Theresa Mary Brasier May vervangen gaat worden, blijkt dat gedurende heel de voorverkiezingen de uitgesproken Brexiteer Boris Johnson ruime voorsprong heeft op alle andere genomineerden.

Hoe zit dat nu met die framing?
Hoe zit het met de deskundigheid van al onze nieuwsduiders en opiniemakers?
Ik had er al niet zo’n hoge pet van op, en zie de voorsprong van Boris Johnson op zijn rivalen inclusief de enig overgebleven rivaal Jeremy Richard Streynsham Hunt (1 november 1966) als ondersteuning van mijn opvatting over de wijze waarop in Nederland nieuws door de mainstream media gebracht wordt: hyperig, onevenwichtig en vooringenomen.

Mocht Boris Johnson toch aan Jeremy Hunt de eer moeten laten om de 28ste partijleider van de Conservative Party te worden, dan is dat niet vanwege zijn Brexit-ideologie, tenzij de Brexit-opvattingen van de partij en haar leden mijlenver uit elkaar liggen.

Onkreukbaar Vorden

Een bestuurder reed door Vorden, ongeveer 10 km ten zuidoosten van Zutphen, op weg naar huis. Hij was een van de 5.100 inwoners van het dorp, dat bij binnenkomst laat zien hoe hard u rijdt en bij het verlaten bestuurders dankt voor het niet harder rijden dan 50 km per uur. Op een kruispunt werd hij geflitst. Hij wist toch zeker dat hij door groen gereden was.

Voor de zekerheid keerde hij zijn auto en nam het kruispunt opnieuw. Nu zeker door groen werd hij opnieuw geflitst. Dat begreep hij niet. Thuis gekomen begreep zijn vrouw het ook niet. Nog voordat ze aan tafel gingen, stapten ze samen in de auto en hij kreeg gelijk: weer reden ze door groen en toch werden ze geflitst.

Na weken lagen er bij de bestuurder en zijn vrouw drie enveloppen van het Centraal Juridisch Incassobureau op de mat: drie maal rijden zonder gordel is 3x € 140 = € 520.

Nagekomen bericht
In Vorden zijn geen verkeerslichten…

Ergo, het verhaal van de buurman van een ex-collega van mij speelde zich in een andere omgeving af of is door iemand verzonnen. In elk geval past de titel van dit stukje niet langer bij de inhoud, hoe onkreukbaar men in Vorden ook mag zijn.

Bron: naar verluid de buurman van een oud-collega van mij, toen ik tussen Zutphen en Dieren in Brummen werkte.

Albanië

Mijn reis van twee weken door Albanië was een soort van ontdekkingsreis voor mij. Sinds donderdag slaap ik weer in mijn eigen bed. Eerder in mijn leven, toen de communist Haxhi Lleshi er staatshoofd was, heb ik vanuit het Joegoslavië van Josip Broz, bijgenaamd Tito, aan de grens met Albanië gestaan. We mochten er niet in met onze Westerse boeken en kleding (spijkerbroeken). Geen denken aan, en voor ons ook geen denken aan om die spullen achter te laten.

Albaniërs roepen hier te lande geen gezellige associaties op, dus ik vond het wel wat spannend om er te gaan rondreizen. Reden om er naar toe te gaan was dat we nu nog iets van het oorspronkelijke Albanië kunnen meemaken. Het land zou zich naar verluid in rap tempo klaarmaken voor een goed geoliede toeristenindustrie en dan wordt al dat authentieke vaak tenietgedaan; zowel in omgangsvormen als in het landschap of wat je er als toerist van te zien krijgt. Toeristen houden nu eenmaal van kitsch is de ervaring van degenen die eraan willen verdienen. En we waren inderdaad net op tijd, want in een sneltreinvaart worden veel dorpen en steden omgetoverd in toeristen-boulevards. Met gladde steentjes, dus als u gaat, neem dan wandelschoenen met ruwe zolen mee. En euro’s, want de Albanese Lek is aan flinke inflatie onderhevig.

Mijn eerste en vervolgens voortdurende indruk van de Albanezen is dat het bijzonder gezellige mensen zijn; hulpvaardig, vriendelijk en vrolijk. Op straat voelde ik me overal veilig al zijn er ook, zoals overal in de wereld, achteraf-straten waar het onguur voelt. Overal zag ik mensen met elkaar pratend of alleen over straat gaan, zowel mannen als vrouwen. Het moet ook voor vrouwen een sociaal veilig land zijn, constateerde ik daaruit. Overal ervoer ik een respectvolle omgang met elkaar, zelfs toen we bedonderd waren en verhaal kwamen halen. Wanneer mensen druk, zelfs ruziënd in gesprek leken, gingen ze even later vaak samen lachend uiteen. De een de ander als afscheid een gemoedelijk klopje op de schouder gevend.

Een andere eerste en voortdurende indruk is er een van geldgebrek. Zowel de overheid als mensen hebben weinig te besteden of investeren weinig. De publieke ruimte, op de omvorming naar een toeristenland en een enkele nieuwe weg na, is duidelijk veel decennia niet onderhouden. Veel doorgaande wegen zijn nooit bestraat of geasfalteerd. Van andere is het asfalt over tientallen kilometers dermate slecht dat heel de weg gekozen moet worden de minst diepe kuilen te nemen. Door verlaten gebouwen waait de wind door de gebroken ramen. Verroest ijzer van hekken en ja-knikkers. Ingezakte daken. Overal gruis, stenen, stof en zand. En telefoonkabels. Dat er soms een uurtje geen elektriciteit is, of stromend water, lijkt voor Albanezen net zo gewoon als voor ons dat het er altijd is. De jonge mensen gaan in de grotere steden modern en goed gekleed over straat. Net als hier vaak een sigaret rokend en met een modern mobieltje aan het oor. Misschien iets vaker nog rokend dan hier. Veruit de meeste vrouwen gaan ook goed gekleed en van de mannen slechts de helft, die ik waarnam.

Die mannen zag ik overigens ook wat afroken. En ik zag ze overal in het land heel de dag de vele terrasjes bevolken. Wanneer er in de kleinere steden ook vrouwen op de terrasjes zaten, was het avond of tijd om te lunchen. Ook worden er onder de mannen spelletjes gespeeld; Backgammon en Domino. Voetbal is kennelijk zo populair dat in de steden elk terras voorzien is van minstens één megascherm waarop een voetbalwedstrijd uit de Champions leage life te zien is. In een provincieplaats telde ik in één eetgelegenheid zelfs 14 beeldschermen waarop 4 verschillende wedstrijden te volgen waren. Even verderop was er nog een taveerne met 11 beeldschermen.

In het verkeer lijkt alles geoorloofd. Een kraampje langs een snelweg met gescheiden rijbanen, snelheidsbeperkingen negeren, ‘ nachts zonder verlichting tegen het verkeer in fietsen, verbodsborden negeren, zodra een verkeerslicht op groen springt voorgangers opjagen door te toeteren. Waar we ermee te maken hadden trad de verkeerspolitie gemoedelijk op. We hoorden opmerkelijk weinig sirenes; één in veertien dagen waarvan drie dagen in Tirana. En dat terwijl we regelmatig wagens met zwaailichten, zoals die knipperlichten heten, zagen.

In gesprekken met Albanezen werden we bedankt voor ieder compliment dat we gaven. Ook kwam vaak de blik van de Albanezen op de grote wereld aan de orde. Dààr schijnt voor hen de toekomst te liggen; in Albanië blijken voor hen die we spraken weinig lonkend toekomstperspectief. Toen we ons in de bergen helemaal vastgereden hadden, zagen we gelukkig wat mensen met elkaar voor een huis praten. Hen vroegen we de weg. Een dochter van 14 werd erbij gehaald om ons Engels naar Albanees te vertalen en andersom. Na even stonden we met een volle plastic tas met druiven en gedroogde vijgen en kregen we een slaapplek aangeboden. We konden slapen op de kamer van hun zoon, die nu in China was om te studeren. Verder spreken veel mensen Italiaans omdat ze daar jaren gewerkt hebben.

Afgezien van de hoofdstad Tirana en omstreken lijkt de rest van het land, zeker dat deel waar gebergten zijn, dunbevolkt. Sommige dorpen liggen een of twee uur bochtjes rijden en kuilen vermijden van elkaar. In de vlakkere delen van het land zagen we overal alleenstaande huizen aan rechte lanen met flinke tuinen er omheen; zonder privé-zwembad. De woonhuizen, die we zagen, waren in de steden veelal aftandse flats tussen witte huizen met rode dakpannen. Buiten de steden zagen we vooral betonnen blokkendoosjes om in te wonen en van diezelfde witte huizen met rode dakpannen.

Je zult er maar geboren en getogen zijn”, ging regelmatig door mij heen. Want hoewel de mensen dus een uiterst hulpvaardige, vriendelijke en vrolijke indruk op me maakten, was ik blij weer naar ons ordelijke land terug te kunnen keren. ’t Is weer even wennen aan al dat aanmatigend gedoe, dat gedouw en dat ongeduld op straat, maar wat hebben wij de publieke ruimte hier goed op orde. Raar dan eigenlijk dat wij die warme zomer niet ook massaal aan het flaneren sloegen, zoals de Albanezen elke avond gewoon zijn te doen ongeacht de staat van hun wandelboulevards, maar dat wij altijd van A naar B op weg blijven gaan.

Na de klap

Het is geen nieuws dat in Nabi Saleh wekelijks geprotesteerd wordt tegen de handelswijze ter plaatse onder het gezag van de Israëlische regering. Eén keer haalde die protesten wel het nieuws. Niet doordat een Israëlische soldaat een 15 jarige jongen met een rubber kogel in het hoofd geschoten had. Dat is geen nieuws. Maar omdat zijn nichtje van 16 die soldaat daarna op de oprit van haar huis een klap gegeven had. Zij was ongewapend, hij was zwaar bewapend al had hij minstens een rubber kogel minder dan aan het begin van zijn ‘missie’.

Ik vermoed dat haar bijzondere haardracht een rol speelde, maar na verspreiding van de gefilmde klap via sociale media had Ahed Tamimi ineens wereldnaam gemaakt. Hoewel ik principieel elk geweld afwijs, schatte ik haar actie in als een natuurlijke reactie op zware stress; een menselijk machteloos gebaar tegen onrecht. Helaas ontvingen de aanleidingen van de wekelijkse protesten door haar klap geen wereldaandacht; wel kwam het onrechtmatig optreden van Israël richting haar en de haren onder een vergrootglas te liggen. Wat een onmachtig gebaar van een meisje met een opvallende haardracht aan aandacht kan genereren bleek te grenzen aan het ondenkbare.

Dat een Israëlische vrouw voor het meermaals slaan van Israëlische militairen nog geen dag vast zit, en Ahed Tamimi maar niet vrij kwam, werd wereldnieuws. Dat kennen wij van een maatschappelijk systeem dat we nog in het Caribisch deel van het Koninkrijk der Nederlanden, Indonesië, Suriname en Zuid-Afrika ingevoerd hebben: apartheid. Dat haar moeder en 10 andere minderjarige Palestijnse kinderen uit Nabi Saleh later ook gearresteerd werden, wellicht om Ahed Tamimi geestelijk onder druk te zetten, deed later ook op sociale media de ronde. De moeder van Ahed Tamimi kreeg voor het filmen en wereldkundig maken van de Israëlische praktijken 8 maanden cel opgelegd. Het neefje verklaarde onder dreiging met een lange gevangenisstraf dat de rubber kogel in zijn hoofd terecht gekomen is door een ongelukkige val met zijn fiets. Pars pro toto.

Internationale erkenning voor Ahed Tamimi volgde, of feitelijk kreeg de wereld door de filmpjes veel meer weet over het optreden van Israëliërs in de bezette gebieden. Er volgden wereldwijde handtekeningenacties en pleitnotities. Allemaal zaken om je als Israëlische regering vreselijk aan te storen, zelfs al laat die regering zich – zolang ze zich verzekerd weet van bescherming van de Verenigde Staten van Amerika – weinig gelegen liggen aan internationale verontwaardiging.

Later was een ander filmpje via sociale media te zien: een verhoor van Ahed Tamimi. Wat we zien, is dat zij tegen het internationaal en het Israëlisch recht in zonder bijstand van een volwassene ondervraagd wordt. Dat blijkt ook een Israëlische omgangsgewoonte voor Palestijnse minderjarigen. 300 andere Palestijnse kinderen worden momenteel op dezelfde manier tegen het Israëlisch recht in behandeld. Mishandeld? Tijdens haar verhoor, kunnen we zien, krijgt ze van haar mannelijk ondervrager complimenten over haar lichaam en haar ‘ogen als die van een engel”. Pars pro toto.

Na afloop van haar detentie vertelde Ahed Tamimi dat de ervaring van het gearresteerd worden haar onbeschrijflijk zwaar gevallen was. Ze vertelde erbij dat ze geen spijt had van de klap die zij gegeven heeft. Volgens haar was hij de soldaat die haar neefje in het hoofd geschoten had. Dat neefje moet de rest van zijn leven met een flink litteken in zijn gezicht door het leven. Tegelijk geeft Ahed Tamimi er blijk van dat alles na de klap waarde aan haar leven heeft gegeven. Ze merkte op dat ze door al deze narigheid volwassener geworden was, bewuster. Zou ze anders wellicht voor een carrière als profvoetballer gegaan zijn, nu wenst zij rechter te worden. Zij wil rechtszaken over schendingen van Israël tegen het internationale recht gaan leiden. Haar bekendheid heeft haar ook de mogelijkheid opgeleverd een studie naar haar keuze te volgen.

Tijdens haar detentie heeft ze samen met andere gevangenen geprobeerd zich verder te scholen. Nu is ze na een deal (4 bekentenissen tegen 7 maanden cel) weer herenigd met haar familie. Ze hoopt tot rust te komen, geniet van het rondlopen zonder handboeien om en beraadt zich op volgende stappen in haar persoonlijke leven. Een conflict is in Nabi Saleh echter nooit ver weg. Haar oudere broer zit in een Israëlische gevangenis in verband met confrontaties met Israëlische soldaten en vanuit haar huis kijkt ze uit op een Israëlische militaire post.

Wat ik met dat ‘pars pro toto’ bedoel? Ik vermoed dat we zo ongelooflijk veel niet weten, maar dat soms wel een tipje van een sluier opgelicht wordt. Dat geldt dan wat mij betreft voor de zaken in de alinea voorafgaand.

Bronnen: “Ahed Tamimi: ‘I am a freedom fighter. I will not be the victim’ Interview” door Oliver Holmes and Sufian Taha in Nabi Saleh via The Guardian op 30 juli 2018 en het dossier “Bezetting en kolonisatie Palestina” van DeWereldMorgen.

Overdenkingen bij een ree

Vandaag fietste ik van Soest naar Maartensdijk. In de bossen bij het landgoed de Paltz schoot ineens een ree links naast mij uit de berm, rende naast mijn fiets, haalde me in en vluchtte met een wijde boog voor mijn fiets uit de bossen in; aan de andere kant van de weg was een hek; vandaar dat het niet dìe andere kant op vluchtte.

Dat beest toch. Onnodige hartkloppingen, zinloze angst. Hij (of zij ?) zou mij moeten kennen… Dàn was het gewoon weer gaan slapen, maar ja, dat wist het beestje niet.

Zal wel veel vaker gebeuren: dat we bang zijn voor wie we helemaal geen angst hoeven te hebben. Als we elkaar maar kenden…

Het gaat om ‘wat’

Gisterenavond kwam ik na het avondeten thuis. Bij een vriend had ik tofu, op zijn Chinees klaargemaakt, met groenten en bami gegeten. Ik besloot nog even een haardvuur te maken. Slecht voor het milieu, ik weet het, maar ik deed het toch. Al snel knapperde het vuurtje in mijn woonkamer. Ik zette me op een stoel er tegenover.

Mijn gedachten gingen naar de afgelopen dag. Op de fiets naar Utrecht had ik herinneringen gehad aan mijn jammerlijke gedachten over een gesprek, ooit met een vriendin. In Utrecht sprak ik een andere vriendin onder meer over mijn gedachten over dat gesprek met die eerste. Daarna was ik naar een vriend gegaan, waarmee ik allerlei gesprekken had gevoerd, waaronder… Juist. En toen die tofu met groenten en bami.

Kijkend in het vuur gingen mijn gedachten naar de afgelopen week. Gesprekken en informatie. Indrukken en stilte. Waken, stilzitten en slapen. Mooi woord eigenlijk: ‘indrukken’. Alsof je een versteende voetafdruk van een dinosaurus vindt, zo vind ik herinneringen terug die ‘indruk’ op mij gemaakt hebben.

Wat is nu echt belangrijk? mijmerde ik bij mezelf.
Wat, van wat ik deze week heb meegemaakt, doet er toe? preciseerde ik.
Kan ik dat nu al weten, of weten we dat altijd pas langer achteraf?

Ik deed een blok hout op mijn vuurtje om het aan te houden en liep naar de koelkast voor een glas wijn.
Waarom alcohol? Mijn vriend-van-de-tofu doet mee om 40 dagen geen alcohol te drinken. Omdat hij eerder begonnen is dan na carnaval, is hij nu al op de helft. Hij merkt positieve verschillen.
De druivensap in mijn koelkast is waarschijnlijk niet goed meer. Net als de bosvruchtensap. In de cassis heb ik geen zin.
Met een glas water zet ik mij weer voor het vuur.

Hoe zou ik deze tijd omschrijven? Trump? Rutte? Nee, niet die van Halbe Zijlstra of Thierrie Baudet.
De tijd waarin heel de wereld zich niets aantrok van het lot van de Palestijnen? En van de Grieken, Rohingya, Tibetanen, de nog overgebleven Indianen; van alle Vreemden; de tijd waarin wij-en-zij-denken na de Tweede Wereldoorlog weer mode werd?
De tijd waarin we de klimaatproblemen begonnen te onderkennen maar niet bereid waren iets aan onze levensstijl te veranderen?
Toen had ik geen gedachten meer; keek enkel naar het vuur dat mij verwarmde.
Ik nam nog maar eens een slok water.
Geknesper.
Vlammetjes en één heel lange, sierlijk van onder naar hoog.
Ik wil weten hoe het met een familielid van mij gaat; morgenochtend bellen. Niet nu.
Het is alsof een miniwind door de vlammen raast.

Zo zat ik misschien wel vijf minuten. Misschien een kwartier. Tijdloos en stil zoals het geluid van de golven op het strand me aan stilte kan doen denken. In het geluid van golven aan het strand kan ik alles horen; stilte, maar ook vage gesprekken of muziekstukken.
Het geknesper in mijn vuurtje deed me ineens denken aan bigbandmuziek. Onlangs gehoord in TivoliVredenburg. De klankkleur herinnerde mij aan de tijd dat ik speelde in het Utrechts Jazzorkest en bij Jubal waar ik trombone leerde spelen. Indrukken.
Hi, hi.

Dat is het! Wat er echt toe doet is wat ik deed en doe.
Of ik nu samen muziek maak, gedachten uitwissel, stilzit, slaap of mijn werk uitmuntend doe. Het gaat om ‘wat’: ‘Ik heb een steen verlegd,

in een rivier op aarde.
Het water gaat er anders dan voorheen.
De stroom van een rivier, hou je niet tegen
het water vindt er altijd wel een weg omheen.
Misschien eens gevuld, door sneeuw en regen,
neemt de rivier m’n kiezel met zich mee.
Om hem, dan glad en rond gesleten,
te laten rusten in de luwte van de zee.

Ik heb een steen verlegd,
in een rivier op aarde.
Nu weet ik dat ik nooit zal zijn vergeten.
Ik leverde bewijs van mijn bestaan.
Omdat, door het verleggen van die ene steen,
de stroom nooit meer dezelfde weg zal gaan’, zong Bram Vermeulen ooit. Dat is wat er voor mij toe doet: de steentjes, die ìk heb verlegd. Vandaag, gisteren en daarvoor.

Het vuur liet ik uitbranden tot het gloeide; tot het hier en daar nog gloeide. Ik schonk mezelf een glas witte wijn in, poetste mijn tanden na gerag en geflos, waste mijn nek en ik ging naar bed. Het glas wijn plaatste ik naast mijn bed.

Vanmorgen stond het er nog, net zo vol als ik het gisteren had ingeschonken.
Na opstaan, wassen, ontbijten en bellen dacht ik bij mijzelf: Welk steentje ga ik vandaag in welke rivier verleggen? Wat voor moois ga ik vandaag bijdragen aan de wereld inclusief mijn familie, vrienden en aan mijzelf?
“Wat voor moois nog meer? preciseerde ik.
Hi, hi.