Het ochtendgloren van alles

Samenlevingen komen en gaan sinds er mensen, of wat daarop lijkt, op aarde rondlopen. Over die samenlevingen weten we weinig. Te weinig. Soms zijn we onder de indruk van wat resteert aan overblijfselen van oud-Chinezen of Inca’s, maar daarna gaan we toch weer over tot de orde van de dag. Wij bekijken onze maatschappij – zeker in Australië, Canada, Europa, Nieuw-Zeeland en de Verenigde Staten van Amerika al te gemakkelijk als een hoogstandje voor de mensheid. En bij gebrek aan fantasie en realiteitsbesef geloven we dat onze manier van denken en doen dwingend leidt tot steeds beter. We zijn inmiddels zelfs zo knap dat we technisch in staat zijn om alle menselijke leven op aarde te vernietigen. Albert Einstein zou daarover ooit gezegd hebben: “Ik weet niet of er een Derde Wereldoorlog komt, maar ik weet zeker dat in een Vierde Wereldoorlog met de knuppel gestreden zal worden.

Het verontrust mij haast dagelijks dat we onszelf zo overschatten. Ik betreur het gemis aan fundamentele alternatieven in ons publieke debat en het gebrek aan systeemkritiek, laat staan weerwoord tegen wat de VS de wereld(-burgers) allemaal aandoet en wat van daar naar hier overwaait. Daar loop ik al mee rond sinds ik volwassen ben, terwijl het me eveneens altijd aan enthousiasme ontbroken heeft over hoe andere (potentiële) grootmachten hun samenlevingen vorm geven. Volgens mij zou het beter zijn ons voortdurend af te vragen in wat voor wereld we willen leven. Maar wanneer dat al onderwerp van gesprek is, overheerst eigen belang over het belang van alle mensen. We schijnen onszelf niet (meer) voor te kunnen stellen hoe we als deel van de gehele mensheid zouden willen leven.

Dus beperk ik me nu ook maar even tot ‘wij’. Gaat ons dominante, kapitalistische, neoliberale economische systeem nog lang mee? Zullen de antropologen en sociologen van de volgende eeuwen onze maatschappij-inrichting ooit beschrijven als ‘een chaotische overgangsfase naar…’? Wat mij betreft hopelijk dan toch naar iets beters voor iedereen dan wat het nu is…

Het zou goed zijn te beseffen dat er niet zoiets bestaat als ‘de definitieve maatschappij’, ‘een definitieve wereldorde’ of ‘het einde van de geschiedenis’ naar Francis Fukuyama. Centrale regeringen, culturen, grootaandeelhouders, grootbedrijven, overweldigende legers en staten zijn allesbehalve stabiel. En zelf zijn we ook niets meer dan voorbijgangers, die er heel eventjes waren, al is het in onze beleving niets korter dan een heel mensenleven. De wereld waarin wij leven en zoals wij die inrichten is door de afgelopen millennia heen in permanente overgang gebleken. Systemen komen op en verdwijnen in de vergetelheid van volgende generaties mensen.

Samenlevingen uit het verleden, de maatschappij-inrichtingen van ooit hebben eeuwen en soms millennia lang onveranderd bestaan en gefunctioneerd, hoe afgunstwekkend, kwaadaardig, vredig of wreed in onze beleving ook. Wanneer we zouden beseffen dat andere maatschappelijke systemen soms millennia nagenoeg onveranderd bleven, geeft dat misschien een verhelderende blik op het grote relatieve gehalte, dat kleeft aan onze huidige consensus; aan onze huidige ‘waarheden’. Zouden we daarvan kunnen leren? Dan moet onze over het paard getilde zelfvoldaanheid toch plaats maken voor (werkelijke) interesse in onze idealen en ons verleden als mensheid.

Het betekent dat we zouden hebben kunnen leven onder wezenlijk verschillende opvattingen over waar de mensenmaatschappij werkelijk om draait. Het betekent dat massale onderwerping, genocide, gevangenkampen, zelfs het patriarchaat of regimes van loonarbeid nooit hadden hoeven bestaan. Maar aan de andere kant laat het ook zien dat, zelfs nu, de mogelijkheden voor menselijk ingrijpen groter zijn dan we geneigd zijn te denken”, schreven David Graeber & David Wengrow in “Het begin van alles, …”. Het hoeft helemaal niet te gaan zoals het nu gaat. Het kan wel degelijk anders. Het verleden van menselijke samenlevingen toont aan dat machtige gemeenschappen verdwenen zijn, dat er géén lineaire ontwikkeling naar het nu plaats gevonden heeft, dat overgangstijden in werkelijkheid samenlevingen behelsden die vaak eeuwen en soms millennia stabiel bleven en dat zogezegd ‘zwakke maatschappijvormen zonder centraal gezag, zonder keizers en koningen, zonder legers, zonder multinationals’ eeuwenlang konden bestaan, grote steden ontwikkelden en verre reizen mogelijk maakten. Er is niets dat aantoont dat dit niet opnieuw zou kunnen; dat iets resoluut anders onmogelijk is. Het gaat er om wat we doen en nalaten gedurende de korte tijd dat we het wereldgebeuren in het klein of op ongekend grote schaal kunnen veranderen.

Bron: “‘Het begin van alles’, een nieuwe blik op de mensheid, toen en nu” door Lode Vanoost via DeWereldMorgen op 3 juni 2022. Vanoost bespreekt daarin de Nederlandse vertaling van “The Dawn of Everything” (2021): “Het begin van alles, een nieuwe geschiedenis van de mensheid” (2022), door David Graeber & David Wengrow, uitgegeven door – in goed Nederlands – Maven Publishing, Amsterdam onder ISBN 97894932132265.

De denker des vaderlands aan het woord

Zondagavond, voordat ik maandag met een vriend zou gaan wandelen, ontving ik een WhatsApp-je van hem: “Eet je wel of geen zalm?” Daaruit maakte ik op dat hij verwachtte dat ik bij hem zou blijven eten. Ik kon me niet herinneren dat ik dat met hem afgesproken had, maar mijn ervaring leert dat dat niet wilde zeggen dat we geen eetafspraak hadden.

Feit was dat we zouden gaan wandelen en dat hij mij deze vraag stelde. De rest was interpretatie. Het is belangrijk om dat onderscheid te maken, hield filosoof Paul van Tongeren, onze huidige ‘Denker des vaderlands’, zijn publiek diezelfde maandagavond voor. Hij stelde voor eens een willekeurig interessant krantenartikel en een zwarte stift bij de hand te nemen. Onderscheid in dat artikel feiten van interpretaties en streep de interpretaties met de zwarte stift door. Streep vervolgens met de zwarte stift alle woorden door die behoren bij de interpretaties. Wanneer u dat doet, zult u slechts enkele leesbare woorden in dat artikel overhouden. En dat is iets waarvan we ons altijd bewust zouden moeten zijn: wij, mensen, geven betekenis aan wat we horen, lezen, proeven, ruiken, voelen en zien. Haast alles wat in ons omgaat is interpretatie, is mening, is opvatting.

We doen ’s ochtends de gordijnen open en de zon schijnt naar binnen: “Mooi weer” interpreteren we wat we zien. En precies zo gaan we om met de muziek die we horen, het nieuws dat we vernemen, de omgeving die we zien, en de woorden die we horen. Aan alles wat we waarnemen, geven we betekenis; of we het willen of niet.

Van Tongeren waarschuwde zijn publiek ook voor bedreigingen van dit onderscheidingsvermogen, waardoor we feiten en onze interpretaties daarvan onvoldoende uit elkaar houden. Hij noemde als eerste wat hij aanduidde met ‘sciëntisme’; de wijsgerig-wetenschappelijke stelling, die stelt dat wetenschap de enige route is om tot valide kennis te komen. Wanneer we vernemen dat “onderzoek uitgewezen heeft…” zijn we geneigd daar meer belang aan te hechten dan aan een mening, terwijl we vaak nalaten ons af te vragen welke belangen het aangehaalde onderzoek diende; zijn het wel valide onderzoeksresultaten? In de wetenschap dat haast alles interpretatie is, zijn dat uiterst relevante vragen. Bovendien, in hoeverre zijn die onderzoeksresultaten voor mij belangrijk? Welk deel van de werkelijkheid is met dit onderzoek blootgelegd? Welk deel is nog onzichtbaar? Sciëntisme kan onze menselijkheid aantasten en leiden tot vervreemding, wanneer bijvoorbeeld hetgeen we vanuit onszelf zouden voelen onbewust gedomineerd wordt door zogenaamde kennis over wat we waarnemen.

Een andere bedreiging voor het maken van onderscheid tussen feiten en de interpretaties daarvan is gelegen in ‘het subjectivisme’; de opvatting dat kritische opvattingen geen eenduidige aanspraak op ons gedachtengoed kunnen maken waar grosso modo iedereen het eens is, omdat ze in wezen subjectief zijn. Ook dat doet onze menselijkheid tekort. Het doet er wel degelijk toe welke betekenissen we stuk voor stuk geven aan wat van invloed op ons is en aan de door ons beleefde wereld.

Wauw, we zijn postmoderne mensen

Feiten kunnen vastgesteld worden. Betekenis daaraan waarnemen (“het is mooi weer”) vereist erkennen van onzekerheid en een blijvend zoeken naar ‘waarheid’. Nu ik het buiten aangenaam vind, ìs het daarmee natuurlijk nog geen mooi weer voor iedereen hier en wat is dat eigenlijk, mooi weer? Het vraagt ons te streven naar consensus en het borgen van dissensus; we moeten ervoor zorgen met elkaar in gesprek te blijven of de consensus over de feiten werkelijk dichtbij ‘de waarheid’ komt.

We hebben vaak het idee moderne, verlichte mensen te zijn, maar – wat we ons haast nooit bewust zijn – we zijn tegelijkertijd ook nog altijd de premoderne mensen van voor de door Benedictus de Spinoza ingezette verlichting. We voelen ons individuen in een gemeenschap, maar ontlenen onze identiteit – net als vòòr de Gouden Eeuw waarin de rationalisten van de vroeg-moderne filosofie een nieuwe kijk op de wereldorde te berde brachten – nog altijd aan de gemeenschappen waartoe we behoren (familie, gezin, lotsverbondenen, samenwerkingsverbanden, status, vereniging, werk). “Kijk maar hoe we ons in een voorstelrondje presenteren”, zegt Van Tongeren. En we hebben er veel aan gedaan om de natuur naar onze hand te zetten, maar worden ons steeds indringender bewust dat we niet meer dan een onderdeel blijven van de natuur en haar verschijnselen. “Nee”, zei Van Tongeren gisteravond, “we leven inmiddels in een ‘postmoderne tijd’; een tijd waarin we ons bewust zijn geworden zowel moderne als premoderne mensen te zijn”.

O ja, de wandeling was weer een fijne manier van samen onze gedachten delen en te genieten van de omgeving van Amerongen, dit keer. Overigens had die vriend helemaal niet op mij gerekend met het avondeten. Zijn vraag kwam eruit voort dat hij zalmwraps had, en zich afvroeg die op onze wandeling mee te nemen. Dus maakte ik me na de wandeling klaar om naar de Bilthovense Woudkapel af te reizen. Zo werd het voor mij na de wandeling met die vriend ook een bijzonder boeiende avond door wat Van Tongeren ons daar te vertellen had. Zijn verhaal sprak mij aan. Ja, zoals u begrijpt maakte ik deel uit van zijn publiek, dat hem na afloop een enthousiast applaus gaf.

Een heden en verleden in Sittard en omgeving

We zagen veel moois in en rond Sittard, zoals De Limbourg met zijn verrukkelijke vlaaien, de prachtige Sint-Petrus’ Stoel in Antiochië, oftewel de Sint Petruskerk en de inmiddels verharde zandjwaeg ‘Kollenberg’, die naar de Sint Rosakapel en daarachter de prachtige gerst- en roggevelden in het glooiende landschap leidt. Rosa van Lima is sinds 1669 de plaatselijke patroonheilige.

En we waren hier in Sittard na een fijn en gastvrij onthaal bij een neef van mij en de traktatie op twee eenakters in plat Sittards. Die maakten we onverwacht mee toen we kasteel Limbricht even bezochten, waar een jaar voor de bouw van de Sint Rosakapel op Nederlandse bodem het laatste heksenproces heeft plaatsgevonden. Toentertijd moest* de mond van de kordate Entgen Luijten gesnoerd worden. Haar proces, waarvan de stukken bewaard gebleven zijn, vond hier plaats om de kritiek op de hoge belastingheffing door kasteelheer Herman Winand van Breyll voor eens en altijd de kop in te drukken. Dat gebeurde op basis van de pauselijke inquisitie (van het Latijn inquisitio = onderzoek); een folterende rechtbank van de Katholieke Kerk, die over deze praktijken tot op de dag van vandaag vergeten is excuses te maken aan met name besluitvaardige, doortastende, zelfstandige vrouwen van weleer, die hun leven meestal eindigden op brandstapels waarbij hun bezit toebedeeld werd aan de Katholieke kerk. Ook dat machtsmisbruik houdt verband met de pracht en praal, die we nu nog zien in de Sint Petruskerk en de Sint Rosakapel. En dan hebben we het nog niet eens gehad over ons heerlijke verblijf boven het fijne restaurant ‘Het koperen keteltje’ in Nieuwstadt. Maar laat ik dat nu maar eens voor mijzelf houden.

Gedachten en herinneringen bij het graf van Rietje en Toon

De tweede dag wandelden we via de VVV naar de begraafplaats van Rietje en Toon Hermans. Op het rode bankje rond de rode beuk met uitzicht op dat graf en andere graven zaten we met onze eigen gedachten, waarvan we elkaar deelgenoot maakten.

Ik herinner me dat hij voor mij een idool, nou ja, eerder mij een houvast bood in mijn moeilijke puberale jaren, zoals veel pubers die meemaken. Natuurlijk was hij in die tijd een podiumkunst-vernieuwer als geen ander met bijvoorbeeld de door hem uitgevonden ‘one manshow’, en natuurlijk maakte hij volstrekt onschuldige grappen zoals na het neerzetten van een aantal rake imitaties van bekende Nederlanders te vragen of de mensen weten wie dit is om vervolgens gewoon rond te lopen. En het was dan de heer Slobhuizen uit Enschede, die niemand kende. En natuurlijk, het lukte hem soms zijn publiek een half uur achter elkaar te laten schuddebuiken van het lachen om niets, zoals de stoel waarop zijn zus gezeten had of het uitsteeksel waar zijn microfoonsnoer achter was blijven haken. Maar, hoewel dat allemaal niet onbelangrijk was, raakte Toon Hermans mij door bijvoorbeeld aan het eind van een voorstelling zijn publiek te vragen om straks, voor het slapen gaan, eens naar je eigen handen te kijken. En wanneer je daarnaar kijkt om er even bij stil te staan dat ze bewegen als jij dat wilt. Kijk, ze bewegen, omdat ik dat wil. Is dat geen wonder, mensen? Mijn vingers bewegen als ik dat wil. Doe me een plezier mensen en kijk straks voor het slapen gaan naar dat grote wonder in jezelf.

Dergelijke wellicht aan het taoïsme verwante aandacht voor het gewone van Toon Hermans, raakte me toentertijd al en sindsdien. En, als gezegd, bood het mij lange tijd een houvast voor mijn bewustwording hoe uitverkoren ik ben om mijn leven op aarde te mogen meemaken. En daar lag hij nu te vergaan, met ‘zijn’ Rietje Weytboer onder dezelfde grote witte zerk. Zijn geboortehuis blijkt te zijn afgebroken, maar zijn inmiddels gerenoveerde woonhuis staat er nog met – helaas – een beeld van ‘de komiek Toon’ ervoor. In dat huis was op elf-jarige leeftijd van Toon, die toen nog door iedereen ‘Teun’ genoemd werd, zijn vader overleden. Daarmee brak voor de familie Hermans-Dullens een periode van armoede aan. Het zou deze armoede zijn, waarom Toon zijn vak koos: de mensen in hun kommervolle bestaan een zorgeloze avond bezorgen.

En daar kwamen de volgende bezoekers voor Toons graf; voor ons tijd om op te stappen.

_________________

* De belangstelling voor Entgen Luijten, die in oktober 1674 tijdens het heksenproces onder verdachte omstandigheden in haar kerker op kasteel Limbricht overleed, is in 2021 nieuw leven ingeblazen. Er zijn toen opnamen gemaakt voor een korte film “De beul van Entgen Luijten” van regisseur Gideon van Eeden. En Entgen kreeg zelfs landelijke bekendheid door de bestseller “De heks van Limbricht”; een roman die Susan Smit over haar en haar proces dat jaar publiceerde. Een volledige detailanalyse van het procesdossier van Entgen, dat bewaard wordt in Archief De Domijnen in Sittard, is echter nooit gedaan en nooit gepubliceerd. Momenteel wordt daarom breder archiefonderzoek uitgevoerd om dit proces in een historisch correct kader te kunnen plaatsen.

Rond november 2022 zal naar verwachting in de reeks Monografieën, het boek “Dossier Entgen Luijten – ‘De heks van Limbricht?’” verschijnen. Belangstellenden kunnen daarover meer lezen door deze link aan te klikken.

Een welbestede dag

Er was een tijd dat ik mijn aandacht verdeelde tussen mijn kinderen, mijn partner en mijn werk. Maar dat is verleden tijd. Nu moet ik zelf bedenken hoe ik mijn dagen vul, en dat blijkt een mooi voorrecht. Zo stonden mien leafke en ik zondag een uurtje na zonsopkomst op om ons zo efficiënt mogelijk klaar te maken om naar dorpshuis ‘De hoeksteen’ in Noordlaren af te reizen. Daar kwamen we achter een kopje koffie bij van de reis. We hadden een enveloppe gekregen met kaartjes en de locaties, die meedoen aan het huiskamerconcertfestival 2022 ‘Achter de veurdeur’. We spraken Noordlaarders, zoals de voorzitter van een stichting, die probeert Noordlaarders een keer of zes per jaar in de kerk te krijgen, voor een concert. Er heerste een gezellige ons-kent-onssfeer, waarbij het warme, zonnige weer meehielp.

Het eerste concert, dat we bezochten, was direct raak. Pianist Dimitar Dimitrov en celliste Mare Keja speelden bij Suzanne van der Land en Alex Scheper de eerste cellosonate van Johannes Brahms in e-klein. En alsof dat niet genoeg was, speelde eerste nog de Drie Klavierstücke van Franz Schubert. Het was prachtig en de kop was eraf.

Bij ‘De hoeksteen’ waren allemaal tafels op straat gezet voor de lunch van de bezoekers, degenen die hun huis hadden opengesteld en de musici. Wederom een moment om met anderen over de eerste ervaringen te praten en kennis te maken, zoals de man uit Glimmen die deze entourage uitgezocht had om zijn 65ste verjaardag te vieren.

In de tuin bij de familie Van Dijk luisterden we naar Iris Kroes. Zij zong bij haar harpspel en leidde haar liedjes in. Ik kon mijn tranen niet bedwingen, als ik dat had gewild.

Last but not least luisterden we bij Ronald Bijkerk en Andrea Drost naar hobokwartet Driekwartplus. Esther Damsma-in ’t Groen (viool), Irma Haverkamp (altviool), Winde Reijnders (cello) en Noor van de Wetering (hobo) speelden werken van Johann Sebastiaan Bach, Ernö Dohnányi en Allan Stephenson, waarbij mijn cellodocente in het eerste ten gehore gebrachte ‘Concert voor hobo d’amore en strijkers’ bedreven als altijd alle niet violisten harmonieus op haar cello vertolkte; van zo hoog tot zo laag als de cello kan, strijkend en tokkelend om samen met de violisten de poëtische hobopartij te ondersteunen.

Achteraf namen we de gelegenheid te baat om bij ‘De hoeksteen’ nog na te praten met andere gasten. Wanneer je met anderen doorpraat kan blijken dat je gemeenschappelijke kennissen hebt. Dat gebeurde met een vrouw, die in Almere bleek te wonen. We dachten dat deze zondag 22 mei 2022 zijn aangename verrassingen wel prijsgegeven had, toen we uiteindelijk richting hotel in Paterswolde reden, maar dat hadden we verkeerd. Alle vragen van de receptionist moesten we beantwoorden met “Dat weten we nog niet”; of voor het diner een tafel gereserveerd moest worden, of we een ontbijt wilden, of we van de sauna gebruik wilden maken…

Op onze rustig gelegen kamer maakte ik aanstalten om te gaan bijkomen van alle mooie indrukken, maar mien leafke vroeg of we nog even aan de wandel zouden gaan. Dat leek me een beter idee dan het mijne; bekomen kan later vanavond nog. In onze uitgaanskleding liepen we naar het Paterswoldsemeer. En vandaar, we moesten immers nog ergens gaan eten, wandelden we richting Paterswolde. Maar eerst belandden we bij toeval in ‘Het Friesche Veen’, waar we genoten van een grazend ree, de stilte, af en toe verbroken door het gekwaak van een kikker of koekoeksgeroep in de verte, en waterhoentjes, die voor hun kroost zorgden. Een uitgelezen plekje om zover oog en oor reikten in de natuur te bekomen van alle indrukken eerder op de dag; veel beter dan op onze weinig artistieke, maar comfortabele kamer.

In het dorp vonden we bij toeval de drukbezochte Italiaanse ‘Pizzeria da Gianni’. Wij namen bij een flesje Italiaans bier, een pizza en ravioli, en daarna bij de koffie of thee een cannoncini. Daarna wilden we niet langs de autoweg, maar avontuurlijker terugwandelen naar ons hotel. Dat lukte. Op de gok kwamen we op het landgoed ‘De Braak’, maar daar strandden we met het uitzicht op weer andere grazende reeën. We probeerden het wat verderop en hoopten, wanneer we over een hek zouden klimmen, een doorgang te vinden. Dan moesten we toch nog een hek met schrikdraad passeren. En over een slootje springen; mien leafke op haar laarsjes met een hakje. Hier werd het vochtig geworden gras wel wat hoog, maar er lagen duikers over de sloten, dus dat trof. Tot een hindernis met een hogere moeilijkheidsgraad genomen moest worden: een echte sloot met aan de overkant een afrastering. Daarna liepen we goedgemutst af op het laatst te nemen hek, voordat we de openbare weg weer bereikten. Daar aangekomen liepen we richting hoofdweg om erachter te komen dat we precies bij ons hotel uitkwamen. De zon ging juist onder en wij trokken ons terug op onze kamer voor een nacht. Wat daar gebeurde laat zich raden.

De volgende dag doorkruisten we de kop van Drenthe, waar we pauzeerden bij het 10.000 jaar oude vennetje met veenpluis in het Mensingebos bij Roden en bezochten familie, die een rijkgevulde salade voor ons klaargezet had. Wanneer je ook op maandag niet naar je werk hoeft, kan dat zomaar. Fijn toch?

In wat voor wereld wil jij leven?

Terugblikkend op mijn leven heb ik het goed getroffen. Ik ben gezond geboren in Nederland en mijn voorouders kwamen ook hier vandaan. Ik ben handig en slim genoeg om me waar ik ook kom te handhaven, en sommige plekken en situaties mijd ik. Mijn ouders waren blij met mij als ‘nakomertje’. Ik werd in de watten gelegd, totdat mij hetzelfde lot ten deel viel als mijn broers en zus: ik noem het maar ‘de generatiekloof’. Thuis was het voor mij met zulke ouders als de mijne niet aangenaam meer, en zo leerde ik om te gaan met een scala aan mensen, vriendschappen te onderhouden en te sluiten. Een tante en oom adopteerde ik als plaatsvervangende ouders. Omdat het mij het beste leek, ging ik na de nodige dwaalwegen naar een universiteit om daar als landschapsecoloog af te studeren. Ik hopte vervolgens van baan naar baan, want ik kon geen vast werk krijgen. Werkgevers waren personeel al als kostenpost gaan zien. Maar ik kon me met mijn achtergrond en bijzonderheden goed redden. Nu ben ik begonnen om cello te leren spelen en ik ben al even met pensioen. Ik geniet van culturele evenementen en dagwandelingen, van de wonderen in bossen en op de hei, van klompenpaden en de zee.

Hier betoog ik nog wel eens dat onze voorouders en mijn generatie er een potje van gemaakt hebben. Ik denk dan bijvoorbeeld aan de perspectieven voor mijn kinderen wanneer ik die vergelijk met mijn perspectieven op hun leeftijd. Toentertijd hadden onze ouders in Nederland een ‘verzorgingsstaat’ opgetuigd; iets dat mijn kinderen zich niet voor kunnen stellen: iets voor niets kunnen krijgen.

Het doorgeschoten marktdenken heeft veel kapot gemaakt, maar “in wat voor wereld zou ik dan wel willen leven?’ vraag ik me wel eens af. Gisteravond kreeg ik onverwacht een antwoord: in een cultuur waar welgemeende aandacht, belangeloze compassie en instinctieve zorg voor elkaar gewoon zijn. Waar mensen niet over één kam geschoren worden, waar vertrouwen een relationele basis is en waar vreemden gezien worden als gewone medemensen.

Ik ga hier overigens niet beweren dat alles vroeger beter was, want ook op Den Uyl, die ik nu als laatste PvdA-er op handen draag, had en heb ik kritiek, omdat de PvdA toen niet ver genoeg ging en er waren ook toen allerhande misstanden. Ook toen had ik mazzel met een Nederlandse achternaam, mijn gezondheid en met mijn witte huid. Maar met de markteconomie is het cement steeds meer uit onze samenleving verdwenen, zijn we elkaars dagelijkse concurrenten geworden en staan we langzaam maar zeker oog in oog met verschillende manieren waarop we het leven op aarde kunnen vernietigen.

Schaf de feestdagen in mei maar af

Bevrijdingsdag, Dodenherdenking, Koningsdag, ze kunnen mij alledrie gestolen worden. Wat betreft Bevrijdingsdag op 5 mei, omdat op 4 mei 1945 de Canadese generaal Charles Foulkes de Duitse generaal Johannes Blaskowitz om 16u in het Wageningse hotel ‘De Wereld’ ontboden had om de zeven artikelen van het “Orders to German Commanders on Surrender” te ondertekenen. Blaskowitz kwam en tekende ze – zoals vereist – ‘onmiddellijk en zonder enig commentaar’ om 16.30u; binnen een half uur. Dat is voor mij wel het herdenken waard (op 4 mei).

Maar doordat onze (voor-)ouders en wij er daarna op de vlakken van democratie, mensenrechten en vrijheid een potje van gemaakt hebben, is ons bevrijdingsfeest wat mij betreft niet meer gerechtvaardigd. In Indonesië deden we direct na onze bevrijding wat de Duitse bezetter ons 5 jaar geflikt had. Door ons vervolgens snel met de voormalige bezetter aan te sluiten bij de NAVO, die in feite onder gezag staat van de Verenigde Staten van Amerika, deden we mee aan deze nieuwe machtsstrijd; nu tegen het voormalig geallieerde Rusland, dat Hitler-Duitsland feitelijk versloeg. Niets blijken ‘we’ daarna van de Tweede Wereldoorlog geleerd te hebben. En inmiddels hebben grootbedrijven en privé-personen een ongebreidelde macht over ons denken en onze media. Ze mochten dan ook vermogender worden dan bijvoorbeeld de Nederlandse Staat en worden al decennia door onze fiscus en andere overheden in de watten gelegd, terwijl ‘huishoudens’ met hun inkomstenbelastingen de schatkist moeten vullen. Het streven naar welzijn verruilden we al snel voor welvaartsbevrediging. Het financieren van regime-veranderingen in een buitenland wordt niet eens moreel afgekeurd. Hoezo democratie; daar zou demos in moeten zitten. Dat we onze neoliberale politieke partijen mogen kiezen maakt ons naar mijn maatstaven nog geen democratie. Het maakt ons hooguit in de schijn vrij.

Schendingen van mensenrechten door als zodanig aangemerkte vijanden worden gelukkig aan de orde gesteld en afgekeurd, maar die, welke onder regie van onze eigen overheden en die van onze bondgenoten gepleegd worden, mogen geen naam hebben, worden genegeerd of door de vingers gezien. Bij ‘vijanden’ zijn het ‘systeemfouten’; bij ons, onze bondgenoten en handelspartners zijn het hooguit uit de hand gelopen incidenten van zogenaamd goed willende, zich ontwikkelende of de vrijheid dienende overheden, die volgens mij te vaak aan de verkeerde kant van de geschiedenis van de mensheid staan. De koopman bepaalt en de dominee dient te zwijgen.

Wat mij betreft is het volkomen juist dat dit jaar eindelijk ook de Indonesische slachtoffers officieel herdacht werden van wat toentertijd heel lang eufemistisch aangeduid werd met ‘politionele acties’ alsof het een binnenlandse aangelegenheid betrof. Maar wat mij betreft is dat bij lange na niet genoeg. Overal waar mensenrechten geschonden worden, overal waar het leven onleefbaar is of wordt, zouden we onze stem moeten verheffen, wanneer we onze vrijheid waard zouden zijn. Maar we verheffen onze stem niet.

En wat betreft het koningshuis acht ik het niet humaan iemand bij geboorte al een metier toe te dichten. Daar kan ik kort over zijn.

In de wereld waarin ik wil leven is ‘het streven naar wereldvrede’ in plaats van economische groei, materieel eigenbelang, vijand- en wij-en-zij-denken eerste, tweede en derde prioriteit.

Willen wij het ooit bereiken

Dan moet het met iedereen

Wie zijn makkers in de steek laat

Laat alleen zichzelf alleen

.

Voorwaarts en niet vergeten

Wat maakt ons zo sterk in de strijd

Bij honger en bij eten

Voorwaarts en niet vergeten

De solidariteit

.

Laat ons leven in vertrouwen

Links gericht en eensgezind

Want je kunt geen wereld bouwen

Op een Rooms en rechts bewind

.

Voorwaarts en niet vergeten

Wij eisen nu klare taal

Voorwaarts en niet vergeten

Kies je enkel voor jezelf

Of kies je voor ons allemaal

Overigens, dit gezegd en gezongen hebbende, laat ik het op De dag van de Arbeid ook afweten, want wat moet ik nog met vakbonden, die lonen zien als kostenpost voor bedrijven en overheden, die decennia de nullijn predikten en werkgevers hielpen secondaire arbeidsvoorwaarden uit te kleden?

Geraadpleegde bronnen: “Capitulaties van Duitse troepen in 1945” door Jan Brouwer via Historiek en “Het solidariteitslied”, zoals Don Quishocking dat in 1979 naar Bertold Brecht zong, via Muzikum; beide op 5 mei 2022.

Gevolgen van een gevoel van onoverwinnelijkheid, onderschatting en optimisme

Kijk, we kennen de verhalen – hoewel pas recent gepubliceerd – dat door ‘ons handelen’ meer dan 21% van alle reptielensoorten met uitsterven wordt bedreigd. Dat krokodillen en schildpadden er het ergst aan toe zijn, geloven we graag. So what?, denken velen van ons in inmiddels goed Nederlands. Alleen degenen, die zich realiseren waarmee we bezig zijn, maken zich nog zorgen over zulke berichten. Dus gooi ik het vandaag eens over een andere boeg:

In de 3 decennia tot 2000 vonden wereldwijd jaarlijks tussen de 90 en 100 grote rampen plaats. Van ernstige chemische explosies via grote natuurbranden tot desastreuze overstromingen. In de voorbije 2 decennia werden jaarlijks wereldwijd 350 tot 500 grote rampen geteld. Dat waren er al veel te veel om ze, hoe ernstig en omvangrijk ook, telkens als nieuws te presenteren, dus hoorden we er weinig over. Al helemaal niet nieuwswaardig is dat we volgens het Bureau voor Rampenrisicovermindering van de Verenigde Naties (UNDRR) op schema zitten om tegen 2030 jaarlijks meer dan 560 grote rampen mee te maken; een gemiddelde van 1,5 per dag. Het zou ons maar ongerust maken en – hoewel de kans minimaal is – we zouden eens een werkelijke regime-verandering gaan opeisen om het leven op aarde te redden.

Geluk bij al dit ongeluk: rampen blijken, net als veel ander ongerief, ontwikkelingslanden disproportioneel hard te treffen, dus dat treft. Economisch verliezen deze landen per jaar gemiddeld 1% van hun bbp aan catastrofes. Voor ontwikkelde landen is het jaarlijks bbp-verlies minder dan 0,3% en dat is met onze rijkdom wèl op te vangen. Woorden schieten uiteraard tekort om alle menselijk leed te beschrijven, dat deze grote rampen te weeg brengen. En maken we ons toch al nooit zo druk om het welzijn van mensen in ontwikkelingslanden; het dierenleed, de toestand van fauna en flora, de veranderingen die er voor alle leven op aarde aan zitten te komen houden ons niet bezig nu S10 naar Turijn vertrokken is.

Door “optimisme, onderschatting en een gevoel van onoverwinnelijkheid” wordt er beleid gevoerd dat bestaande rampenrisico’s vergroot en ook mensen in gevaar brengt. Dat zal vast. En dat vooral bij het financieren van economische ontwikkeling te weinig rekening wordt gehouden met potentiële risico’s voor het bijdragen aan meer en omvangrijker rampen, so what? Laat de VN maar kletsen over “een spiraal van zelfvernietiging”.

En het is waar: alle leed, dat deze rampen veroorzaakten en zullen gaan veroorzaken, is net zo onbevattelijk voor de menselijke geest als de mededeling dat Amazon vrijdag jl. na de opening van de beurs op Wall Street $ 180.000.000.000 (zo’n € 170.000.000.000) in marktwaarde is gedaald. Laat staan dat ons verstand er een verstandige conclusie uit zou trekken.

Bronnen: “Een op de vijf reptielen is met uitsterven bedreigd” door InterPressService en “VN: We stevenen af op meer dan één grote ramp per dag”; beide via DeWereldMorgen op 28 april 2022, “S10 vertrekt naar Turijn voor het Eurovisie Songfestival 2022” via AvroTros en “Amazon verliest 170 miljard euro in marktwaarde na eerste verlies sinds 2015” via NU; beide op 29 april 2022.

Cello

Het is vanavond precies vier jaar geleden dat ik in het bezit kwam van mijn cello. Vier dagen daarvoor had ik uit het niets besloten om cello te gaan spelen. Dat was tijdens een lunchpauzeconcert op 23 maart 2018 in TivoliVredenburg, dat ik met de moeder van mijn kinderen bezocht. Met stukken van Philip Glass, Ástor Piazolla, David Popper en Heitor Villa-Lobos liet de celloklas van het Utrechts concervatorium onder leiding van Timora Rosler haar kunnen horen. En toen was ik verkocht.

Ik ga cello spelen, fluisterde ik.

Fagot is ook mooi, antwoordde zij.

Maar het wordt cello, besloot ik.

De volgende dag had ik een afspraak gemaakt voor mijn eerste celloles, en precies vier jaar geleden kocht ik dus – via Marktplaats – mijn cello. Het was er één van de hand van Josef Joachim Vedral, dus de kwaliteit was verzekerd, begreep ik later. Een cello, die gezien het nummer 92 op de kam waarschijnlijk een tijd dienst gedaan had als leencello. De violiste, waarvan ik mijn nieuwe tweedehands muziekinstrument kocht, liet me horen hoe warm de klanken klonken. Zij wees me ook op wat achterstallig onderhoud, dat na aanschaf gedaan moest worden. Zij was er de acht jaar, dat zij haar thuis had gehad, nooit aan toe gekomen zich op de cello toe te leggen.

En morgen is het precies vier jaar geleden dat ik mijn eerste celloles had. Met mijn docente, die ik via Nextdoor gevonden had, klikte het. Voor het eerst hield ik toen een strijkstok vast. Veel eigenaardigs aan het vast houden van een strijkstok, het strijken en het half of geheel indrukken van de vier snaren heb ik inmiddels geleerd. Ik speel mee in een amateur-orkest en ik maak met verschillende mensen samen een-op-een muziek. Gisteren was er weer een voorspeelmiddag, die mijn docente af en toe organiseert. Met mijn cello-vriend, een andere leerling van dezelfde docent, speelde ik ‘Das vierte leichte Violoncelli-Duette’ van Joseph Reinagele opus 2.

Het valt me niet mee om cello te leren spelen. Het is incasseren. Steeds weer doe ik wat ik niet moest of wilde doen. Sommige bewegingen gaan best al goed, en blijven vaak toch voor verbetering vatbaar. Echt beheerst, kan ik het nog niet, maar wel steeds beter. En ik wil soms veel sneller dan ik zelf kan bijbenen. Ik heb me er bij neergelegd dat dit de houding van muzikanten zoals ik zal moeten zijn: ik kan beter, dus ik oefen (bijna) dagelijks stug door. Wanneer het lekker gaat, geniet ik ervan. Wanneer het niet lekker gaat, zoek ik uit hoe ik me kan verbeteren. En in beide gevallen leg ik mijn ‘prestasties’ voor aan mijn docente.

Zo vlak voor mijn pensionering heeft het besluit om cello te gaan spelen voor mij ongelooflijk goed uitgepakt. Dit leerproject vraagt immers om een beetje discipline, ik ben nooit klaar en het levert me veel muziek-plezier. En voortdurend zitten er melodietjes in mijn hoofd; vaak oefenstof. Bovendien geniet ik weer veel meer van de concerten, die ik bijwoon, en van de muziek die via versterkers mijn huiskamer binnenkomt.

Wat een hobby. 

De wereld zien zoals die is

We moeten de wereld zien zoals ze echt is. Blinde vlekken en ooglappen moeten we weghalen. En er is een ongenaakbare van generatie op generatie doorgegeven blindheid. Ik zie haar voortdurend. Zelfs bij COP26 dit jaar, nu we heel goed weten wat de gevolgen van ons handelen zijn, blijft die blindheid prominent zichtbaar. Het is een blindheid van de overheden, een blindheid van de miljardairs en zelfs een blindheid van de bewegingen ertegen. De klimaatcrisis is met name veroorzaakt door gewelddadige, hebzuchtige en machtige mannen.

De patriarchale geest is te bekrompen om de rijke intelligentie, van ecologische kennis tot emotionele begaafdheid, op waarde te schatten

We zien onszelf niet als onderdeel van onze omgeving. We zien de natuur zelfs al als vijand, bedoeld om te overheersen en uit te buiten. De industriële en wetenschappelijke revoluties hebben het waanbeeld gecreëerd dat we als mens los staan van de ons omringende natuur. Echter, wanneer we oorlog voeren tegen de biodiversiteit van onze bossen en velden, dan voeren we een oorlog tegen onszelf. De chemische industrie wil zelfs zaad claimen en patenteren, omdat daar winst valt te halen. Onze mechanische geest is vergroeid geraakt met de geldmachine van uitputting. En die onaanvaardbare uitputtingscultuur, die aan het kapitalisme kleeft, is nooit los te zien van het genderdilemma. Of het nu de covid-19-pandemie is, droogte, de oliecrisis of voedselschaarste: noem een collectieve maatschappelijke inzinking en vrouwen lopen altijd de grootste klappen op. Meisjes en vrouwen zijn de eerste slachtoffers van steeds vaker voorkomende klimaatrampen. Van ontheemding – 80% is vrouw – tot armoede, dakloosheid, seksueel geweld en ziekte. Feitelijk behandelen we natuur en vrouwen hetzelfde: als een eigendom, een rechteloos en willoos voorwerp dat we naar hartelust kunnen uitbuiten.

We hebben onszelf aangeleerd om gemarginaliseerde groepen zoals vrouwen, de helft (!) van de mensheid, domweg te negeren. Voor velen is vrouwenwerk geen werk, is vrouwenkennis geen kennis. Terwijl de hele voedselvoorziening leunt op de gewoontes, kennis en kunde van vrouwen. De zorg voor de aarde, voor onze boerderijen, voor het eten, voor de kinderen, voor de ouderen, voor de zieken. Zorg; dat is het èchte werk. En zorg gaat lijnrecht in tegen de uitputtingseconomie. De patriarchale geest is te bekrompen om de rijke intelligentie, van ecologische kennis tot emotionele begaafdheid, op waarde te schatten.

Het is een probleem van gewelddadige, hebzuchtige, machtige, plunderende, zichzelf verrijkende mannen

Het wegvagen van bos en land gebeurde altijd al in de eerste plaats uit de handen van vrouwen. In dat verre verleden gaven we al niet om hen. Toen kregen vrouwelijke inzichten al geen prioriteit. Nu hebben de problemen met de opwarming van de aarde zichzelf tot prioriteit gemaakt. Want zodra je vrouwen verwaarloost, is het een kwestie van tijd voor de rest van de mensheid verwaarloosd wordt. Het gevolg is dat vandaag ieder mens en iedere plek op aarde bedreigd wordt.

Door de eeuwen heen schrikken mannen vrouwen af wanneer ze de bestaande machtsstructuren ter discussie stellen. Lees ‘De heks van Limbricht’ (2021) van Susan Smit naar het huiveringwekkend en waargebeurde verhaal van een vrouw die rond 1650 in de buurt van Sittard woonde. Zij trotseert de plaatselijke patriarchale heerschappij, zelfs als die haar wil breken. En om de wil van vrouwen te breken was eerder de ‘Malleus Maleficarum’ opgesteld, beter bekend als de ‘Heksenhamer’; een 15e-eeuws handboek voor de heksenjacht, met de meest effectieve foltermethoden om van hekserij beschuldigde vrouwen (lees: vrouwen die zich uitspreken en zich uitstekend zonder mannelijke beschermheer weten te redden) tot een bekentenis te dwingen en gedetailleerde richtlijnen voor de ondervraging van hen (lees: uithongeren en vrees aanjagen). De angst van mannen, vaak vermond als neerkijken op vrouwen, zit diep geworteld in ons culturele erfgoed. Kijk bijvoorbeeld vanaf het begin van het kolonialisme en je kunt de mannen identificeren, die ons met de huidige wereldproblemen hebben opgezadeld. Te beginnen met de paar honderd koopman-avonturiers, die de Oost- en West-Indische compagnieën creëerden. Het zijn de buitensporigheden waaruit ons kapitalisme en later ons kapitalistisch neoliberalisme groeide. Het is dus niet gewóón een mannenprobleem. Nee, het is een probleem van gewelddadige, hebzuchtige, machtige, plunderende, zichzelf verrijkende mannen. De huidige generatie mannelijke machthebbers zet dat onrecht tegen vrouwen en de wereld, zelfs tegen hun eigen kinderen en kleinkinderen, gewoon voort. Bij hen gaat het nog steeds over geld, hebzucht en ongelimiteerde, grenzeloze groei. Dat krijg je in een dominante mannencultuur.

De echte vaardigheid van leiderschap zit in de kracht van observeren

Het zijn altijd vrouwen geweest, die de strijd tegen onrecht leidden. Hier in Utrecht eren we Trijn van Leemput die op 2 mei 1577 een grote groep vrouwen zou hebben verzameld om op te trekken naar het kasteel Vredenburg, waar ze het signaal gaf om het kasteel te slopen. Vrouwen staan aan de zijlijn, buiten de club. Ze waren al 2 tot 4.000 jaar nooit aan de macht. Zij hadden geen privileges om te verliezen. Zij zijn gewend om in de marges te opereren, te denken en te handelen vanuit verdrukking. Al wat zij hadden was hun ondergeschiktheid. En wat kun je in hemelsnaam afnemen van iemand uit de marges?

In dit patriarchaat wordt alles weggenomen: ons bestaan, onze huizen, onze natuur. Het is bij mannen een blinde angst voor de realiteit, voor de waarheid, die hun reacties zo hevig maakt. Maar de echte vaardigheid van leiderschap zit in de kracht van observeren. Zie voortdurend het onrecht dat we voornemens zijn in de wereld te zetten, zie de pijn in de ogen van mensen. Ze hoeven met echte leiders niet te spreken, want hun lijden wordt door hun observatievermogen vanzelf gezien. Het gaat in werkelijk leiderschap om de vitale eigenschap van mededogen. Het vermogen van pijn horen en zien, en vooral van pijn voelen, mee te voelen. We moeten de wereld gaan zien zoals ze echt is. Daarvoor moeten we de ooglappen en blinde vlekken, die van generatie op generatie doorgegeven blindheid, eindelijk eens weghalen.

Bron: “Maar die natuur? Dat zijn wij!” uit de serie Klimaatdenkers: Ecofeministe Vandana Shiva door Naïm Derbali in DeGroeneAmsterdammer op 1 december 2021.

Een duvetje achter een vleugel, een violist in katzwijm en een joviale vriendin

Bekendheid kreeg Katrien Verfaillie pas tijdens de eerste corona-lockdown. In de ‘roare tieden van Corona’ brak ze menig Vlaams hart met haar eigen versie van een nummer van Jean Ferrat, dat ons beter bekend is als “Het Dorp” van Wim Sonneveld. Met “Kunnik Nemi Na Joen Komn” raakte zij bij velen een gevoelige snaar. Niet bij mij, want dat alles was me – zoals zoveel – ontgaan.

Nee, door het toeristenbureau naar een website verwezen, reserveerden wij kaartjes voor een Concert met West-Vlaamse liedjes in de tuinen van het Gents museum Dr. Guislain. Zelden zo’n mooi, warm en zacht West-Vlaams gehoord, stond op de site. Dat wilden wij wel eens meemaken.

De tuin was zonovergoten en in de zon was het zo warm dat we een plaats in de schaduw, dus pontificaal voor de witte vleugel zochten. Verfaillie nam er achter plaats, begon en stal direct ons hart.

Tussen instrumentale nummers en eigen geschreven liedjes door vertelde ze hoe ze als kind gestopt was met piano te leren spelen. Ze deed volgens haar pianoleraar nooit iets goed en zag steeds meer tegen de lessen op. En dat ze decennia later in 2008, nu dertien jaar geleden, op de dag dat haar vader stierf, achter haar piano was gaan zitten om daar troost te vinden. Dat ze er niet meer achter vandaan gekomen is. Ze speelt dan uit het hoofd een thema. Herhaalt dat en breidt het uit. Herhaalt dat en breidt het verder uit en zo componeert ze haar melodieën, die ze honderden keren speelt voordat ze af zijn. Vanwege covid-19 was ze zoals alle Belgen lange tijd opgesloten in haar ‘kot’ en ze had zo’n bewondering, zo’n eerbied, zoveel waardering voor alle mensen die in de zorg werken, dat ze haar klanken, eerst dus op La Montagne van Jean Ferrat, voorzag van een bij coronaleed passende tekst. Ze liet ons weten dat het op die melodie makkelijk rijmen is. Veel mensen herkenden er het gemis aan fysiek contact in, de onmogelijkheid er gewoon voor elkaar te kunnen zijn en het tekort elkaar onbezorgd te kunnen ontmoeten.

Kunnik Nemi Na Joen Komn” maakte furore en ging, zoals dat heet, viraal op social media. Binnen de kortste keren waren bijna een half miljoen views op YouTube het resultaat. Door dit eerste gezongen lied, en dus geen pianostuk, werd de muziek bekend, die Verfaillie al jaren onder de naam ‘Pigeon on Piano’ speelde, omdat haar vader haar altijd ‘duvetje’ noemde, Westhoeks voor ‘duif’. En door dat succes aangespoord schreef ze op haar eigen composities een ode aan de zorg. Elegant, grappig, kwetsbaar en ontroerend in hun eenvoud, verhalend zover ik ze volgen kon en zuiver.

Zo onthaalde Katrien Verfaillie ons onlangs op de eerste dag van een paar dagen in Gent, die eigenzinnige, rebelse en trotse Vlaamse stad, waar ik al jaren graag even vertoef. Na dit concert kòn ook onze stadsvakantie al niet meer stuk.

Maar de volgende dag streelde de Russische componist, violinist en violist Mikhail Bezverkhni onze oren. Hij speelde tussen de handelaars en marktkramers van “Bij Sint-Jacobs” onze oren; een andere musicus pur sang. Eenmaal het symfonisch intermezzo van de opera ‘Thaïs’ van de Franse componist Jules Massenet “Méditation” uitgespeeld, ontwaakte hij met ons uit zijn roes. Zowel hij als wij stonden te kijken van zoveel applaus en enthousiast publiek.

Wat later ontmoetten we een vriendin van deze Bezverkhni. Zij bood ons een spontane rondwandeling aan om ons wat achtergrond te verschaffen bij de omgeving van het Groot kanonplein, de Vrijdagmarkt met het Toreken van hèt Nederlandstalig Poëziecentrum en het Walter de Buckplein. Ja, het kon niet op…