Als je de keus had?

Stel dat je het over mocht doen, maar dan met de kennis en ervaring die je inmiddels gedurende jouw hele leven hebt opgedaan. En je had ook nog eens de keuzes die je de eerste keer niet had; wat zou je dan kiezen van de volgende 35 mogelijkheden, waarbij je de laatste drie mag zelf in mag vullen?

1. Geboorte na: 35 weken / 38 weken / 40 weken / 42 weken / 45 weken
2. Bij geboorte: 42 cm / 46 cm / 47 cm / 49 cm / 51 cm / 54 cm / 58 cm
3. Bij geboorte: 1000 gram / 2000 gram / 3000 gram / 4000 gram
4. Geboren in: Antarctica / Australië / Azië / Europa / N-Amerika / Z-Amerika
5. welk land in dat werelddeel het liefst … / welk land in de wereld zeker niet …
6. kies je iemand te zijn met aanpassingsvermogen / doorsnee / eigengereid
7. een boze blik / innemende blik / lieve ogen / spleetogen
8. een authentieke vrijdenker / na-aper / sceptische meeloper / samenzweerder
9. soepel bewegend / kan goed met anderen meekomen / stijf
10. ben je biseksueel / hetero / homo of lesbisch / toekomstig transgender
11. creatief / futloos / imitator
12. dom / doorsnee / slim
13. energiek / doorsnee / lui
14. familie: bekende personen / bekend bij justitie en/of politie / onbekenden
15. ben je filosofisch / gevoelig / praktische denker / rationeel
16. geduldig / ongeduldig
17. gezond / ernstige genetische afwijking / terminaal / ziekelijk, maar niet ernstig
18. grenzen stellend / incasseringsvermogen / kort lontje
19. in een harmonisch gezin / langs elkaar heenlevende gezinsleden / veel geruzie
20. heb je het hart op de tong / mededeelzaam / zwijgzaam
21. ben je helder van geest / warrig
22. is je huidskleur: bruin / geel / rood / wit / zwart
23. heb je een IQ van: 20 / 28 / 42 / 67 / 88 / 99 / 115 / 125 / 140
24. is je lichaamsbouw: atletisch / dik / slank / stevig / volslank
25. heb je een liefdevol karakter / altijd verongelijkt / zwaar gefrustreerd
26. sterk lichaam / doorsnee krachtig lichaam / zwak lichaam
27. ben je een man / neutraal / vrouw
28. heb je een liefdevolle moeder / is zij verongelijkt / zwaar gefrustreerd
29. regio: bezet / politiek gecontroleerd / in oorlog / alles pais en vree
30. sociaal milieu: arm / matig arm / doorsnee / rijk / steenrijk
31. heb je een liefdevolle vader / is hij verongelijkt / zwaar gefrustreerd
32. ben je vergelijkbaar met anderen / lelijk / nee, juist mooi
33. ook nog ……. / zeker niet ……..
34. ook nog ……. / zeker niet ……..
35. ook nog ……. / zeker niet ……..

Nu even terug naar het leven dat je nu lijdt in jouw lichaam met jouw achtergrond; nu je de keus voorafgaand aan je leven niet hebt kunnen maken: zou het geen goed idee zijn (nog) barmhartiger te zijn naar degenen die het moeten doen met wat jij niet wilde of absoluut niet gekozen zou hebben?

Inspiratiebronnen: 4 artikelen over de opvallend merkwaardige wereldwijde gelijksoortige behandeling van vrouwen door mannen èn door vrouwen tot en met in Nederland. Bevreemdend toch, vind ik, dat in dit tijdsgewricht van een wereldwijd patriarchaat de helft van de mensheid als een minderheid gezien en behandeld wordt. Misschien is dat altijd al; dus ook daar waar en toen de rolverdeling andersom was in de tijd van de Amazones of het matriarchaat toen het schaakspel werd uitgevonden [de koningin als best geoutilleerde militair en de koning als hulpeloze, kwetsbare schat waar heel het spel om draait]. En ik dacht “Waarom zou ik mij – nu deze vrouwenproblematiek mij aangrijpt – beperken tot de wereldwijde minachting van vrouwen? Er zijn veel meer werkelijke en zogenaamde minderheden die gewoon (?!?) achtergesteld worden omdat ze aan het kortste eind getrokken hebben”. Dit zijn die 4 artikelen: “‘Jij bent een vróuw! Heb je het nu begrepen?’; Brazilië is de hel voor vrouwen” door Marjon van Royen via DeGroeneAmsterdammer van 31 juli 2019, “Glimlachen verplicht; Alledaagse misogynie” door Marjan Pruijs via DeGroeneAmsterdammer van 7 augustus 2019, “Saoedi-Arabië blijft na bescheiden hervormingen een van de meest vrouwonderdrukkende regimes ter wereld” door Suad Abu-Dayyeh, Inter Press Service via DeWereldMorgen op 8 augustus 2019 en “Protesten in Iran tegen hoofddoek houden aan, straffen worden extremer” door de buitenlandredactie van NOS op 11 augustus 2019.

Mijn zomervakantie dit jaar

Mijn zomervakantie-plan bestond eruit dat ik een vriendin met een vriendin van haar zou brengen naar een camping in de Dolomieten. Daarna zou ik twee bergtochten in de buurt van die camping maken om die twee vervolgens weer terug te brengen naar Nederland. De eerste bergtocht zou twee keer zo lang duren als de tweede en ik zou vaak kamperen bij bergmeertjes; zo mogelijk altijd bij stromend water, had ik bedacht.

Zo begonnen we mijn eerste vakantiedag rond 21:30 uur aan een nachtelijke heenreis en rond 10:30 uur kwamen wij de volgende dag aan op de camping. Ik kwam bij van de heenreis, terwijl de twee vrouwen hun tent opzetten en zich hun nieuwe omgeving eigen maakten. Aan het eind van de middag namen we een voorlopig afscheid van elkaar.
Ik parkeerde mijn trouwe Volvo een kilometer of 13 verderop, sorteerde de spullen die mee gingen de bergen in, pakte mijn rugzak definitief in en wandelde nog geen kilometer naar een weide aan een rivier om mijn eerste kampement op te slaan. Ik ontdekte mijn hoofdlamp vergeten te zijn en haalde die nog even uit de auto voor ik ging slapen.
De volgende ochtend kon ik mijn (anti-)zonnebrand niet vinden en haalde mijn reserve-(anti-)zonnebrand uit de auto voor ik aan mijn bergtocht begon.

De dagen daarna was het klimmen en dalen in slow motion, waarbij ik gedoseerd naar wat ik aan wilde gaan fysiek leed. Alleen de eerste dag zag en ontmoette ik nog dagjesmensen. Ging mijn weg omhoog naar een bergmeer, dan ‘moest ik’ dat meter na meter stijgen op de een of andere manier voor elkaar zien te krijgen. Ging mijn weg omlaag dan deed ik dat eveneens op mijn dooie gemak. Wilde ik liggen, gewoon pauzeren of slapen dan deed ik dat. Wilde ik bouillon dan maakte ik die. Had ik gewone trek dan nam ik wat te eten uit mijn rugzak. En dat alles dagen achtereen. Ik liet me door markeringen de bergen optrekken en dronk onderweg heel veel water; het liefst zo uit de bergriviertjes en wanneer die niet in de buurt waren uit mijn veldfles. Ik genoot van mijn afwisselende uitzichten, met name die over de route die ik reeds afgelegd had.

Bij bliksem, wanneer ik me nog onder de boomgrens bevond, bleef ik onder de boomgrens. Bij bliksem boven de boomgrens zette ik mijn groene tentje op en probeerde de bliksem af te leiden door mijn nordic walking stokken wat verderop in de grond te steken; mijn metalen voorwerpen legde ik dan daarbij.
Ik koos ervoor onder laaghangende wolken te blijven door wat eerder dan gepland mijn groene tentje op te zetten.
Ook zette ik mijn tentje eerder op wanneer er regen op komst was. Eén keer deed ik dat, terwijl ik slechts 100 meter onder mijn doel van die dag was.

Mijn groene tentje doorstond deze vakantie opdringerige koeien en nachtelijke rukwinden in een storm. Ik kwam er achter dat ook tijdens het herkauwen koeien mij uit mijn slaap hielden en mij in slaap susten door hun luid klingelende koeienbellen. Wat ’s avonds een mooi veldje voor mijn tent was geweest, trof ik de volgende ochtend aan als een mozaïek van koeienvlaaien. Daarbij hadden de dames ook op mijn tentje gemorst.

Ik beleefde een top-wandeldag toen ik al dagen geen bereik van telefoon of internet had. Als enige mens in een vallei ‘moest ik’ met gamaschen een rivier oversteken en zette ik een 200 meter hoger mijn groene tentje aan een helderblauw ijsmeertje. Ik slenterde verder omhoog langs een voor mij moeilijke rotspassage en over rotsen, sneeuwveldjes, steenvlakten en een lange, steile steengruishelling totdat ik halverwege de middag op een bergrug van iets meer dan 3.122 meter hoogte kon genieten van een weids uitzicht over alle bergen om mij heen.
De wandelroute, die ik omhoog genomen had, nam ik grotendeels ook naar omlaag tot ik terug was bij mijn tentje.
Daar in de buurt maakte ik nog een avondwandeling waarbij ik wel een uur met elkaar spelende gemzen observeerde. Die dag at ik alles bij elkaar twee droge crackers, één winterworteltje en een handje cashewnoten. Ik dronk liters water uit stromende riviertjes en mijn veldfles.

De laatste hele dag van mijn eerste bergtocht ontmoette ik een – voor mij jong – stel, dat dezelfde route zou afleggen als ik op mijn top-wandeldag. Ik waarschuwde hen voor het deel dat ik geen markeringen gevonden had en adviseerde op die plek vooral rechts aan te houden. Ik was daar rechtdoor gegaan waardoor ik die voor mij moeilijke rotspassage had moeten zien te nemen.
Ik genoot van een uitzicht over het tweede bergmeertje waarbij ik gekampeerd had. Ik betrapte me op de gedachte dat er twee mensen bij mijn (!) meertje liepen.
Ik plaatste mijn groene tentje niet aan mijn laatst geplande bergmeertje, maar aan een kabbelend riviertje in een grote hoogvlakte met verschillende meertjes. Daar beleefde ik mentaal mijn afscheid voor deze zomer van de mij geliefde hooggebergten. Ik besloot de optie open te houden geen tweede bergtocht te gaan maken, omdat ik feitelijk mijn doel tijdens deze fantastische tocht al bereikt had.

De volgende dag verheugde ik me op een uitgebreide maaltijd in een refugehuis, maar die ging niet door omdat rond 11 uur de keuken nog gesloten was.
Ik verheugde me vervolgens op een uitgebreide maaltijd in een dorp nabij de camping. Mijn broek zakte af tot een mannenmode waaraan ik niet eerder meegedaan had. Ik trok hem toch maar steeds op. Tussen mijn riem en mijn buik paste inmiddels met gemak mijn beide vuisten. Met toestemming van iemand uit de refuge negeerde ik een gemeentelijke waarschuwing betreffende het laatste stukje tot de parkeerplaats met mijn auto. Op dat laatste stukje was een deel van het wandelpad weggegleden. Op de heenweg had ik het nog belopen. Ik had er ‘om het nooit meer af te leren’ nog een hele klim aan om die paar meter te overbruggen door door het struikgewas op de hoger gelegen berghelling een nieuwe weg te zoeken.
Vlakbij de parkeerplaats had ik nog een heel gesprek met een Italiaan uit Rome, die me uitnodigde bij zijn gezin te logeren mocht ik Rome willen bezoeken. Deze ontmoeting liep uit op mijn eerste gesprek in acht dagen. Verder had ik de dag daarvoor alleen het jonge stel even gesproken. Dagen achtereen had ik zelfs niemand gezien.
Via de camping – mijn gezelschap maakte elders een wandeling – reed ik naar een nabij gelegen dorp. Gezien de siësta stelde ik mij tevreden met een croissant, een espresso, twee verrukkelijke Italiaanse ijskoffies en een puddingbroodje. Ik bekeek de mensen op het aangelegen dorpsplein en deed na de middagrust boodschappen in de twee supermarktjes, die het dorp rijk was.
’s Avonds genoot ik met mijn gezelschap in het eenvoudige campingrestaurant uiteindelijk mijn uitgebreide maaltijd. We hadden veel uit te wisselen en het klikte goed.

De dagen daarna maakten we gezamenlijk nog een fraai en flinke tocht op hoogte door ons daarheen met een kabelbaan te laten vervoeren. Op die tocht vielen de bergschoenen van de vriendin van de vriendin tijdens een lastige oversteek in een wilde bergrivier. Eén van de twee schoenen vond ik na lang zoeken terug.
We bezochten met bus en trein een wat groter stadje om nieuwe bergschoenen te kopen en genoten van – voor ons – historische hoogtepuntjes.
En we maakten een mooie, afwisselende en afsluitende wandeltocht van 9 uur waarbij we vastliepen en dus over hetzelfde pad een stukje terug moesten. De laatste kilometer liftten we bij gebrek aan lijnbusvervoer in de auto van andere wandelaars terug naar de camping.
We namen nog een lummeldag op en rond de camping.
Op de dag van vertrek naar huis bezochten we Bolzano (Bozen), dat ons geen van drieën aansprak. Tijdens onze terugweg aten we tussen allemaal Oostenrijkers ons “galgenmaal” in Oostenrijks Tirol en de volgende ochtend om 6 uur was mijn vriendin thuis. Haar vriendin zou nog even bij haar blijven logeren. Een uurtje later was ik ook thuis; geheel voldaan van een fantastische zomervakantie. Inmiddels past mijn riem weer om mijn buik.

Wel of niet over het graf heen regeren?

De plaats van handeling was onlangs in The LivingRoom op de eerste etage van het Babylon Hotel in Den Haag. De een had via SocialDeal 3 couverts gereserveerd. De ander had mij nog net op tijd uitgenodigd. Ik was, na een concert en een middagje op de Schevingse Pier, in dat restaurant voor mij uit gaan zitten staren, totdat de eerste twee kwamen opdagen.

Degene die vanuit Duitsland moest reizen precies op de afgesproken tijd en – zoals het altijd gaat – degene die het dichts bij woont wat later.
Kon je het niet vinden? Ik had er ook moeite mee.
Wat een opvallend prettige bediening hier.
Hoe is het met jou?

We kwamen te praten over hoe we onze uitvaart zouden willen. De een, die van de SocialDeal, had er precieze ideeën over: gelegenheid tot ontmoeten, muziek, ‘vier het afscheid en het leven’. En ook: “Ik wil mijn nabestaanden niet opzadelen met onbekendheid hoe ìk mijn uitvaart had gewild”. De ander, die die het dichts bij woont en het oudst van ons drieën is, had er nog nooit over nagedacht. Ik denk daar af en toe wel over na en bespreek dat ook met mijn kinderen en wie mij verder lief is.

Mijn idee is dat het nou net mij niets uitmaakt hoe mijn uitvaart zal zijn. Zelfs als er geen uitvaart voor mij is, zal mij dat vast niets deren. Ik zal daar namelijk volgens mij eventueel louter en alleen lijfelijk bij aanwezig zijn. Maar ik kàn het verkeerd hebben.

Omdat ik er van uitga dat er net zo min iets is na mijn leven als daarvoor heb ik het idee dat boosaards, die bijvoorbeeld eerst hun familie en dan zichzelf vermoorden, of eerst hun kwelgeest om het leven brengen en dan zichzelf, of eerst iemand verkrachten voordat zij hun slachtoffer en zichzelf om het leven brengen, een principieel verkeerde volgorde van handelen kiezen. Omdat er mijns inziens niets meer is na iemands overlijden kan iemand de genoegdoening over zijn omgang met machteloosheid, wraak of ‘genot’ toch in zijn graf meenemen. Wanneer je niet verder kunt leven door de consequenties van je handelen, handel dan anders of ga nog vòòr je slachtoffers maakt in therapie! Wanneer je dan toch jezelf van jouw leven beroofd, begin daar dan mee en laat anderen met rust. Dat uitgangspunt heeft gevolgen voor mijn idee over de gewenstheid van mijn invloed op mijn uitvaart, die naar ik mag hopen per definitie plaatsvindt als ik dood ben.

Mijn adagium is ‘Leven en laten leven’, of zelfs nog liever: ‘Geniet zoveel als mogelijk en help zoveel mogelijk anderen eveneens te genieten’.

Wat mij betreft is het, wanneer we in ‘natuurlijke volgorde’ het leven laten, bovenal aan mijn kinderen hoe zij mijn uitvaart vorm willen geven; zij moeten met de herinneringen aan de uitvaart van hun vader verder met hun leven. Tot aan mijn overlijden kan ik iets van de toekomst vinden, maar zodra mijn doek gevallen is, is het (‘hoogst waarschijnlijk’) alleen nog aan jullie allemaal hoe verder te gaan in jullie levens.

Ik hoop nog een tijd gezond als een vis verder te leven. Maar als we het over mijn uitvaart willen hebben, zijn jullie gewaarschuwd: houd maar geen rekening met mij, want ik kom niet!

Een lager doel lijkt mij het hoogste

We zijn met elkaar – denk ik – aardig de weg kwijt. We bedenken van alles, en maken ons druk om dit en om dat, zonder te voelen. We voelen ons wel boos over andersdenkenden als Donald Trump of juist zoals Jeremy Corbyn, Luigi di Maio, Theresa May, over andere polici, de politie of anderen tijdgenoten die in onze ogen fouten maken, maar slechts weinigen, durf ik te beweren, lijken – althans via sociale media – te getuigen van een ontwikkeld gevoelsleven. Ik ga niet zeggen dat ik meer ben dan een ander, want daar gaat het niet om, maar ik wil wel iets anders zeggen:

Bijvoorbeeld “dat we op aarde ronddolen om te genieten” en dat maar al te vaak niet beseffen; zintuiglijk genieten van moois dat we zien of dat we horen, van lekkers dat we ruiken of proeven of een lekker gevoel door wat we met onze handen vastpakken of hoe onze huid gestreeld wordt door een liefkozende hand of de zon of door ontspanning tijdens een dutje; dat we ons veilig voelen en in harmonie met onze omgeving zijn.

Wat zou de wereld paradijselijker zijn, wanneer we ons dàt bewust zouden zijn in al onze communicatie inclusief die met ons eigen diepste zijn, dat genieten een essentiële zijns-ervaring voor elk mens is.

Het lijkt mij een misvatting te leven alsof we een god, een hogere macht, een profeet of wie ook moeten dienen, dat we leven om te werken of andere bij geboorte meegekregen verplichtingen hebben; gewoon genieten van wat onze zintuigen aan prettige prikkels doorgeven aan ons brein, en zoveel mogelijk medemensen en zoveel mogelijk dieren en zelfs planten alle mogelijkheden te schenken om net zo te genieten als wij door de harmonie met hun omgeving zo intens mogelijk te maken. Ik denk werkelijk dat dàt het doel van leven is voor u als lezer, ook voor de niet-lezers en net zo goed voor mijzelf.

Convivialisme

De mensheid heeft verbluffende technische en wetenschappelijke resultaten
geboekt, maar staat nog steeds machteloos ten opzichte van zijn fundamentele probleem, namelijk hoe om te gaan met geweld en rivaliteit tussen mensen.

Hoe krijg je mensen zover dat ze gaan samenwerken, zodat ze zich kunnen ontwikkelen en hun kwaliteiten inzetten voor deze wereld, en je hen tegelijkertijd in staat stelt om de competitie met elkaar aan te gaan zonder dat ze elkaar afslachten?
Hoe roepen we de onbeperkte en in potentie zelfdestructieve concentratie van macht over mens en natuur een halt toe?

Wat mogen individuen op legitieme wijze nastreven en op welk punt moeten zij accepteren dat daarin een grens is bereikt?
Welke politieke gemeenschappen zijn legitiem?
Wat mogen we nemen van de natuur en wat moeten we teruggeven?
Hoeveel materiële rijkdom mogen we produceren en hoe produceren we die als we ons houden aan de antwoorden die we geven op de 3 eerder gestelde vragen?

Dit zijn de kernvragen uit het 15 pagina’s tellende Convivialistisch manifest; “De verklaring van onderlinge afhankelijkheid” (2013) door Alain Caillé en zo’n 40 andere Franse intellectuelen. Convivialisme is de term die we gebruiken om díe elementen uit bestaande geloofssystemen (religieus en seculier) in kaart te brengen waarmee we kunnen analyseren op basis van welke grondbeginselen mensen in staat zouden kunnen zijn om tegelijkertijd met elkaar te concurreren èn samen te werken.

Fundamenten onder mijn denken

Het is 8 juli 2018 en ik begin nu aan een voor mij lastig referaat. Naar aanleiding van “Emmanuel Levinas: variaties op een thema” (1994) door Jan Keij – dat ik las op advies van een haptonoom – ga ik woorden proberen te geven aan mijn basisgedachten; de fundamenten onder mijn denken, want bij het lezen van dit voor mij moeilijke boek kwam ik erachter dat ik in mijn denken ‘een kind van’ Levinas ben, of een onbewuste leerling van Levinas’ school. Emmanuel Levinas, die leefde van 1906 tot 1995, was een Franse filosoof van Litouwse afkomst. Wijsgerig gezien was hij een fenomenoloog en existentialist.

voelen
Volgens Levinas is de meest fundamentele zingeving van mijn bestaan die van het genieten. Genieten is in een direct contact met de buitenwereld voelen hoe die buitenwereld harmonieert met mijn ik. Zo begon ook ik in mijn puberjaren ooit structuur in mijn denken te zoeken door met vijf A4tjes te beginnen:

IK KOM ALLEEN IN AANRAKING MET DE BUITENWERELD DOOR >
> 1. Aanvoelen via mijn huid
> 2. Horen via mijn oren
> 3. Proeven via mijn mond
> 4. Ruiken via mijn neus en mond
> 5. Zien via mijn ogen

Dit zintuiglijk voelen bedoelt ook Levinas met ‘direct contact met de buitenwereld voelen’. Het ‘voelen hoe die buitenwereld harmonieert met mijn ik’ werd voor mij een voorname reden kinderen ‘op de wereld te zetten’. Dit voelen kan zo mooi zijn, dat ik mijn kinderen dat gunde. Bovendien gaf ik dit vermogen zo door, opdat ook zij ‘namens mij’ en zeker ook wanneer ik niet meer leef, dit af-en-toe-genieten zouden kunnen voortzetten. Het bewustzijn is voor Levinas fundamenteel genieten door kwalitatief te voelen; bewustzijn is voor hem niet reflectie of theoretisch beschouwen. Ik zie reflectie en theoretiseren (ook) als middel om het beter te krijgen en nooit als een doel op zich.

Dit genieten, dit voelen hoe de buitenwereld harmonieert met mijn ik, is volgens Levinas intrinsiek verbonden met lijden. Dat komt doordat het kwantitatief volmaakte ‘het goede’ niet kan bevatten. Volmaakt is één, is monistisch, is eigenschap-loos, is vol-maakt. Goedheid veronderstelt de mogelijkheid van een andersheid.

Ogenschijnlijk is lijden voor mij het slechte, in het Frans ‘le mal’, de pijn als het kwaad. Maarrr (!) tegelijkertijd is een wereld zonder lijden op een of andere manier inhumaan. Dan leven wij als onkwetsbare wezens verstoken van genot. Pas vanuit kwetsbaarheid zijn mogelijkheden gegeven als opvoeding, bescherming, geborgenheid, intimiteit, erotiek en verantwoordelijkheid. Het ‘neveneffect’ van kwetsbaarheid is zo beschouwd ‘menselijke warmte’; dat wat mijn bestaan humaan en waardevol maakt. Juist dankzij mijn kwetsbaarheid kan ik mijn existentiële eenzaamheid verbreken. Dat zou ik nooit kunnen wanneer ik volmaakt was. Zo kan mijn kwetsbaarheid mij als een kwaadaardig onvermogen uitdagen tot een subliem, uitnemend vermogen: de volmaaktheid van mijn zorg voor anderen die in een ethische relatie, in de werkelijkheid, de totaliteit overstijgt.

Een beroep (doen) houdt in dat iemand vanuit zijn kwetsbaarheid actief of passief laat weten dat de kwaliteit van zijn leven op enigerlei wijze wordt bedreigd.

Kwetsbaarheid betekent voor Levinas sterfelijkheid.‘Gij zult niet doden’ is daarom voor Levinas, als een beroep dat op mij gedaan wordt, een ‘absoluut gebod’. Omdat leven kwaliteit (van genieten) is, kan dit gebod ook positief ingevuld worden als ‘Gij zult geluk scheppen’. De angst van Richard Rorty om ‘wreed’ te zijn drukt hetzelfde uit: wreed ben ik al wanneer ik iemands lijden niet opmerk (zodat ik zijn geluk niet kan herstellen). Deze ‘waarheid’ is praktisch, is niet theoretisch en is ethisch absoluut; het is altijd fout iemand achter te laten met pijn, honger of ellende. Daarom is deze waarheid voor Levinas de laatste norm op basis waarvan alles wordt beoordeeld, verdedigd, aangevallen en gewijzigd: structuren, systemen, politiek, wetten, regels, meningen, theorieën en taalspelen (monologen en dialogen in hun context).

‘Gij zult niet doden’ (of ‘Gij zult geluk scheppen’) completeert Levinas met ‘verlang naar het absoluut goede’.

verantwoordelijkheid
Afgezien van hoe een mens zich gedraagt (verminkt en getraumatiseerd als hij kan zijn) is hij uiteindelijk zelf verantwoordelijk. In verantwoordelijkheid ligt zijn ultieme, humane waardigheid.

Gevoeligheid voor solidariteit is het absolute niet-theoretische fundament van de mogelijkheid tot denken; wellicht is het zelfs de essentie van mijn mens-zijn. Ik denk dat het gevoel voor solidariteit voortkomt uit een verantwoordelijkheidsgevoel dat in deze context oorspronkelijk ‘goedheid’ is.

Het zelfbewustzijn begint als geweten. Ik heb dat ervaren toen ik tijdens de vervulling van mijn militaire dienstplicht bijna ingezet zou worden voor ordehandhaving in Amsterdam in plaats van het beschermen van ons recht op de vrijheid van meningsuiting tegen een buitenlandse macht met andere ideeën. Dàt laatste te beschermen motiveerde mij mijn dienstplicht te vervullen. Door de bijna-inzet op 24 maart 1975 bij de Nieuwmarktrellen kwam ik klem te zitten en deed een jarenlang gewetensonderzoek dat in 1979 resulteerde in het met succes een beroep doen op de Wet Gewetensbezwaren Militaire Dienst. Sinds dit gewetensonderzoek vorm kreeg was ik iemand met een visie op het belang van leven, het belang van mijn handelen tot aan het eventueel doden van medemensen. Tot 1975 papegaaide ik de denkbeelden, die ik tot me genomen had, maar tijdens mijn gewetensonderzoek begon mijn echte denken. Daarom beaam ik deze zin van Levinas: “Het zelfbewustzijn begint als geweten”.

De relatie tussen solidariteit en geweten is tegenstrijdig: ik ervaar een verbondenheid (raakbaarheid, afhankelijkheid) die slechts ethisch kan zijn onder behoud van mijn onafhankelijkheid. En het denken ontstaat dus als een absoluut verschil in een niet-relatie (op zichzelf staan) en tegelijk toch in-relatie-zijn (verbondenheid). Deze ambivalentie is ondenkbaar en er gaan meer wezenlijke tegenstrijdigheden volgen.

verantwoordelijkheid hebben of zijn
Bij verantwoordelijkheid kan men denken aan aansprakelijkheid voor de gevolgen van eigen handelen. Maar ik kan ook verantwoordelijk zijn voor datgene wat buiten mijn invloedsfeer, zelfs buiten mijn weten, desnoods nog vòòr mijn geboorte heeft plaatsgevonden. Albert Camus onderbouwt bijvoorbeeld in “De val” (1956) dat Jezus van Nazareth zijn leven lang gebukt ging onder het feit dat in Bethlehem onschuldige kinderen werden vermoord om juist hem te doden, terwijl hij in veiligheid was gebracht. Dit gaat dus over een verantwoordelijkheid die te maken heeft met nog te leven (er te zijn; existentialisme), terwijl anderen lijden. Dit is slechts één voorbeeld van verantwoordelijkheid voelen voor iets buiten mijn eigen handelen. Ik kan me ook verantwoordelijk voelen voor onrecht elders in de wereld of voor regeringsbesluiten. Naar Richard Rorty kan ik bang zijn wreed te zijn wanneer ik iemands lijden niet opmerk hetgeen ik vervolgens in mijn bewustzijn kan vertalen naar een verantwoordelijk zijn.

Postmodernisten, zoals Levinas, zijn het tegendeel van fundamentalisten, die op grond van hun absolute (misschien goddelijke) overtuigingen anderen kunnen opleggen wat zij volgens hen zouden behoren te denken. Juist omdat postmodernisten het toevallige van hun eigen overtuigingen inzien, zijn zij niet geneigd anderen hun overtuigingen op te leggen. God is dood en heeft in zijn val alle waarheden meegesleurd op een na: ‘de waarde van de Ander’. Daarmee wordt duidelijk dat slopen leerzaam kan zijn, wanneer iets resistent blijkt aan de mokerslagen. Echter, er is een verschil tussen Levinas en de andere postmodernisten, wat duidelijk gemaakt kan worden aan de hand van Martin Heideggeriaans en Richard Rortiaans denken over wonen. Zij veronderstellen:
1. De woning is een privé-domein waar ik bescherming en intimiteit ervaar,
2. de woning is een uitvalsbasis naar de openbare wereld en
3. de woning is een bewaarplaats voor voorraden, onder meer om toekomstige tekorten te kunnen compenseren.

Voor Levinas is hiermee de halve waarheid over wonen gezegd, want hij zou , indien ik bovenstaand in mijn huis heb weten te realiseren, aan mij vragen: “Hoe zit het nu met de gastvrijheid in jouw huis?” Juist vanuit deze geoptimaliseerde woonsituatie kan ik immers volgens Levinas mijn verantwoordelijkheid dragen, kan ik mijn woning zelfs gebruiken als een plaats van zorg voor anderen, kan ik gastvrij zijn en kan ik geven; dit zijn concretiseringen van solidariteit in een wereld waarin de primaire behoeften van mensen materieel zijn (eten, drinken, kleding en onderdak). Het private is volgens Levinas nodig voor het publieke, anders gezegd: “Egoïsme is nodig voor verantwoordelijkheid”. Daarbij veronderstelt Levinas in tegenstelling tot andere postmodernisten een betrokkenheid van mij bij toestanden in de wereld waar ik objectief gezien niet bij betrokken ben, die buiten mijn weten en buiten mijn schuld plaatsvinden. Als voorbeeld noem ik het lezen van een een krantenbericht dat mijn (geoptimaliseerde) woon-rust verstoort, doordat het gaat over een lijden dat mij raakt. Een lijden waarover ik (in mijn geval) ga schrijven en wellicht wordt dat een stukje dat ik als blog in de wereld zet. Zo verwerk ik het beroep dat op mij gedaan wordt door een erkenning ervan en deel mijn verwerking met anderen opdat we de wereld verbeteren kunnen.

Ik moet om mij verantwoordelijk te gedragen, overigens van mijzelf houden om me te kunnen inleven in het gegeven dat (sommige) anderen evenzeer aan zichzelf gehecht zijn.

Morele raakbaarheid hangt verder sterk af van persoonlijke karaktertrekken, opvoeding, omstandigheden, ervaringen, eerder gemaakte keuzes, … . We zijn, anders gezegd, kwetsbare wezens die al naar gelang onze achtergrond fluctueren tussen egoïsme en verantwoordelijkheid. Ik voel mij, wellicht deels vanwege een onveilig nest als plaats van opvoeding, belast met verantwoordelijkheid voor het overbodig lijden van anderen. Boektitels als “Brieven van den nutteloozen toeschouwer” (1918; Louis Couperus), “Mijn kleine oorlog” (1947; Louis Paul Boon), “Op zoek naar het verloren geluk” (1986; Jean Liedloff) en “Honderd jaar eenzaamheid” (1972; Gabriel Garcia Márquez) spreken mij dan ook bijzonder aan.

Overigens lijkt deze (zware) verantwoordelijkheid mijn genieten niet in de weg te staan. Ik ervaar genoemde ‘verantwoordelijkheid, ook voor waar ik part noch deel aan heb’ als een bewust zijn en reken mijzelf af op intenties en dat is immer een intentie om ‘op de een of andere manier het uitgebalanceerde juiste voor de Ander en mij te doen’. Sowieso heb ik niets met schuld; liever sta ik in voor mijn handelen buiten de domeinen van ‘schuld, boete en vergeving’ en ‘goed- of afkeuring’. Ik doe wat ik doe vanuit geverifieerde goede intenties in de wetenschap dat ik altijd tekort schiet en altijd te laat kom. Ik ben mij bewust dat ik de Ander ben, in de betekenis van ‘verantwoordelijk voor hem’.

Elk lichaam is leven. Mijn lichaam maakt mijn leven mogelijk. Leven is onafhankelijkheid, die kwetsbaarheid in zich heeft. Leven is onafhankelijkheid & afhankelijkheid. Ik kan als een gevangene van mijzelf zijn wanneer ik lijd. Vanuit een lichamelijk onvermogen verlang ik er dan naar weer een lichamelijk vermogen te worden of te zijn.

Over de relatie tussen mijn lichaam en het beroep dat op mij gedaan wordt, wanneer dat gedaan wordt, is opmerkelijk dat het beroep mij treft vòòr ik er bij ben, vòòr mijn bewustzijn ervan; in mijn levende lichaam als ‘heden’. Daar, in mijn zijn als organisme, ben (blijk) ik ethisch raakbaar en word ik buiten mijn wil om bezet door (bezeten van) een Ander. Echter, ik kom slechts tot een besef van ‘geraakt zijn door dat beroep’ nadat het gedaan is. Levinas noemt die ethische relatie ‘religie’; een terugverbinden-aan-god. Dat is volgens hem in het beroep dat op mij gedaan wordt het ontdekken van mijn ware ik. En daarin herken ik mij; geroepen zijn tot verantwoordelijkheid: wat ga ik doen met dit beroep op mij nu ik onaangenaam geraakt ben? Ik zal mijn ware ik tonen door hoe ik vorm geef aan de door mij gevoelde verantwoordelijkheid voor het onverwacht beroep op mij.

ethiek
Ludwig Wittgenstein stelt vast dat in de proefondervindelijke ervaring geen ethiek te vinden is. Hij verbindt daaraan dat er in de wereld geen waarden zijn, dus ook geen ethische waarheid. Levinas is het hiermee in zekere zin eens. Hij houdt echter oog voor een metafysische werkelijkheid waarin de Ander niet te reduceren is tot ‘mijn ik’; volgens Levinas overstijgt de Ander daarentegen mijn werkelijkheid. Buiten ons denkvermogen zou ethiek daardoor wel de motor kunnen zijn van de wetenschappelijke en filosofische theorievorming, van het verlangen tot het achterhalen van de eigen bestaansvoorwaarden, van het verlangen naar rechtvaardigheid.

Wellicht is het evolutie-paradigma absoluut waar. Dat heeft dan de consequentie dat overleven onze boventijdelijke waarheid is. Hoe dat dan te rijmen is met mijn ervaring van verantwoordelijkheid als de wil tot het doen overleven van de Ander is een vraag die niet te beantwoorden is, maar gesteld moet blijven worden.

Wetenschappen kunnen per definitie geen uitsluitsel geven omtrent kwesties van vrijheid, goed of kwaad. Dat komt doordat bewustzijn, vrijheid en ethiek in geen enkele wetenschappelijk waarneembare werkelijkheid passen. Ethisch handelen richt zich volgens Levinas op het totaal andere: de Ander, die niet te reduceren is tot iets in mijn (al dan niet overzichtelijke) wereldbeeld. Echter, alleen wanneer beiden op zichzelf staand zijn, is ethiek mogelijk in de zin van ‘het goede doen voor de Ander’. Alleen wanneer ik en de Ander slechts deel uitmaken van de kosmos ontbreekt ons de zelfstandigheid om moreel, om voorbij ons groepsegoïsme, te zijn. Levinas zou hierover zeggen: ‘pluralisme (meervoudigheid) is noodzakelijk voor de ethiek’. Pluralisme is het leven als tijd: tegelijk afhankelijk en onafhankelijk, binnen en buiten de kosmos, natuurlijk en bovennatuurlijk. Pluralisme is de oorsprong van alle begrijpen en juist dààrom ongrijpbaar.

De filosofie kent het verschijnsel van de ik-splitsing dat neerkomt op de stelling dat er bij zelfreflectie een ‘ik’ is dat als waarnemer zelf niet waargenomen kan worden. Sterker nog, de bron van alle waarneming (objectivering) door, en alle theorie van het waarnemende ik is niet-objectiveerbaar. Levinas stelt dat dit niet-objectiveerbare iets ‘het heden’ is; de dimensie van mijn leven. Daar waar ons leven in onafhankelijkheid een geheim is, zwijgt elke wetenschap. De wetenschap vertelt ons dan ook niet wat we zijn, maar wat we zien. Het heden zelf staat buiten de duur, is slechts een niet-durende scheidslijn tussen toekomst en verleden. Daardoor staat het heden gefundeerd in de natuur ook buiten wetten van oorzaak en gevolg: causaliteit ontspringt aan het niet-objectiveerbare ik. Het heden is in mijn leven de dimensie waar vrijheid denkbaar is. En de kwantummechanica heeft tot mijn genoegen in het begin van de twintigste eeuw een werkelijkheid blootgelegd waarbinnen causaliteit evenmin geldt. Mijn genoegen daarin houdt verband met mijn sympathie voor het ondenkbare.

Ethiek is, anders dan Westerse wetenschappen en de vele aanhangers van het evolutie-paradigma waartoe ik mijzelf ook reken*, als een praktische waarheid die de theoretische waarheid overstijgt en die tegelijkertijd de ondenkbaarheid van zichzelf erkent.

* Ik heb mijzelf sinds het schrijven van “God, goden of natuurwetten” in 1980 wetenschappelijk opzicht gerekend tot de aanhangers van het evolutie-paradigma. Echter, dankzij mijn begeleider met de kanttekening dat ik elk uitgangspunt (paradigma) slechts mag gebruiken binnen de context waarvoor dat uitgangspunt bedoeld is. Met andere woorden, onze Westerse manier van wetenschap bedrijven biedt vooralsnog uitstekende – maar niet geheel toereikende – handvatten om de waarneembare wereld te begrijpen, inclusief mijn lichaam en nagenoeg geen handvatten om mijn leven te begrijpen of mijn levensvragen te beantwoorden.

natuur
Zolang ik evolutie zie als een doelloos proces waarin zelfzuchtige genen organismen uitrusten met middelen om te overleven totdat zij zich voortgeplant hebben, ontbreekt elke reden voor natuurbehoud te zijn omwille van de natuur. En een radicale erkenning van de natuur (met intrinsieke waardes) zou inhouden dat we zouden moeten accepteren dat de mensheid eventueel van de aardbodem verdwijnt. Die consequentie zal weinig mensen aanspreken.

Het is, denk ik, de natuur om het even of de heide verdwijnt, de zee wordt vergiftigd of de lucht verzuurt. Binnen de natuur zijn dat slechts omgevingsveranderingen, die mutaties in een evolutionair proces mogelijk of onmogelijk maken. Zelfs een paar millennia geen leven in een bepaalde regio stelt op het totaal niets voor en het is de vraag wie er om maalt als heel de aarde onleefbaar wordt. Voor ons als mensheid zijn die mutaties daarentegen niet ‘om het even’. Voor ons is stabiliteit in onze leefomgeving van levensbelang. Bovendien genieten wij van bepaalde ecosystemen en raken gestresst van andere.

Een verantwoordelijke houding, die voorbij zelfvolharding gaat, is ongekend in de natuur, maar toch vind ik het normaal natuurbehoud te propageren ter wille van in de natuur overlevende mensen of omwille van komende generaties mensen (altruïsme), zelfs omwille van het behoud van soortenrijkdom en hele ecosystemen. Nu wij in staat zijn de natuur op grote schaal te beïnvloeden, spreken de verontrusten onder ons vaak van ‘uitbuiting’. De oorzaak van natuur-uitbuiting ligt in het egoïsme, dat deel uitmaakt van het mens-zijn. Egoïsme is het aanvankelijk natuurlijke en primaire gegeven van gelukkig hechting aan het eigen bestaan (genieten). Het keren van natuur-uitbuiting kan op basis van zowel egoïsme als verantwoordelijkheid; wanneer ik zowel voor mijzelf als vanuit altruïsme voorzichtig met de natuur om wil gaan.

Door mijn verbondenheid aan wat mij draagt èn doordat ik ‘de natuur’ zie als ‘de Ander’ stel ik mij teweer tegen natuur-uitbuiting. Dàt zijn voor mij de redenen om te stoppen met consumptief gedrag dat regionaal of mondiaal tot de ondergang van de natuur (Levinas beperkt zich tot ‘de mens’) zou kunnen voeren. Onder het rottend blad in wat voor mij een idyllisch herfstbos is, woedt sowieso een oorlog van allen tegen allen. Juist vanwege die oorlog en vanwege de gewelddadige natuurkrachten, hebben mensen zich in het verleden in kleding teruggetrokken op plaatsen, in hutten en nederzettingen ‘buiten de aarde’, alsof wij geen deel meer uitmaken van de natuur. En wanneer een veewagen met varkens over de kop slaat, zal de praktijk zijn dat ik – hoewel sinds mijn volwassenheid principieel vegetariër, met hart voor de natuur die ik als ‘de Ander’ beschouw en sinds kort als lid van de Partij voor de Dieren – eerst de chauffeur help, daarna de varkens en op het laatst de levenloze rotzooi opruim.

hier geen utopia
Levinas is geen vooruitgangsdenker. Hij heeft geen groot verhaal dat ons de weg wijst naar Utopia. Zijn boodschap is die van een nooit eindigende strijd tegen steeds weer nieuw lijden en een oneindig streven naar geluk voor zichzelf en anderen. Oneindig, want er zijn miljarden anderen. Streven naar rechtvaardigheid zal de zorg voor mensen reduceren tot hen in de waarneembare nabijheid en tot hen in de context van een anonieme mondiale of plaatselijke samenleving. Recht wordt daarmee een utopisch begrip en onrecht wordt onvermijdelijk. Er zal alleen al daarom altijd, naast het ‘gewone’ lijden dat voortkomt uit kwetsbaarheid, lijden zijn dat voortkomt uit egoïsme èn kwetsbaarheid. Bovendien lijdt waarschijnlijk geen organisme zo wreed als de mens, want hij lijdt in het bewustzijn van frustratie van zijn genieten voor nu èn in zijn toekomst èn vaak in het besef dat hij lijdt omdat men hem bewust of onbewust doet lijden. “De troop-leraar” (1992) van Chaim Potok stelt dit ijzingwekkend aan de kaak: wanneer zijn hoofdpersoon met zijn bataljon een concentratiekamp bevrijdt, komt hij oog in oog te staan met een gevangene:

En toen bleef één van hen op minder dan een meter afstand van mij staan – een groteske spookachtige man; mijn god, de stank die hij uitwasemde! – en strekte zijn hand uit en greep me bij mijn arm en zei met krakende stem tegen me: ‘Warum?’ Het bloed stolde in mijn aderen. Toen zei hij weer in het Jiddisj: ‘Warum?’ (…) ‘Waarom hebben jullie er zo lang over gedaan?’ en nog eens ‘Waarom? Waarom?’

Het lijden van anderen is die waarom-vraag, in het verzoek gesteld aan mij. De weeklacht, die een aanklacht is, maakt alsof ik schuldig ben aan het lijden in de wereld; schuldig en altijd te laat. Mijn enige antwoord daarop kan volgens Levinas zijn mijn verantwoordelijkheid te dragen als ‘Praktijk van niet-acceptatie en tenietdoening’.

Het lijden van anderen doet dus een beroep op mij hen de kwaliteit van leven terug te geven. Het kan gebeuren dat mijn eigen lijden achteraf mijn geest heeft verbreed en zodoende vruchtbaar voor mij geweest is, maar lijden op zich is zinloos, absurd en slecht. Het beantwoordde beroep dat een Ander doet, bevestigt vanwege de inhumaniteit van onkwetsbaarheid daarentegen dat onze wereld, zoals wij die kennen, de beste der mogelijke werelden is.

Alleen een democratie, waarin men zich bewust is van een blijvend tekort en van blijvend onrecht kan zich continu bewegen in de richting van het onbereikbare ideaal van gerechtigheid, wanneer dit bewustzijn (van blijvend tekort en blijvend onrecht) noopt tot openstaan voor kritiek van de mens tegenover het politiek systeem. Levinas stelt dat mensen een houding kunnen aannemen tegenover de omstandigheden, waarin zij verkeren. Zelfs wanneer mensen gereduceerd worden tot dingen, kunnen zij door hun verminking en afstomping heen zoeken naar ontvankelijkheid voor een beroep dat zij aan anderen doen om hun lijden te verlichten.
Ontvankelijkheid voor hun beroep, wat onafhankelijkheid vereist, is hen humaan, menswaardig benaderen: ze zien als mens, als een ander aan zichzelf gehecht ik.
Onontvankelijkheid voor hun beroep daarentegen is in een onafhankelijke positie altijd inhumaan.

Onder het motto “Gij zult niet wreed zijn” kan onverdraagzaamheid (niet willen meevoelen) wèl in het verlengde komen te liggen van verdraagzaamheid (gevoeligheid), bijvoorbeeld door mensen te straffen, wanneer zij een onrecht hebben gedaan.

Instituten zijn vaak een middel met als doel het geluk voor mensen te bevorderen. Voor regels en protocollen geldt hetzelfde. Omdat ik in een functie ook mijn eigen mens-zijn inbreng zal ik mij in elke concrete, unieke zorgrelatie moeten afvragen: “Kan ik de regels en protocollen wel toepassen of is dat in deze casus onjuist?” Altijd blijf ik zelf verantwoordelijk voor wat ik doe en nalaat. Ook ben ik verantwoordelijk voor mijn eventueel verschuilen achter de regels. Daarnaast zijn ook mijn collega’s ‘Anderen’ tot wie ik mij met zorg zou behoren te verhouden.

Tenslotte kan ook mijn succesvolle zorg voor de een schade berokkenen aan een Ander. Het volgende voorbeeld wordt gegeven:

Wanneer ik ervoor zorg dat een ziekenhuispatiënt snel opknapt en weer naar huis kan (genieten), wordt dat een bedenkelijk succes wanneer die patiënt zijn familieleden thuis gewelddadig behandelt (lijden veroorzaakt); al helemaal wanneer ik tijdens zijn verzorging weet heb of had kunnen hebben van zijn voor anderen schadelijke gewoonten.

Ik beslis altijd en moet altijd beslissen, terwijl ik dat feitelijk niet kan. Ik, onontkoombaar ik, moet altijd handelen (zeker sinds ik in mijn studie erachter kwam dat ook niet-handelen een handeling is), terwijl de gevolgen van mijn handelen niet te traceren zijn. De uitkomst hiervan is dat voortdurend vergelijken van derden, schipperen en onmogelijke beslissingen nemen, de praktijk zijn van een streven naar rechtvaardigheid dat per definitie in gebreke blijft.

Zelfs (of Ook) institutioneel kunnen organisaties, die opgericht zijn ter wille van gerechtigheid, zich keren tegen het goede.

Het grondcriterium ‘Gij zult niet doden’, anders gezegd ‘Beperk onherroepelijk handelen en schep zoveel mogelijk geluk’, biedt de laatste absolute maatstaf voor alle handelen, denken, en institutionaliseren, waarbij voor lief genomen moet worden dat kwaad niet te voorkomen is; wij zijn onmachtig Utopia te bouwen.

kunst
Kunst creëren hangt nauw samen met mens-zijn. Kunst, zoals boeiende literatuur, intense gedichten, prachtige schilderijen, weldadig kleurgebruik, mooie beeldhouwwerken, romantische muziek, andere geluiden die me op mijn gemak stellen, een prachtig bord met eten, verrukkelijke geuren, is aanwezig voor het bewustzijn. Ik kan ervan genieten, waardoor kunst mijn levensgevoel kan veraangenamen. Door kunst kan ik voelen hoe de buitenwereld harmonieert met mijn ik.

Echter, indien mijn kunstbeleving ophoudt bij genieten, bestaat volgens Levinas de kans dat ik mij afsluit voor de buitenwereld. Dat neigt naar een bewustzijnsvernauwing. Niets in het leven garandeert dat het genieten wordt opgewekt. Mijn mens-zijn is in de visie van Levinas een niet te lijmen verscheurdheid tussen ‘voor mijzelf’ en ‘voor-anderen’. In mijn ontvangst van een kunstwerk komt volgens Levinas de spanning van het aanvankelijk natuurlijke en primaire gegeven van gelukkige hechting aan mijn eigen bestaan, en mijn vermogen voor anderen te zorgen naar voren. Wat ik hierin herken is dat ik van kunst kan genieten vanwege de tentoongestelde creativiteit, de door mij ervaren schoonheid, maar ook wanneer kunst ongemakkelijk voelt. Daarnaast zijn er echter voor mij ook kunstuitingen waarover ik (vooralsnog) mijn schouders ophaal.

‘Schurende kunst’ is wellicht dat wat verwijst naar mijn ethische vermogen dat voortkomt uit mijn onvermogen te volharden in mijzelf. Misschien is moderne kunst er juist ter wille van die ene waarde, die nog niet gevallen is: de waarde van de Ander, de waarde van solidariteit of humaniteit als kwintessens van het menselijk bestaan. Volgens George Steiner is het ‘zuiverste kunstwerk’ er één dat zich zo ver mogelijk houdt van elke belerendheid en toepassing, juist dankzij die zuiverheid en onthouding een politiek gebaar; een waarde-uitspraak met een overduidelijke ethische strekking; een pijnlijke wegwijzer die mij confronteert met een relativering van mijn positie.

Samenvattend
Alleen degene die weet wat lijden is, kan verantwoordelijk zijn.
Het heeft alleen zin verantwoordelijkheid te dragen voor kwetsbare, invloedarme wezens.
Ethiek houdt verband met kwetsbare wezens (invloed-armoede).
Wat mij ondermijnt is, naast andere verzoeken die op mij gedaan worden, wat mij het vermogen tot ethiek geeft.
Kunst en met name ‘schurende kunst’ duidt mijn ethisch vermogen (triomf) dat uit mijn onvermogen in mijzelf te volharden voortkomt (nederlaag).

bewustzijn
Levinas verklaart het ontstaan van het bewustzijn vanuit de ethiek. Er is bewustzijn omdat verantwoordelijkheid een probleem is. Die problematisering wordt teweeggebracht door ‘de derde’, wat voor hem staat voor de hele mensheid en voor mij voor zelfs nog veel meer wezens en dingen. Mijn hulp is beperkt en om mijn hulp naar mijn mogelijkheden rechtvaardig te verdelen, moet ik alle ‘derden’ met elkaar vergelijken. Dat doe ik op basis van argumenten, voorrang verlenen van de Een boven de Ander, prioriteiten stellen, afspraken maken, evalueren, zorg voor mijzelf, enzovoorts. Daarvoor is het denken noodzakelijk dat als licht openheid in ‘het zijn’ brengt; het bewust-zijn; bewustzijn.

Naar mijn idee is het bewustzijn voortgekomen uit taal. Naarmate wij ons taalgebruik ontwikkelden en daarmee communicatie over steeds meer mogelijk maakten, zelfs over een abstracte wereld, kunnen wij – als uitzondering tussen alle organismen – heel veel van elkaar leren (kwantitatief meer dan welk ander – bekend – organisme ook), vanaf een zeker moment zelfs door het schrift aan velen, vandaag de dag zelfs via internet wereldwijd; wij kunnen zelfs – hoe uitzonderlijk op deze planeet – al millennia door overlevering leren van reeds overleden mensen. Daarom is verantwoordelijkheid volgens mij ook een inbeelding in mijn bewustzijn, dus komt bewustzijn niet voort uit de ethiek. Het bewustzijn was er al en vervolgens werd verantwoordelijkheid volgens mij het probleem, zoals Levinas dat beschrijft. Met andere woorden: volgens mij heeft bewustzijn de ethiek, zoals Levinas dat beschrijft, gecreëerd. Het bewustzijn van alle (menselijke, levende) activiteit inclusief het bewustzijn van de grillen van de natuur en gebeurtenissen in onze omgeving kan in het licht van de ethiek als een zorg worden beschouwd. Levinas zou zeggen: “Ons bewustzijn noopt tot verantwoordelijkheid voor de Ander.”

Bewustzijn is een verbeeldingskracht of verbeeldingsvermogen. Verbonden met het bewustzijn is ‘me iets voorstellen’, die voorstellingen ‘vatten’ en ‘in verhouding(en) tot elkaar zien’ (relateren, oorzaak en gevolg bepalen, logisch ordenen, begrijpen). Bewustzijn verbeeldt duur (tijdsduur) in het heden, dat slechts een niet-durende scheiding is van verleden en toekomst. Aangezien het heden niet duurt en het bewustzijn alleen in het heden actief is, moeten we ons bewustzijn opvatten als de verbeelding via een film, waarin afzonderlijke herinneringen (her inneringen) aan plaatjes en geluiden, aanrakingen, smaken en geuren achter elkaar zijn gezet en opgevat worden als durend, blijvend en veranderend (bijvoorbeeld bewegend). Een al dan niet schrikbarende consequentie hiervan is dat het ware leven van mijn lichaam voor mijn bewustzijn afwezig is. Een andere consequentie hiervan is dat het heden niet causaal bepaald is, want oorzaak en gevolg hebben tijd nodig om elkaar op te volgen. Het leven is voortdurende verandering, maar dat geldt niet voor het (voor mijn) bewustzijn. Nooit is er sprake van ‘Ik dacht’ zonder dat dit ‘ik’ denkt dat het dacht. Verleden en toekomst zijn slechts werkelijk gedacht in het heden (dat niet duurt).

weten
Vanuit het bewustzijn, zijn we ook de wereld gaan ontdekken. De almacht van goden werd teruggedrongen tot natuurwetten door de waarneembare wereld te gaan onderzoeken, zo objectief mogelijk. Wellicht is dit proces in de tijd waarin wij leven te ver doorgeslagen nu het niet-waarneembare ontkend wordt of dreigt te worden. Echter, zolang de waarneembare werkelijk aangewend wordt om het andere te ontkennen, is het niet vreemd te kunnen constateren dat de Westerse onafhankelijke wetenschappen waardevrij zijn. Ze kunnen van alles ontdekken, maar nooit ethiek, vrijheid, goed of kwaad. De wetenschap kan wel een ethische optiek hebben ten behoeve van politieke keuzes, normen en waarden, terwijl haar bevindingen waardevrij kunnen en in elk geval behoren te zijn.

Overigens is en blijft vooralsnog het bestaan van ethiek theoretisch onbeslisbaar.

De waarde van het bewustzijn bepaalt de waarde van zijn producten: stel dat de evolutie dat merkwaardige verschijnsel heeft voortgebracht waardoor de evolutie weet kreeg over zichzelf: het bewustzijn. Waarom ontstond dan deze mutatie? Volgens mij (als bioloog) omdat het bijdraagt aan soortbehoud. Volgens Friedrich Nietzsche en Daniel Dennett omdat bewustzijn een bruikbaar middel is om in te zetten voor zelfbehoud, groei en machtstoename. Dat heeft beide als consequentie, conform de veronderstelde wetten over evolutionaire processen, dat het doel van het bewustzijn nut is , en niet waarheid! Daarmee verwordt het evolutie-paradigma, dat in deze tijd bij Westerse denkers geldt als een onbevraagde vanzelfsprekendheid, van waarheid tot niets meer dan ‘een perspectief’.

Zo zijn er voor het denken nog meer onoplosbare paradoxen:
+ Zoals de wetenschap dat we nooit in het heden kunnen voelen, omdat tussen prikkel en waarneming altijd tijd zit en omdat het heden, waarin het bewustzijn functioneert, niet duurt. Het bewustzijn verbeeldt slechts een herhaling van het verleden.
+ Of de relatie tussen een ik en een ander die weliswaar duidt op een verband (de verbondenheid als wederzijdse afhankelijkheid), maar tegelijk maken ik en de Ander zich van elkaar los in die zin dat beiden per definitie op zichzelf staan, hetgeen de wederzijdse afhankelijkheid tenietdoet. Tegelijk is de relatie dus niet-relatie en de verbondenheid niet-verbondenheid; een absoluut verschil en over die radicale kloof tegelijk een brug.

Wellicht kan A toch wel tegelijk niet-A zijn…
(Halverwege dit stuk schreef ik al dat ik sympathie heb voor het ondenkbare.)

tot slot
Tsjaa, en zelfs dat laatste over A en niet-A zou ik durven beamen zonder er ook maar één argument voor te kunnen aandragen. In de kwantummechanica kan één iets tegelijkertijd op twee verschillende plaatsen zijn, dus wie weet gaan we dit, als het waar is, ook nog eens begrijpen. Tot zover de woorden die ik aan enkele fundamenten onder mijn denken kan geven dankzij “Emmanuel Levinas: variaties op een thema” (1994) door Jan Keij, uitgegeven door Kok Agora in Kampen. Ik beschouw bovenstaand als een basis van mijn gedachtengoed. In mijn denken herken ik mij met terugwerkende kracht als ‘een kind van’ Levinas, of een leerling uit zijn school.

Dan restten nu volgens mij nog slechts twee relevante maar vooralsnog onoplosbare wetenschappelijke problemen en tegelijk voor mij levensvraagstukken:

1. Wanneer rondom het universum waarin wij leven, meerdere universa zijn, zou mij dat niet verbazen. Maar voor mij is het onvoorstelbaar dat achter al die universa uiteindelijk eens ‘niets’ zal zijn, terwijl ik er evenmin mee uit de voeten kan wanneer er niet ‘niets’ rondom alle universa is. Wat moet ik mij voorstellen bij onbeperkte ruimte?
2. Daarnaast kan ik mij niet voorstellen dat onze leefomgeving, waar wij uit voortgekomen zijn (?), geen begin en geen eind zou hebben. Over het eind kan ik fantaseren, maar ‘de oerknal’ lost als begin niets van mijn begin-probleem op. Door Albert Einstein’s inzichten kan ik mij voorstellen dat er voor de uit elkaar knallende materie energie was, maar waar die energie vandaan kwam (die later wonderbaarlijk in materie omgezet werd en uit elkaar spatte) en wat dààrvoor was, kan ik mij niets voorstellen, noch over de duur daarvan, noch over de zijnsvorm, en ik acht dit van het grootst belang om te begrijpen wie ik werkelijk ben.

Uiteindelijk resteert een inzicht niets van mijn oorspronkelijke herkomst en plaats in het heelal te weten; slechts over de afgelopen 13.800.000.000 jaar hebben we ons een perspectief kunnen vormen (wat voor een organisme, voortkomend uit de natuur, vooralsnog een ongekende topprestatie is!). Ik kan mij daarentegen wel voorstellen dat deze twee voor mij vooralsnog onoplosbare vragen van ruimte en (begin-)tijd alles te maken hebben met beperkingen van mijn lichamelijk leven: begrensd door conceptie, lichaam en dood, maar daarin zit nog geen begin van een antwoord of oplossingsrichting.

Als schoolkind bedacht ik al dat zo’n rode bloempot van aardewerk met een gaatje onderin de bodem – wanneer een bloempot zou kunnen denken – nooit in staat zou zijn te achterhalen of hij ‘leeft’ overeenkomstig zijn bestemming. Niet wanneer hij jaren in een schuurtje op een plankje staat, of als hij gehavend op het strand ligt, niet wanneer hij in opzettelijk gebroken stukjes in een andere bloempot ligt om daar water vast te houden, niet wanneer hij de aarde rond de wortels van een kamerplant omvat. Daarvoor zijn de gedachten van de bloempot-bedenker nodig en zelfs die gedachten volstaan niet geheel. De bloempot kan namelijk in een andere dan door de bedenker bedachte functie, misschien wel een functie gaan vervullen die de bedenker enkel vanwege zijn tekortkomingen over het hoofd gezien heeft.

Ook voor mij om te weten of ik leef overeenkomstig de bedoeling van ‘mijn’ ‘ik’ heb ik weet nodig die per definitie ontbreekt. Wellicht zou dat weten te herleiden zijn als ik weet had van mijn oorsprong en van mijn plaats in het heelal. Ik verwacht echter ook daarover nooit afdoende weet te kunnen vergaren. Vandaar dat ik al vanaf mijn periode als schoolkind van mening ben dat we het best als lotsverbondenen met elkaar zouden kunnen omgaan. Ik heb er begrip voor dat ‘we’ voor anderen, zoals Levinas, misschien beperkt blijft tot mensen. Ik meen een lotsverbondenheid te ervaren met veel meer dan mensen alleen. Hoe dan ook: ik kan slechts als een gevangene van mijn persoonlijk bewustzijn naar mijn gebrekkige eer en mijn beperkte geweten proberen om niets dan het juiste te doen opdat ik zielerust ervaar; een vorm van genieten, een bedacht-harmoniëren met mijn buitenwereld. Net anders, maar voorwaardenscheppend voor het intens genot dat ik beleven kan bij het aanschouwen van een zonsondergang, de verwondering over een piepklein bloemetje op een zilt winderig strand, een roerend concert, liefde en geborgenheid vinden bij een ander mens.

Gelukkig kàn ik intens genieten, maar ik zal er waarschijnlijk tot aan mijn dood mee moeten leven dat ons gerangschik van het door onze ogen, oren, huid, neus en mond waarneembare, mijn wezensvragen over de voor mij waarneembare wereld – door een gebrek aan waarnemingsvermogen – uiteindelijk onopgelost zullen blijven.

Leven alsof je een glas koel water drinkt

Hoe te leven zodat je je energie het best gebruikt?

De roeping van de mensch is mensch te zijn

wist Multatuli, alias de Nederlands schrijver en ambtenaar Eduard Douwes Dekker (1820 – 1887), maar hoe doe je dat? Ik heb een antwoord op die vraag. En dat gaat zo:

Zo gestremd de tijd
ongeduld vermijdt
zo gezwind haast ze
naar vergetelheid

dichtte Meander op 3 juni jl. via haar website. En zo is het. Zoek maar eens bij gelegenheid op waar ‘stremmen’ zoal voor staat…

Is dat niet wat we met ons leven doen? We denken moment van moment er helemaal te zijn, we ervaren daarbij emoties van hoge alertheid tot aandachtsverslapping, en voor we het weten verdwijnen veruit de meeste van onze dagelijkse belevenissen in een dikke mist die kennelijk binnen in ons brein het vermogen heeft veel van onze herinneringen soms zelfs voor eeuwig toe te dekken.

Het is niet jij die de wereld een plaats geeft, maar het is de Ander, die jou aanspreekt, appelleert en jou een plaats geeft

schreef de Franse filosoof Emmanuel Levinas (1906 – 1995). Door de Ander centraal te stellen, zette Levinas zich af tegen een filosofische traditie die zich voornamelijk richt op het Ego. Volgens Levinas, die ik al een tijdje met veel moeite probeer te doorgronden, kunnen we het heden niet beleven. Ons lichaam kan dat wel, maar voordat de waarnemingen van ons lichaam onze hersenen bereiken, waar de bewustwording, het beleven plaatsvindt, is de tijd alweer een moment verder. Zo lopen we met ons beleven altijd achter de feiten aan, maar misschien voert dit voor de meesten van u wel wat ver, want het heden verandert nu ook weer niet zo snel dat dat momentje ertoe doet. Toch boeit mij zijn inzicht dat het ‘Nu’ al voor we er kennis van hebben tot het verleden behoort…

Waarom integreren? Laten we samenleven

noemde Sawitri Saharso haar lezing. Zij is onder meer hoogleraar Burgerschap en Morele Diversiteit aan de Universiteit voor Humanistiek. Haar specialismen zijn gender, migratie en waardenconflict. Een paar weken geleden besprak zij tijdens haar voordracht op 24 mei in Bilthoven onder meer ‘De participatieverklaring’ die nieuwkomers moeten ondertekenen. Die verklaring besluit met

Ik verklaar dat ik kennis heb genomen van bovengenoemde waarden van de Nederlandse samenleving, en dat ik ze graag zal helpen uitdragen. (…).

Het vreemde aan deze verklaring, stelde zij, is dat nieuwkomers onder dwang moeten verklaren ‘bovengenoemde waarden’ ‘graag te helpen uitdragen’. Alsof alle Nederlanders de vrijheid dat

iedereen een eigen geloof of leefstijl mag hebben

zoals de participatieverklaring in een van zijn ‘waardes’ stelt, onderschrijft en met graagte uitdragen. Ik dacht het niet als ik mijn oog laat vallen op Facebook, Twitter en andere websites, en wanneer ik mijn oor te luisteren leg in ons openbaar vervoer of op straat.

Nee, in de wetenschap dat de tijd vervliet, zou ik met mijn beste bedoelingen iedereen adviseren te leven vanuit passie & compassie: Besteed je energie gedreven met mededogen aan het vuur dat in je brandt. ‘Kritisch mededogen’ bedoel ik, geen ‘geitenwollensokken-mededogen’; ‘kritische compassie’. Wat dat is?
Gesprekken met elkaar aangaan, ruimte bieden; oprechte denk en communicatiewegen bewandelen. Elkaar zoeken om zowel jezelf als de ander te begrijpen, te respecteren en eventueel de ander respectvol aan te spreken daar waar blijk gegeven wordt van strijdige inzichten. Laat je niet koeioneren en koeioneer niet. Zonder enige intentie elkaar kwaad te doen, mag dat ‘elkaar aanspreken’ van mij best ‘op het scherpst van de snede’.

“Wat was het leven voor jou, opa?” vroeg ik een oude Kretenzer eens. Hij was 100 jaar, getekend door oude wonden en blind. Hij koesterde zichzelf in de zon, gehurkt in de deuropening van zijn hut. Hij was ‘trots van oor’, zoals we op Kreta zeggen: hij hoorde niet goed. Ik herhaalde mijn vraag voor hem. “Hoe was je lange leven, opa, je honderd jaren?”
“Als een glas koel water,” antwoordde hij.
“En heb je nog dorst?”
Bruusk hief hij zijn hand op. “Verdoemd zij die geen dorst meer hebben!” riep hij.

sprak op 6 mei 1955 Nikos Kazantzakis, een van de belangrijkste Griekse schrijvers van de 20e eeuw. Ik ben het hartstochtelijk eens met hem.