Achter onze culturele rijkdom

Vanmorgen keek ik lang naar de foto op pagina 18. Een jonge vrouw in het zwart staarde vanuit een stoel terug. Een knappe vrouw. Haar ogen staan onderzoekend; het zal een wilskrachtige vrouw zijn met een open mind, zoals we dat tegenwoordig in goed Nederlands zeggen. Dat ‘jonge’ moet u maar met een korreltje zout nemen, want met mijn 67 vind ik iedereen onder de 40 jong.

Het bekijken van de foto  was voor mij als het plaatsnemen op een vluchtheuvel. In de Groene werd deze vrouw opgevoerd als prominent denker over de grote problemen waar onze nieuwe regering na 17 maart voor komt te staan. Halverwege dat artikel kon ik even rust nemen door naar haar foto te staren, om het opiniestuk vervolgens uit te lezen. Haar scherpzinnige analyse van de wereld geeft mij moed voor de toekomst. “Fijn dat we zulke landgenoten hebben”, denk ik dan.

Op een enkele gevierde kunstenaar na, leven de meeste beeldend kunstenaars – net als podiumkunstenaars – ook als levenskunstenaar. Bloei-jaren waren voor veel van hen hier de ’60er en ’70er jaren, maar daarna kwam de klad er weer in. En de klap van de bezuinigingen van het kabinet Rutte-I in 2013 is de sector nooit te boven gekomen. Cultuur moest gaan ondernemen, kunstenaars moesten de markt op, musea, podia en theaters moesten meer eigen inkomsten genereren om ‘de eigen broek’ op te houden. Met het aanbreken van de coronacrisis bleek de markt als heilige graal voor cultuur een lege huls.

Mensen leven in een staat van permanente concurrentie. Daar gaat het ontzettend mis

Nu gaat kunst altijd over samenleven. “Kunstenaars voelen en geven uitdrukking aan gevoel, ze verbeelden wat ze in de samenleving oppikken. Ik vind dat mooi om te zien en ik ben er trots op, maar ik vraag me ook af wat daaraan ten koste gaat”, vertelt Zippora Elders, de vrouw op de foto. Ze noemt de diepe kloven, die door de samenleving lopen. Het feit dat mensen zich niet veilig voelen en wantrouwig zijn naar de gevestigde orde. De toeslagenaffaire, (seksueel) misbruik en de manier waarop de aantijgingen tegen kunstenaar Juliaan Andeweg de beeldende kunst in het hart raakten, lieten zien dat dat onveilige gevoel met goede reden is. De Black Lives Matter-beweging die heeft laten zien hoe niet alleen in Amerika, maar over de hele wereld bepaalde groepen stelselmatig worden uitgesloten. De doorlopende klimaatcrisis en nu dan de coronapandemie.

Zij denkt dat “het belangrijk is dat we een gelaagd systeem hebben met een gelijke verdeling van middelen, waarin lokale gelden worden verdeeld door lokale commissies. Maar”, zegt zij, “je ziet aan het cultuurbeleid dat de neoliberale waarden van de overheid hun weerslag hebben op hoe het bestel functioneert.

Je leven wijden aan het maken van het ‘nutteloze’ is een politieke keuze

Er is in de cultuursector sprake van een ogenschijnlijke vorm van vrijheid als het gaat over ondernemerschap. Als jij je eigen inkomsten kunt regelen en op die manier je relevantie kunt aantonen, dan gaat het wel goed. Maar uiteindelijk zorgt dat voor enorm veel bureaucratie. Elders: “Alle culturele instellingen zijn voortdurend bezig met cijfers, kwantificeren, verantwoordingen. Nu door corona een groot deel van de eigen inkomsten wegvalt, zie je dat de grote spelers, zoals de grote musea die daar afhankelijk van zijn, meteen wegzakken. Tegelijkertijd is er generieke noodsteun die niet voldoende oog heeft voor de differentiatie van werkers in de cultuursector, waardoor die voor een groot deel buiten de boot vallen. Of door de partnertoets ineens weer afhankelijk worden van hun partner.

 “Achter onze enorme culturele rijkdom gaan veel mensen schuil, die kwetsbaar zijn, die amper kunnen rondkomen. Mensen die te hard werken waardoor er voor andere agenda’s te weinig ruimte overblijft. Van cultuur wordt verwacht dat zij bijdraagt aan de maatschappij, met verbeelding, schoonheid, zingeving en spel, maar die waarden zijn moeilijk te vinden als er bijna geen ruimte is om buiten het neoliberale kader te opereren. Mensen leven in een staat van permanente concurrentie, in de kunst ten opzichte van collega-instellingen en medekunstenaars. Daar gaat het”, stelt Elders, “ontzettend mis.”

Werken in de culturele sector is gewoon werk en zij vindt dat het ook gezien moet worden als werk, met een volledige positie in de maatschappij die bijdraagt aan onze welvaart, en dus ook mag rekenen op een deel van die welvaart. En niet alleen om het ‘vuile’ werk op te knappen, waarmee zij doelt op het harde werken aan thema’s waar de overheid zelf meer aan zou moeten doen. Over de toeslagenaffaire vraagt zij zich bijvoorbeeld af: “Waarom zie ik zo weinig verbinding? Rutte heeft het woord ‘schamen’ gebruikt, maar op zo’n analytische manier dat ik dacht, hoe voel je dat nu echt? Er zat een soort afstand in terwijl, mijn hemel, waar hebben we het over: ‘extreem onrecht’, ‘mensen die op basis van tot welke groep ze zouden behoren’ zijn uitgesloten. Hoe kun je daar met afstand naar kijken? Daar zit gevoel en de kunst brengt dat gevoel in de samenleving.Überhaupt kunstenaar zijn, je leven te wijden aan het maken van, volgens sommigen, het ‘nutteloze’, ziet Elders al als een politieke keuze.

Fijn en geruststellend dat dit type mens ook onder ons is

Elders: “Ik ga niet uit van slechte intenties, maar zie wel dat mensen elkaar niet begrijpen en daarom is de dialoog belangrijk. Ik denk dat je het debat niet moet schuwen. Het is alleen niet altijd leuk.

Die kloven in de maatschappij en mensen die zich niet gezien of veilig voelen, hebben ook te maken met klassenverschillen waarvoor te weinig aandacht is. Ook dat gaat over arbeid herkennen en serieus nemen, kortom fair practice”, zegt Elders. We moeten voorkomen dat de ambities nu ondergesneeuwd raken, spreekt zij zichzelf en haar sector toe, want ook op het gebied van de Code Diversiteit & Inclusie, de Fair Practice Code en de Governance Code Cultuur kan kunst een voorbeeld zijn voor de maatschappij, ook daarin kan de kunst gaan doorvloeien tot nut van onze samenleving. Zij maakt zich er persoonlijk dag in dag uit hard voor.

En dat met haar 34 jaar”, denk ik dan dus, en ook: “Fijn en geruststellend dat – buiten de pulp die massamedia ons brengt – dit type mens ook onder ons is!” Mijn dag begon zo weer goed.

Bron: “Kunst brengt gevoel in de maatschappij; Het eerlijke verhaal: Zippora Elders” door Roos van der Lint via DeGroeneAmsterdammer op 24 februari 2021.

Zijn wij goede voorouders?

In meer of mindere mate zijn veel mensen geïnteresseerd in de geschiedenis van het dorp of de stad waar zij wonen of van de regio waar zij tijdens een vakantie verblijven, en bij veel mensen boezemt de vondst van Neanderthaler-botten en bewaard gebleven lichamen van inmiddels duistere tijden hen (en mij) ontzag in. Toen ik me bijna 10 jaar geleden in Maartensdijk vestigde heb ik ook al snel “Maartensdijk; Geschiedenis en architectuur” (2000) door Michiel Kruidenier en Joost van der Spek gelezen. Daardoor denk ik een en ander te begrijpen van wat er in mijn woonomgeving te zien is. En op deze blogsite heb ik zelfs onlangs nog een verhaal geschreven naar aanleiding van de vondst van 10.000 jaar oude voetstap-afdrukken in de huidige staat Nieuw Mexico in de Verenigde Staten van Amerika. Dat was op 21 oktober jl..

Wij zijn hoe dan ook de erfgenamen van schenkingen uit het verleden. Denk maar aan de immense nalatenschap van onze voorouders: zij deden in de tijd dat die voetstap-afdrukken gemaakt werden al hun eerste wetenschappelijke ontdekkingen, onze voorouders leerden gebruiksvoorwerpen en vuur te maken, legden waterwegen aan, ontgonnen land, ontwikkelden ideeën over recht en onrecht, vonden een taal uit met abstracte begrippen, het schrift en de boekdrukkunst, waardoor reeds voor onze geboorte onze inzichten en kennis ongeëvenaarde proporties aannamen. Zij schiepen de grote kunstwerken waarvan sommige aan ons overgeleverd zijn, ze stichtten nogal eens de steden waar wij nu nog altijd wonen en zij strooiden de eerste zaden uit, eerst in Mesopotamië en later overal waar zij woonden.

Dit roept de vraag op hoe onze nakomelingen over 10.000 jaar mogelijk zullen terugkijken op ons doen en laten in wat wij nu de 20ste en 21ste eeuw noemen. Zijn wij goede voorouders?

(Inspiratie-)bron: “De vooruitkijkende Samaritaan; over de tirannie van het nu” door Roman Krznaric in De Groene Amsterdammer van 6 januari 2021.

Het verhaal van 10.000 geleden is gemakkelijk te vinden door hiernaast in de categoriewolk op “Proza en/of poëzie” te klikken. Het is dan het eerste verhaal dat verschijnt en heeft de titel: “Een wandeltocht van even geleden”.

“Ongekend onrecht”

Zo’n kinderopvangtoeslag-affaire is bij golven groot nieuws. Zo groot dat er soms op één dag verschillende nieuws-items over gemaakt en aan ons voorgeschoteld worden. Echter, vandaag – na één dag – hebben al die items alweer plaats gemaakt voor andere onderhoudende onderwerpen*. Alsof de kous af is wanneer de regering zich – eindelijk en voor de zoveelste keer – bij monde van de premier voorneemt om de kafkaiaans behandelde ouders te compenseren. Echter, wat ik in al die nieuwsberichten mis, is een antwoord op mijn vraag of deze affaire niet het topje van een ijsberg is; en wat zegt het gebeurde over het mensbeeld van onze politieke machtshebbers? En wat zegt het doorschuiven van verantwoordelijkheden naar het bordje van een ander over de vakbekwaamheid van de hotemetoot in kwestie?

Wat mij in alle berichten over deze affaire stoort, is dat gesuggereerd wordt dat dit een incident is. Zo kunnen we ook de problemen voor mensen met een exotische achternaam, om in onze samenleving een bij hun talenten passende plek te verwerven, ‘iets incidenteels’ noemen. Net als de achterdochtige behandeling van asielzoekers door onze Immigratie- en Naturalisatiedienst, of de tijd van behandelaars, die zij moeten stoppen in verantwoording in plaats van behandeling, of de verhoging van het laagste BTW-tarief; zijn dit allemaal incidenten? Is de denigrerende behandeling van mensen met een bijstandsuitkering door ons Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen ook een incident? En de verlaging van belasting op dividend, de schopstoel waar flexwerkers en zelfstandigen zonder personeel op zitten, het racisme van handhavers waaronder onze politie, het steunen van semi-overheidsorganisaties als musea, onderwijsinstellingen, verpleeghuizen, ziekenhuizen, zorg- en welzijninstellingen op onbezoldigd personeel, het tekort aan politie-agenten, het gebrek aan ministeriële regie tijdens heel de corona-pandemie, het bestaansrecht van voedselbanken in zo’n rijk land als het onze, de regeling dat er – zelfs voor chronische patiënten – financiële drempels opgeworpen worden om van de zorg gebruik te maken, het door corona-slachtoffers zichtbaar gemaakte tekort aan ziekenhuisbedden, en dat we in december moeten gokken voor welke zorg we ons het jaar daarop verzekeren? Volgens mij gaat het hier stuk voor stuk over zaken met soms “ongekend onrecht” tot gevolg, om maar een zinsnede uit het eindrapport, waarin de kinderopvangtoeslag-affaire behandeld wordt, aan te halen. Maar zijn dat stuk voor stuk incidenten? Omdat ik deze onvolledige opsomming zo uit mijn mouw schud, geloof daar niets van!

In 1990 zei onze toenmalige minister-president dat Nederland ziek is. Wat mankeert onze volksvertegenwoordiging sindsdien om ons al zulk ongekend onrecht aan te doen?

En dan heb ik het nog niet eens over het ongekende onrecht dat onze Tweede Kamer en met instemming van ons kabinet de Europese Unie mensen in het buitenland structureel aandoet of, omwille van eigenbelang, negeert. Net zo min heb ik het over het nalaten van onze volksvertegenwoordigers een passend antwoord te geven op het gestelde in “De grenzen aan de groei” (1972; “The Limits to growth: a global challenge”) van de Club van Rome gedurende de afgelopen 48 jaar.

En wat is er mis met al die mensen, die doodleuk keer op keer op de mensen stemmen, die al dat ongekend onrecht op hun geweten hebben? Ik weet het werkelijk niet.

* Later op de dag werd er toch nog een berichtje over de kinderopvangtoeslag-affaire geplaatst: het zou te vroeg zijn om over aftreden te praten (want de verantwoordelijken hadden de strekking van het eindrapport natuurlijk niet zien aankomen).

Een wijze vrouw (volgens mij)

Silvia Federici (Parma, 1942), professor emerita en Teaching Fellow aan de Hofstra Universiteit op Long Island, New York, heeft over onze Covid-perikelen mij-boeiende ideeën. Zij vindt corona eerder een politieke crisis, dan een gezondheidscrisis. “We zitten sinds eind jaren 60 en 70 in een counterrevolutie van het kapitalistisch systeem in crisis, dat terugslaat als ze bedreigd wordt”, zegt Federici: “Wat we sindsdien hebben gezien is een krachtige tegenreactie. Een aanval op de gedekoloniseerde landen met zware besparingsprogramma’s van het Internationaal Monetair Fonds en de Wereldbank om een kunstmatige schuld, die in die landen is gecreëerd, te herstellen. Mensen werden onteigend van gemeenschapsgronden, publieke diensten werden geprivatiseerd en er kwam een halt op overheidsuitgaven. Dit alles heeft een massa mensen verarmd en op de been gebracht, die goedkoop ingezet konden worden op de globale arbeidsmarkt. Een andere reactie van het kapitalisme tegen het verzet in het ‘Noorden’ is de versnelde automatisering en de massale investering in technologie om de werknemers-eisen voor betere loon- en werkomstandigheden te omzeilen. In dat proces komen ze nu in een ander soort crisis terecht. Aan de ene kant heb je bedrijven als Amazon, die miljarden winst maken, terwijl aan de andere kant miljoenen mensen hun werk verloren en verarmden. Kijk naar de interestvoeten, die nu bijna op nul staan om opnieuw [economische; GjH] groei te genereren. Dat is heel ongewoon in de geschiedenis van het kapitalisme. Maar behalve in China zitten de meeste andere landen zonder groei. Deze massale sociaal-economische ontwrichting toont het geweld aan van ons kapitalistisch systeem. Het verarmt de mensen, het vervuilt ons ecosysteem, het veroorzaakt epidemieën en volksverhuizingen. Dit systeem is onhoudbaar. Het beschermt het leven niet. En als we dit door hebben, kunnen we de vraag stellen wat we dan wel willen opbouwen?

Het is belangrijk om een duidelijke visie te hebben van die andere maatschappij. Een maatschappij, die gefundeerd is op sociale rechtvaardigheid. En dat we starten met het bouwen van de elementen van die nieuwe maatschappij in ons dagelijks leven en in onze dagelijkse relaties met elkaar. We mogen die zogenaamde revolutie niet projecteren in een verre toekomst.

Corona is een crisis die we in haar bredere context moeten bekijken. Het is vooral een politieke crisis, die we konden vermijden. Covid-19 is een rechtstreeks gevolg van het kapitalistisch systeem, dat zowel het menselijk leven als haar leefomgeving heeft gedevalueerd. Een voorbeeld van die devaluatie is de systematische ontmanteling van ons gezondheidssysteem gedurende de laatste decennia. Ik weet niet hoe het zit in België, maar in de VS is het meedogenloos. We hebben een quasi compleet geprivatiseerd zorgsysteem. Bijvoorbeeld in New York alleen al, waar ik woont, zijn er in 20 jaar 19 ziekenhuizen gesloten voor mensen met een laag inkomen.

Hoe kunnen we die andere wereld inbeelden met ons geïnternaliseerde kapitalistische frame?

Federici: “Ons ontdoen van de geïnternaliseerde kapitalistische mentaliteit is een proces van zelfbevrijding. Het belangrijkste is dat we beginnen met de link te maken tussen de verschillende vormen van uitbuiting en de strijdthema’s van bewegingen.

We moeten ons dagelijkse leven politiseren. Afstappen van die kunstmatige scheiding van de politieke strijd op straat en ons dagelijks leven. Het huishouden, de zorg voor kinderen of ouderen, relaties, voortplanting, dat is allemaal politiek. Ons dagelijkse leven om onszelf in stand te houden is een plek van uitbuiting, maar ook van organisatie. En dat is volgens mij de grote fout, die de door mannen gedomineerde sociale bewegingen in het verleden maakten. Exact, omdat ze die twee scheidden, waren ze inefficiënt.

De coronacrisis heeft een barst geopend. Het is alsof je een glimp opvangt vanuit een deurkier. We staan op een kruispunt waarin openingen zijn naar nieuwe mogelijkheden. Wees bewust dat het antwoord niet meer isolatie’ is, maar juist ‘collectieve actie’. Het idee dat je alleen je hachje kunt redden in deze geglobaliseerde wereld is kolder. We zullen onszelf niet kunnen redden als de meerderheid van de mensen elders in de wereld in oorlog, armoede of een situatie van onderdrukking moeten leven. Zoals de uitdrukking luidt: “Sooner or later the chicken will come home to roost”. De gevolgen van onze acties elders in de wereld zullen we vroeg of laat gepresenteerd krijgen. We moeten stoppen met onze welvaart op te bouwen op andermans lijden. Dát moet hét principe zijn van onze politieke actie.

Haar argumentatie dat ‘onze’ Middeleeuwse heksenjacht – met de gewoonte vrouwen te verbranden – omwille van een kapitalistisch denken momenteel ook in tal van arme landen toegepast wordt, heb ik hier boven niet geciteerd. Net als haar interessante uiteenzetting over hoe vrouwen door de jaren heen altijd onderdrukt zijn. Deze Federici zegt dingen, die mij altijd al aanspreken.

Bron: “Silvia Federici over kapitalisme, corona, heksenjacht en migratiecrisis” door Keltoum Belorf via DeWereldMorgen op 27 oktober 2020.

Zij is te beluisteren via Kunstencentrum Vooruit in Gent: “Silvia Federici; Rethinking and Restructuring Social Reproduction in times of Racist Violence and Global Epidemics”; deze link – met een stream van haar voordracht – is van woensdag 28 oktober 2020.

Wie het hele, boeiende interview met Silvia Federici wil lezen, kan op deze link klikken.

Hoezo ‘Begin bij jezelf’?

Er was een tijd dat ik geloofde. Het motto ‘Verbeter de wereld, begin bij jezelf‘ sprak mij aan als was het iets vanzelfsprekends. In de loop van de tijd ben ik van mijn geloof gevallen, want inmiddels vind ik het een achterhaald, verouderd gezegde.

Een betere wereld begint volgens mij helemaal niet meer bij mijzelf. Dat was misschien nog wel zo toen we nog heel ons leven in een dorp leefden.

In de grote mensenwereld van nu, de media-mensenwereld, geldt dit niet langer. Ik realiseer mij haast dagelijks dat door de Europese Unie en door de Nederlandse regering mede in mijn naam misdaden gepleegd worden tegen de aarde en tegen alles wat daar op leeft inclusief de menselijkheid en mensen. Tegelijk is ‘mijn’ overheid obsessief gericht op economische groei; een kapitalisme dat hand in hand gaat met consumentisme, onderdrukking, uitbuiting en vernietiging, en zij hangt de vrijheid aan voor iedereen om onbeperkt materiële rijkdom te vergaren, met een geweldig grote machts- en vermogenskloof tussen burgers als gevolg. Miljardairs, die meer geld en macht hebben dan menig land. ‘Mijn’ regering behandelt grootbedrijven fiscaal met ondoorzichtige egards en schafte onlangs nog voor bepaalde bedrijven de dividendbelasting af. Daarmee laat zij het onderhoud en het ontwikkelen van nutsvoorzieningen steeds meer over aan huishoudens, die het geld daarvoor bijeenbrengen via de BTW en inkomstenbelasting. Ze praat zoveel met vertegenwoordigers van grootbedrijven en grootbanken dat er sprake is van verwevenheid. Wanneer vooraanstaande politici na verloop van tijd meer dan de Balkenendenorm gaan verdienen bij een grootbedrijf, kijkt daar niemand meer van op. Met burgers of burgerbewegingen, of met haar eigen ambtenaren praat ze niet of nauwelijks; die mogen van ‘mijn’ overheden demonstreren en zich uitspreken, zolang ze maar geen invloed krijgen. Bovendien is ‘ons’ stelsel van progressieve belastingen sinds de 70-er jaren sterk afgevlakt, waardoor de druk meer en meer is komen te liggen op de mensen met de laagste inkomens. ‘Mijn’ regering schafte in de kabinetten sinds Lubbers’ minister-presidentschap allerlei vanzelfsprekende ondersteuning voor kwetsbare mensen af en privatiseert nutsvoorzieningen; ook als die van vitaal belang voor het functioneren van onze samenleving zijn, zodat in geval van nood de private partijen alsnog met belastinggeld ondersteund worden. Zo groeit het besteedbaar inkomen van mensen al decennia niet mee met de jaarlijkse economische groei, terwijl burgers meer en meer in de kou blijven staan; ook als ze kwetsbaar zijn of verward, en ondersteund zouden moeten worden. En ‘mijn’ regering is ook nog eens een notoire dwarsligger als het gaat om harmonisatie van belastingen in Europees verband, waardoor grootbedrijven en particulieren via mijn vaderland belastingen in andere landen kunnen blijven ontduiken en buitenlands èn Nederlands geld kunnen blijven wegsluizen naar weer andere belastingparadijzen. Het pensioenfonds ABP, waar mijn pensioen opgebouwd is, heeft met mijn geld veel geïnvesteerd in sectoren waartegen ik mij mijn leven lang verzet heb, zoals bruinkool-, olie- en steenkoolwinning en de wapenindustrie; en was het maar voltooid verleden tijd dat zij dat deed. Om maar wat voorbeelden te noemen van zaken, die de kwaliteit van de wereld bepalen, en waarom ik van mijn geloof gevallen ben.

Om mijn nietigheid verder met een voorbeeld te illustreren: ik ben al 45 jaar vegetariër, zonder dat dat enig effect heeft gesorteerd. Behalve dan – als bijvangst waar ik wel blij van word – een gezond lichaam en een zuiver geweten bijvoorbeeld op de vlakken van de intensieve veehouderij en overbevissing.

Tenslotte, om de nietigheid van ieder van ons te illustreren: wat te denken van de lege handen waarmee Greta Thunberg nog steeds staat? Zeg tegen haar eens: “Greta, een betere wereld begint bij jezelf.” Wat is haar invloed op het bereiken van een betere wereld?

Nee, het is een dooddoener. Maar uiteraard doet het er vast wèl toe wat ik en ieder van ons doet. Binnen mijn invloedssfeer doet het er wel toe dat ik voorbeeldig leef. Daarom sluit ik me liever aan bij degenen die zeggen:

Besef dat alles wat ieder van ons doet of nalaat politiek is

en

Handel vanuit liefde, heb mededogen, wees verdraagzaam, beoog altijd vrede

Oftewel, leef het hele jaar door naar je (mijn) eigen kerstwensen.

Hardleers

Hygiëne in den Winkel

Nu er zooveel gepraat wordt over de zindelijkheid en hygiëne, moet ik eens de aandacht vestigen op een gebruik, dat mij al sinds lang geërgerd heeft als iets zeer onzindelijks en on-hygiënisch. Het is n.l. in de banketsbakkerswinkel; koopt men daar pralines, borstplaat, enz. enz., dan wordt stuk voor stuk door de juffrouw met de vingers aangepakt en op de weegschaal gelegd. Waarom geen lepel gebruikt? Dat ligt toch voor de hand? Ik vind dat onsmakelijk en heb mij voorgenomen de winkels te vermijden, waar men op die onfrissche wijze de klanten bedient.

‘Een huisvrouw’ in het Nieuws van den Dag op 8 november 1906.

Dit las ik vanmorgen op mijn Historie-kalender van Quest>Delpher. Grappig toch dat het besef een ander zelfs via de huid te kunnen verzieken al zolang onder ons is. Wanneer ik de media een beetje volg, zijn hier nu, 114 jaar later, best veel mensen, die het nog steeds voor lief nemen elkaar misschien te besmetten in plaats van het zekere voor het onzekere te nemen door voor de hand liggende hygiënische voorzorgmaatregels te nemen nu een gevaarlijk virus onze gezondheid bedreigt.

#FysiekeAfstandHouden #HandenWassen #Hygiëne #LichaamsVerzorging #Mondneuskapje #Ontsmetten #WerkenVanuitHuis

Bron: 24 oktober 2020 in de Historie-kalender 2020, uitgegeven door Quest>Delpher.

Een wandeltocht van even geleden

Kom, Enapay, maak je klaar om te gaan”, riep zijn moeder en na een kwartier nog eens. Pas na de derde keer kwam het jochie naar zijn wiigwaas, zijn wigwam zouden wij zeggen, en hij begon te vertellen wat er in zijn spel met de andere kinderen in de nederzetting zonder naam voorgevallen was. Hij vertelde zo enthousiast, dat zijn moeder vergat kwaad te blijven.
We moeten echt gaan, lekker joch. Het is een grote tocht en gevaarlijk bovendien.

Enapay maakte zich klaar terwijl hij verder vertelde en Maska, zijn moeder, zei uiteindelijk: “Hier, doe deze schoenen aan.

Toen ze hem even later aangekleed zag staan, voelde ze hoeveel ze van dat ventje hield en ze zei: “Neem twee kleine speren mee. Dat is wel genoeg.

Maska liep met Enapay naar de doodem, de totempaal zouden wij zeggen, en legde er verse kruiden en zoete aardappelen neer. Ze nam met hugs afscheid van haar broer, die ziek was, van haar moeder, haar vader en van haar twee zussen. Voor haar oudste zus was één hug niet genoeg, Zij keek Maska indringend aan: “Pas goed op, zusje.” Wat later aaide Maska haar twee kleinere kinderen over hun bol. Die lachten eerst terug, maar even later begon de oudste te huilen. De jongere zus van Maska nam het kindje in haar armen. Ook van haar buren in de kleine nederzetting nam ze afscheid. Met een daarvan had ze gisteren nog een aanvaring gehad. Nukkig, en toch zo vriendelijk mogelijk, nam deze buurman afscheid, maar van de buurvrouw kreeg ze ook een warme hug, zoals van de andere buren. Sommige kinderen zwaaiden enthousiast naar Enapay en Maska. “Goede reis, kom heelhuids terug allebei!

Daarna gingen ze op weg, de kleine Enapay en zijn moeder Maska. Speren, eten en water droeg zij in haar hand en in haar rugzak. Hij had twee speren in zijn hand en ook in zijn rugzakje zat water. Enapay herhaalde nog eens uitgebreid hoe het spel verlopen was.

Bij een mooi uitzichtpunt wees Maska de kleine vent op de schoonheid van de natuur. En ze wees hem erop hoe je aan de planten kunt zien waar water is, en waar grote dieren ’s avonds altijd dronken. Toen het jochie moe werd, droeg ze hem een stukje. Daarna moest hij zelf weer lopen. Achter hen hoorde ze aan het gekraak van takken dat een mammoet in de buurt was. Zijn moeder legde een vinger op Enapay’s mond ten teken dat geen enkel geluid nog geoorloofd was. Ze liepen verder en de mammoet ook; hij kruiste hun pad. Wat later praatten ze weer. Maska over haar zieke broer, die misschien niet lang meer zou leven, en hij over de kinderen in de nederzetting en dat hij later met gemak alle dieren zou bejagen. Ook de mammoeten.

Soms liep Enapay links van Maska, soms rechts en dan weer droeg zij hem even. Wat ze niet in de gaten hadden, was dat een gigantische luiaard hen wel in de gaten had. Het beest twijfelde, maar riskeerde de aanval niet. Het keek wel uit om de aandacht van de mammoet op zich te richten. Zo liepen moeder en kind aan de oever van een groot meer in een rechte lijn naar de jagende mannen een stuk verderop in de wildernis. Maska begon erover wat Enapay te doen zou krijgen als jongste jager en ze vertelde dat hij na twee nachten samen met zijn vader en de andere jagers weer thuis zou komen.

Op een heuveltje met weer zo’n mooi uitzicht, voor hen gewoon maar wij zouden onze ogen uitkijken, floot Maska en haar fluiten werd beantwoord. Het bleek haar jongste broer te zijn, die haar gehoord had. Hij bracht Maska en Enapay naar haar man en zijn vader. “Wat fijn dat je ons komt versterken, kleine vent! Dat hebben we echt nodig, want de vangst valt nog wat tegen.” Ze praatten bij over hoe de jacht verlopen was, over de mammoet en dat ze gelukkig geen gigantische luiaards en sabeltandtijgers hadden gezien, over het voorval met de buurman en dat de broer van Maska maar niet beter wilde worden “Anna [haar moeder; GjH] probeert het nu met rook.” Maska gaf haar man de honing, die ze voor hem had meegenomen. Na een tedere omhelzing met haar man en een dikke kus voor Enapay en de nodige “Ik houd van jou”’s liep zij alleen terug naar de nederzetting. Op de terugweg kruiste niemand haar pad, geen luiaard en ook geen mammoet of reuzenwolf. Maska zag langs het meer de voetafdrukken van haar kleine Enapay naast die van zichzelf en ze voelde dat het in haar leven goed was zoals het was. Misschien, als haar broer weer beter werd, niet beter kòn. Juist op dat moment zag zij wat prachtige veren op de grond liggen. Ze stak de drie mooiste in haar haar.

Ze zou niemand geloofd hebben, die haar vertellen zou dat het dragen van veren door haar een gewoonte zou worden. Toch was zij de eerste die dat deed, waarna anderen dat eeuwenlang ook bij bijzondere gelegenheden gingen doen.

Dit gebeurde allemaal 10.000 jaar geleden in de huidige staat Nieuw Mexico in de Verenigde Staten van Amerika. Helemaal zeker, dat het zo gegaan is, ben ik overigens niet. Het kan ook zijn dat Maska via rooksignalen gevraagd was Enapay eerder op te halen, wanneer het jachtgebied en de nederzetting andersom gelegen hebben. Of de broer van Maska het gehaald heeft, weet ik evenmin en over de namen ben ik ook al niet zeker, maar oud-indiaanse namen zullen zij vast en zeker gedragen hebben. Het enige zekere in dit verhaal zijn de voetsporen van wie Enapay en Maska genoemd werden over 1,5 km in een rechte lijn, met een kleuter soms links van een jonge vrouw, dan weer rechts en dan weer zonder de zijne maar met extra diepe afdrukken van de hare, de voetafdrukken van haar alleen in tegengestelde richting en de afdrukken van de gigantische luiaard en die van de mammoet. De rest heb ik erbij moeten verzinnen. Maar het bijzondere aan dit verhaal lijkt mij dat u en ik misschien wel wat DNA van het kind en de jonge vrouw, die daar 10.000 jaar geleden liepen, in onze genen hebben. Wellicht zijn dit twee van onze talrijke voorouders geweest.

Bron: “10.000 jaar oude voetstappen van (jong)volwassene en kleuter ontdekt in VS” via NU op 17 oktober 2020.

Wir waren wieder zusammen (um Musik zu machen)

Toen het woensdagavond donker begon te worden, vertrok ik op de fiets met mijn cello in een koffer op de rug. Bij de Woudkapel in Bilthoven ontmoette ik enkele medemuzikanten. Buiten wachtten we totdat degenen, die al naar binnen gegaan waren, hun handen ontsmet en zichzelf geregistreerd hadden. Nadat ik dezelfde procedure gevolgd had, zocht ik in de kapel mijn plaats: twee stoelen met een briefje met mijn naam erop.

We waren weliswaar met 4 van de 5 cellisten, maar slechts met 3 fluitisten, even zoveel violisten, 2 klarinettisten, de pianist (v); kortom zo’n beetje de helft van de circa 30 muzikanten. Corona-angst, vakantie en daadwerkelijke ziekte waren er de oorzaak van dat we met zo weinig waren. Vanwege corona vervalt de in november geplande muziekuitvoering, werd ons verteld.

Na het stemmen van onze instrumenten begonnen we met de bewerking van een aria, die Johann Sebastian Bach in 1718 gecomponeerd heeft. “Bist du bei mir, geh ich mit Freuden Zum Sterben und zu meiner Ruh…” We moesten wennen aan het spelen in de kerkzaal van de Woudkapel. Normaal spelen we er in een zaal, waar we dicht op elkaar zitten. Nu hadden we stuk voor stuk alle ruimte, waardoor ik mijn eigen instrument beter hoorde dan anders, maar de aanwijzingen van onze dirigent (v) wat minder goed. Ik vond het een feestje om hier inmiddels na een half jaar weer samen met zoveel andere instrumenten en partituren muziek te maken.

In de pauze werd ons verzocht een voor een achter, aan een tafel, iets te drinken te halen wanneer niemand anders dat deed, en minstens anderhalve meter afstand van elkaar te houden.

Daarna vervolgden we met een bewerking van de Boléro, die Maurice Ravel in 1928 heeft gecomponeerd. Daaraan heb ik nog een bijzondere herinnering. Oververhit arriveerde ik ergens rond 1986 op weg naar Spanje na een flinke klim onder de brandende zon in Marlet, een laatste dorp in een dal dat in de Franse Pyreneeën ligt. Ik trad een donker etablissement binnen, toen juist die Boléro opgezet werd. Met het aanzwellen van de muziek ontwaarde ik steeds meer mensen in dat café. Aan het eind van het stuk voelde ik me weer de oude en zag ik weer normaal. Maar goed, dat was toen, en zo repeteerden we woensdagavond 6 muziekstukken van nog levende en overleden componisten om daarna, ik vrolijk en voldaan, weer op te breken. Op de terugweg was het nog even spannend in het pikkedonker met mijn cello op de rug over een hobbelig bospaadje om een slagboom heen te fietsen, maar de kop is eraf. We hebben weer gerepeteerd en dat we voorlopig geen uitvoering zullen geven, maakt mij niets uit.

De fikse uitdaging voor ieder mens

Gaat het in onze levens om het zijn of gaat het om het goede?

In het begin van onze levens, in de kindertijd, gaat het om het zijn. Een baby is. Niet meer en niet minder. Het past zich aan aan alle omstandigheden. Het zet het op een brullen bij ongemak, doet wat het doet met toewijding en kirt soms van tevredenheid.

Op een zeker moment, wanneer de hersenen tot wasdom komen, wordt een kind steeds meer een sociaal wezen in zijn leefomgeving. Hij gaat vanuit de eenheid, die hij met zijn moeder vormt, gaandeweg verbintenissen met anderen aan en andere juist uit de weg. Verbintenissen, die te zijner tijd de binding met zijn moeder ook losser kunnen maken, zoals een band met zijn vader, maar een kind gaat ook met andere hem welgevallige mensen verbintenissen aan. Geleidelijk ontwikkelt hij voorkeuren; sympathie en antipathie. Hij blijft het centrum van zijn wereld, maar ontwikkelt van lieverlee voor zijn begeertes en zelfbehoud broodnodige oordelen.

De oordelen van anderen, zullen op een bijzonder moment gaan botsen met zijn eigen ontwikkelde wereldbeeld. Sterker, op een zeker moment zal het zich ervan bewust worden dat zijn oordelen stuk voor stuk discutabel zijn; dat alle resultaten van de ontwikkelde oordeelsvorming ter discussie staan. Dat sommige van zijn waarheden zelfs beschamend zijn. Vanaf dat moment gaat het in ons leven langzaam maar zeker niet meer om zijn maar om het goede. Om het goede doen, om precies te zijn. Zelfs zelfbehoud kan sindsdien ten behoeve van een ander, impliciet hoger geacht doel opgeofferd worden.

Wanneer we op deze wijze uit ons Paradijs gevallen zijn en ons leven niet meer om zijn draait, komen we er tegelijk achter dat we niet in Utopia beland zijn. Er zijn veel anderen en evenzoveel losse schroeven waarop ons wereldbeeld gebaseerd is. Er is ook veel leed.

Anders dan toen ons leven om zijn-in-het-hier-en-nu draaide, neemt nu de hoop op beter, op minder lijden, op mooier en op zintuiglijk genieten een plaats in in ons leven. Om hoop bewaarheid te laten worden, moeten we het goede gaan doen. Het goede voor wie? Het goede voor iedereen, omdat we sociale wezens zijn. Dat komt er in de praktijk op neer dat het goede is om naar beste kunnen het leed van anderen te verzachten, waardoor we een ietsepietsie dichterbij Utopia komen. Dat we een iets eraan bijdragen een wereld te creëren, waarin voor iedereen plaats is, waarin iedereen wel zou willen wonen.

Per definitie wil ik wonen in een wereld waarin iedereen wil wonen. Vandaar dat het in het leven, zodra we besef hebben van het ter discussie staan van al onze bevindingen, om het goede gaat. We maken deel uit van en hebben invloed op onze omgeving. We kunnen de ander ondersteunen waar mogelijk, we kunnen hem negeren en we kunnen hem disciplineren of breken. Vanwege deze ongevraagde verantwoordelijkheid voor de ander, we zijn inmiddels immers van kinderen uitgegroeid tot handelingsbekwame, sociale volwassenen, draait het leven er nu alleen nog om het goede te doen.

Feitelijk is het met ons nog heftiger gesteld: …om het goede gedaan te hebben. Ondanks goede bedoelingen kunnen we nog altijd bewerkstelligen de wereld, onze omgeving, verder van Utopia te doen verwijderen. Daarmee zouden we onze hoop op beter ridiculiseren. Daarom telt wat we gedaan hebben op basis van het resultaat, waardoor we in de praktijk vechten tegen de bierkaai en ook nog eens altijd te laat zijn. Dàt is – volgens mij – de betekenis van elk mensenleven; het goede gedaan hebben voor de ander, of niet het goede gedaan hebben.

Ik schreef dit zojuist na het doornemen van het boek “De ander in ons; Emmanuel Levinas in gesprek: een inleiding op zijn denken”, en met name daarin het interview met Rudy Visker, als hoogleraar verbonden aan het Hoger Instituut voor Wijsbegeerte in Leuven, (2008) door France Guwy, uitgegeven door Uitgeverij SUN in Amsterdam.

De ander, dat ben ik

De denkbeelden van de moderne Westerse filosoof Emmanuel Levinas (1906 – 1995) spreken mij aan en raken mij onder mijn huid. Op 20 april jl. heb ik hier de kern, het uitgangspunt van het denken van deze man proberen samen te vatten. Dat deed ik onder de titel “In essentie leert het leven ons genadeloos hoe nederig we stuk voor stuk zijn”. Nu ga ik de uiterste consequentie van zijn denken proberen te beschrijven.

Een uiterst gevolg van zijn filosofie is, dat niet wat ik denk beslissend is, maar wat ik doe.
Dat is nogal wat. Levinas biedt geen uitweg aan intellectuele dagdromerij of aan kamergeleerdheid. Hij overrompelt mij. Het lijkt erop dat mijn motieven er in eens niet meer toe doen omdat wat ik gedaan heb en naliet beslissend is. Dat vraagt om wat meer context.

Vrede is elk moment mogelijk

De filosoof Levinas beseft al te goed dat alles wat een filosoof vindt, ‘taal’ is. Daar begint het al mee. Wat hem betreft moeten we het daar eerst maar eens over hebben, want aan taal kleeft de eigenschap dat zij veelvuldig misbruikt wordt. Overal. Ook binnen de filosofie. Grond, lucht, rivieren en zeeën zijn vergiftigd, maar over dat gif wordt pas gesproken wanneer het aangetoond wordt. Zo is ook taal vaak het laatste dat ter sprake komt, terwijl het juist om taal gaat.
Taal is nodig en nuttig volgens Levinas. Het is de ‘samenhang tussen mensen’ en het is nodig omdat er zonder gesprek geen menselijkheid mogelijk is, geen rechtvaardigheid en geen waarheid. Dat vraagt om wat meer context.

Zodra ik de Ander zie en waarneem dat hij (m/v) mij ziet, ben ik verantwoordelijk [zie mijn stukje van 20 april jl.]. De ware religie, stelt Levinas, is niet een beweging omhoog, maar dat is de aanvaarding van de andere mens als de Ander (met een hoofdletter) in wiens gelaat (haar of zijn aanwezigheid, gezicht, ogen) God zichtbaar wordt. God openbaart zich in de vernederde als ‘de overstijgende’, zoals ook in de weduwe en in de wees met wie – zo zou je het kunnen zeggen – God een geheim verbond heeft. De inzet van de zorg voor de Ander is geen ‘gevolg’ van het geloof, zoals vaak beleden wordt. Die inzet is ‘het geloof’, zegt Levinas. Mij doet dit schudden.
Internet en televisie hebben de wereld daarmee een onmogelijke plek gemaakt om te leven, want ik ben van veel lijden en onrecht – van veel vernederden, weduwen en wezen – op de hoogte en voor hen ben ik verantwoordelijk [zie de laatste alinea van dit stukje]. Ik ben altijd te laat, want het gaat erom of ik het juiste gedaan heb of het juiste heb nagelaten te doen. Dat vraagt wederom om wat meer context.

Levinas is opgegroeid in een Joodse traditie. Daar lag de nadruk op ontwikkeling van verantwoordelijkheid. Ik ben opgegroeid in een Calvinistische traditie, waar verantwoordelijkheid als een niet te dragen last om ieders nek hangt. Om verantwoordelijkheid te kunnen dragen, is volgens Levinas nodig tot inzicht te kunnen komen. Inzicht kan ik alleen verwerven door studie, door vraag & antwoord en door mezelf steeds nieuwe vragen te stellen. Ik kan alleen het goede of het juiste doen, wanneer ik weet heb van het goede en het juiste.
Ieder mens zal fouten maken, dus ik ook. Daar heeft ieder mens – dus ik ook – recht op. Maar dan heeft ieder mens er ook recht op te weten wat fout is en waarom. Bovendien bieden fouten een valkuil: wie zich almaar bezig houdt met zijn (m/v) fouten (en ze te verbeteren), met schuld, zou zich opsluiten in een kleine wereld en loopt het risico het goede, dat hij (m/v) (wel) kan doen, uit het oog te verliezen.
Levinas aarzelt niet te schijven dat vrede (heil, shalom) elk moment mogelijk is.

De Westerse filosofie is een uitdrukking van geweld

‘Vrede’; dat vraagt om wat meer context, waarmee we bij de crux van zijn denken komen. Volgens Levinas is anti-semitisme meer dan een randverschijnsel. De holocaust, de shoah, was volgens hem meer dan het gevolg van anti-semitisme. Sinds het einde van de Tweede Wereldoorlog heeft het bloed immers niet opgehouden te vloeien. Imperialisme, racisme en uitbuiting zijn ook nadien meedogenloos gebleven. Mensen en volkeren hebben knechting, leed en vernietiging te vrezen.
Volgens Levinas legt de holocaust de wortels bloot van de Westerse cultuur, die geobsedeerd is door het marginale en het marginale tegelijk met alle geweld ontkent. De Westerse filosofie is daarmee voor hem een uitdrukking van geweld.
Zo, het hoge woord is eruit: de Westerse filosofie is een uitdrukking van geweld. Dit is wat mij gevoelsmatig aanspreekt en wat mij tegelijk onder mijn huid raakt. Geweld is dus niet een dierlijk trekje van mensen. Het is volgens Levinas het weerzinwekkend resultaat van de menselijke rede (van zijn rationaliteit, van zijn redelijkheid, van zijn verstandelijke vermogens).
De Westerse filosofie maakt zichtbaar hoe de rationaliteit het machtsmisbruik mede via de taal (!) verbergt. Een machtsmisbruik dat werkzaam is in de kerk, in de ontplooiing van de mens, in het kolonialisme, in de politiek en in de staat. Let wel: een niet-geweld-dadige samen-leving is onmogelijk.
Tegen alle geweld en tegen alle redelijke rechtvaardiging daarvan in, neemt Levinas het lijden van de mens op elk moment ernstig. Dat vraagt om nog een klein beetje context, maar mij spreekt dit aan alsof ik het zelf bedacht heb.

Ik ben de Ander

Zolang rechtvaardigheid afhankelijk is van de mens, is een niet-gewelddadige wereld onmogelijk.
Om menselijk te leven hebben mensen volgens Levinas eindeloos veel minder nodig dan de prachtige beschavingen, waarin ze leven.
In de beslissende uren, waarin zoveel waarden niet geldend blijken, stelt hij, bestaat de waardigheid van de mens uit hoop; hoop dat ‘eens de tijd zal aanbreken dat…’ Echter, in de uren dat alles toegestaan is, is het de hoogste plicht zich in daden verantwoordelijk te weten tegenover de ‘waarden van de vrede’.
Ook wanneer het er in alle opzichten op lijkt dat de wereld een grote chaos is, komt het er volgens Levinas op aan om zo te leven en zich zo te gedragen (te handelen, te doen) alsof de wereld niet enkel uiteenvallende verbrokkeling is. Het komt uiteindelijk aan op een innerlijk leven.
Het komt erop aan jezelf zo te ontwikkelen dat je met je buik weet wat betekenis heeft en wat geen betekenis heeft. In elke wereld, hoe chaotisch die ook is, hebben we altijd een eigen stem. Die stem kan zich – zoekend naar wat juist is – verzetten tegen elk onrecht, waarbij de spreker de gevolgen van zijn spreken op zich neemt.
Een goede bedoeling is nooit de garantie geweest voor daadwerkelijke verbetering. Het geweld kan alleen veranderen wanneer iemand uitzondering wil zijn; iemand die buiten het gangbare patroon gaat staan.
We kunnen over rechtvaardigheid spreken om te achterhalen wat het is. Daar leent de taal zich voor; om de samenhang tussen mensen bloot te leggen. We kunnen achterhalen wat het recht omvat, wat het onrecht en het recht van mij vragen te doen. Zolang er nog maar één vreemdeling niet welkom is, zijn wij niet welkom, zegt Levinas, en dan kan ik evenmin mijn huis in. Wat de vreemdeling overkomt, overkomt mij; overkomt ons. Tenslotte vraagt dit om nog iets meer context.

Levinas graaft zijn onderwerpen minutieus uit en daagt tegelijk zijn lezers uit zijn ‘textes’ te doorvoelen, erover na te denken, ze ter harte te nemen, ze te proeven en erover te spreken; wellicht zelfs om ze te weerleggen, in plaats van ze naar Westers gebruik te rationaliseren

Alles begrijpen, doorzien en kennen veronderstelt een totale en volledig toegankelijke aanwezigheid van alles. Dat veronderstelt dat alles voor het ‘ik’ even aanwezig is als ‘mijn wereld’, waarin we stuk voor stuk bij aanvang leefden [zie mijn stukje van 20 april jl.]. Het veronderstelt ook dat er geen Ander is, geen ander mens, want het veronderstelt dat mensen geen onderlinge verschillen hebben. Het veronderstelt dat het marginale niet bestaat. Precies de Ander, die u degradeerde van heer & meester tot onderdaan, maakt glashelder dat ik niets begrijp, niets doorzie en niets ken. De aanwezigheid van de Ander breekt volgens Levinas de eenheid van plaats en tijd, die gebaseerd was op het ‘ik’ en het ‘mijn’. De Ander blijft in alles de uitzondering. Hij (m/v) maakt zich los, is niet zoals al het andere in ‘mijn wereld’ en doet om die reden een beroep op mijn betrokkenheid, medelijden en rechtvaardigheidsgevoel.
Ik ben verantwoordelijk voor wat ik met dat gegeven doe. Niet wat ik denk is beslissend, maar wat ik doe, wat ik gedaan en nagelaten heb. De consequentie van Levinas’ denken is zodoende de vraag te durven stellen:
Kan ik tegen de Ander zeggen: “Hier ben ik!”?

C’est le ton qui fait la musique
De teksten van Levinas dringen onmiddellijk tot de kern van zijn onderwerp en vragen als het ware daarin te graven, te tasten en te verwijlen; eerder naar het Franse woord ‘texte’, dan naar het Nederlandse woord ‘tekst’. Immers, ‘onze’ teksten zijn wij gewoon te interpreteren, waarmee we er aan de haal gaan. Levinas daarentegen graaft zijn onderwerpen minutieus uit, en nodigt zijn lezers vervolgens uit ze ontbloot te aanschouwen. J.C.M. Engelen [zie bron] wijst erop dat Levinas in zijn Joodse achtergrond juist gewoon geworden was teksten te bestuderen, in plaats van te twisten over mogelijke interpretaties, zoals niet-Joden gewoon (zouden) zijn te doen. Misschien wel daarom ken ik niemand, die zo precies schrijft als Levinas. Het gaat bij hem niet om ‘teksten’, maar om het Franse ‘textes’, waarmee de filosoof Levinas zijn lezers eerder uitdaagt zijn uiteenzettingen te doorvoelen, erover na te denken, ze ter harte te nemen, ze te proeven en erover te spreken; wellicht zelfs om ze te weerleggen, dan om ze naar Westers gebruik te rationaliseren.

Bron: “Het gelaat: hij die mij aanziet” (1987) van pagina 66 tot en met 120 door J.C.M. Engelen; uitgegeven door Gooi en Sticht te Hilversum.