Alweer een Scandinavisch land winnaar

Even iets anders dan de gevolgen van het nieuwe Coronavirus-uitbraak. In het World Hapiness Report is Finland voor het derde jaar op rij uitgeroepen tot het land met de gelukkigste inwoners ter wereld. Dit is gebaseerd op peilingen van zes variabelen, te weten
1. afwezigheid van corruptie,
2. bruto binnenlands product per hoofd van de bevolking,
3. gezonde levensverwachting,
4. sociale steun,
5. vrijgevigheid en
6. vrijheid

Sinds het begin in 2012 hebben slechts vier landen de koppositie veroverd. Denemarken in 2012, 2013 en 2016, Zwitserland in 2015, Noorwegen in 2017 en Finland in 2018, 2019 en 2020. Nu mis ik de winnaar van 2014, maar van dat jaar ontbreekt een rapport.
Het mondiaal geluksrapport wordt uitgebracht door het Sustainable Development Solutions Network (SDSN-UN) van de Verenigde Naties. De tien eerste plekken in 2020 zijn:

1. Finland
2. Denemarken
3. Zwitserland
4. IJsland
5. Noorwegen
6. Nederland
7. Zweden
8. Nieuw-Zeeland
9. Oostenrijk
10. Luxemburg

Dus Nederland doet het met een zesde plaats ook goed. Toch staan sinds aanvang de vijf Noordse landen – Denemarken, Finland, Noorwegen, IJsland en Zweden – allemaal steeds in de top tien van de jaarlijkse lijst. Dat valt op.

Hoe kouder hoe beter? Nee, volgens het verslag hebben de gelukkigste landen vaak een hoog niveau van de variabelen die het welzijn ondersteunen.
> gezonde levensverwachting,
> hebben van iemand om op te rekenen,
> voldoende inkomen en
> vrijheid.
In de enquête van dit jaar werd bij het bepalen van iemands gelukstoestand ook gekeken naar omgevingsfactoren, waarbij gegevens over klimaat, temperatuur en vervuiling gebruikt werden. Ook de gevolgen van ongelijkheid werden meegewogen, en hoe de sociale omgeving de gevolgen van ongelijkheid kan helpen verzachten. Dit suggereert het geheim van het Scandinavische geluk: de verzorgingsstaat, die relatief genereuze voordelen mogelijk maakt, en een regulering van de arbeidsmarkt om uitbuiting te voorkomen.
De kwaliteit van de overheid en overheidsinstellingen zijn belangrijk voor de nationale tevredenheid. Bovendien blijkt een relatief hoog inkomensniveau ook nog eens samen op te gaan met goed functionerende democratieën en – uiteraard – een groter gevoel van autonomie en vrijheid in de best scorende landen, terwijl de sociale cohesie ook een sterke indicator van geluk in een land blijkt te zijn. Daarom bezetten Scandinavische landen waarschijnlijk steeds de topplaatsen op dit gebied.

De tien landen met de minst gelukkige inwoners zijn volgens het SDSN-UN in 2020:
India
Malawi
Yemen
Botswana
Tanzania
De Centraal Afrikaanse Republiek
Rwanda
Zimbabwe
Zuid-Soedan
Afghanistan

Fijn toch, dat we nog negen volle maanden kunnen genieten van deze zesde plaats; wat er ook gebeurt.

Bron: “World Happiness: Finland takes top ranking for third year in a row 8¨ door Luke Hurst via Euronews op 20 maart 2020

En voor wie dit stukje wat te zoetsappig vindt, breng ik hier graag een link onder uw aandacht, die een ander politiek inzicht biedt. Dit inzicht is wel gebaseerd op de politieke reacties op het Covid-19-virus dat onder ons is.

Ruimte nemen om mezelf te verbeteren

De trombone is onder de blaasinstrumenten wat de cello onder de snaarinstrumenten is. Ik speel nu bijna 2 jaar cello; zo’n groot viool-achtig muziekinstrument dat (meestal) met een pootje op de grond staat. De klankkleur van dit muziekinstrument vind ik prachtig; kan prachtig zijn. Dat hoorde ik twee jaar geleden bij een concert met de titel “De menselijke stem van de cello” uitgevoerd door leerlingen van het Utrechts conservatorium. Daarvoor had ik nog nooit een strijkstok vastgehouden. Wel heb ik in een grijs verleden verdienstelijk schuiftrombone gespeeld.

Het noten lezen moest na 40 jaar weer opgefrist worden. Onlangs heb ik een overzichtje gemaakt van de 15 toonladders met de bijbehorende grepen voor zover ik daar zicht op heb. Ik leer nu de zogenaamde ‘grote grepen’ op de eerste positie (een verschuiving van duim of vingers met een halve noot) en het spelen op de ‘tweede en “duimpositie”‘ (van de vijf). Het maken van dergelijke overzichten is voor mij gemakkelijker dan elke keer weer spelend de snaren op de juiste plek op de juiste manier in te drukken of aan te raken, wanneer vingers de snaren niet moeten aanraken ze erboven te houden en voor te bereiden wanneer ze weer in actie moeten komen en met mijn duim, die geen snaren indrukt maar als ‘oriëntatiepunt’ gebruikt wordt, met de gewenste druk tegen de hals aan te houden, of juist los daarvan te houden, met de andere hand de strijkstok losjes en toch sturend vast te houden en met mijn strijkstok op de bij de te produceren tonen behorende manier op de juiste plek onder de gewenste hoeken te strijken met de juiste druk en met het te wensen deel van de haren van de strijkstok en met verder ontspannen armen, tenzij er getokkeld moet worden. Om dat allemaal te leren en vingervlugheid te oefenen heb ik ook les; morgen de 40ste.

Bepaalde dingen leren vind ik leuk, wanneer ze mij interesseren. Het leren dit muziekinstrument te bespelen vind ik bijzonder leuk. Mijn docent inspireert me. Ze weet me al twee jaar te stimuleren door te gaan met schier onmogelijke dingen aan- en afleren en ze weet mijn leerstof te doceren. Ik ga door het cellospelen ook anders naar muziek luisteren en heel de dag spelen er deuntjes door mijn hoofd. Meestal melodieën die te maken hebben met wat ik op mijn cello onder de knie probeer te krijgen. Muziek is nu al twee jaar terug in mijn leven. Veel meer dan toen ik geen instrument leerde te bespelen en vaak naar fado’s luisterde; intenser.

Het moet leuk blijven.

Sinds een jaar speel ik op mijn verzoek ook samen met andere cellisten; leerlingen van mijn cellodocent. Het samen muziek maken vind ik leuk als aanvulling op mijn oefeningen. Zeker bij muziekstukken, waarin de ene stem ritmisch anders is dan de andere, klinkt de muziek een stuk voller dan wanneer ik alleen speel. Het is voor mij door de gerichtheid op wat de ander speelt en daarop aan te sluiten ook leerzaam. Het is meer muziek maken dan oefenen. Vandaag waren mijn medecellist en ik bijzonder tevreden over hoe mooi het soms klinkt. Zelfs voor het eerst een beetje trots.

Sinds ruim een half jaar speel ik ook nog mee in een amateur-orkest. Dat is voor mij flink aanpoten; vooralsnog eigenlijk te hoog gegrepen. Maar ik mocht na een auditie blijven, ik leer er veel van en mijn leercurve stijgt nu sneller dan toen ik er nog niet in meespeelde. Ik zorg ervoor niet te detoneren wanneer ik onzeker ben over een aantal maten van een muziekstuk en ik heb er heel veel plezier in zoveel als mogelijk op de door de dirigent gewenste manier mee te spelen; deel uit te maken van zo’n groter geheel dat allerlei stemmingen weet op te roepen. Daar komt bij dat de sfeer er heel prettig is.

Afgelopen week heb ik tijdens onze oefenavond tegen de dirigent gezegd dat het aan haar is om te beslissen, maar dat ik wat mij betreft de komende uitvoering voor publiek liever nog niet meespeel. Ik deed dat nadat ik dat al veel eerder aan het bestuur gemeld had. Muziek maken moet, omdat ik het puur voor de lol doe, geen prestatiedruk opleveren. Het moet leuk blijven. Voor mij ontstaat er zo ruimte om met alle plezier in mijn tempo te blijven oefenen en mezelf op de cello beetje bij beetje te verbeteren en fijn samen te spelen; ik op mijn niveau.

Voor de komende voorspeelmiddag van mijn cellodocent, waarvoor ik deze week een uitnodiging ontving, heb ik me direct weer opgegeven.

Heeft u ook zo’n wens om te weten?

Degenen die mij een beetje kennen weten wel dat ik ons nieuws ervaar als gemankeerd entertainment. Maar van het wereldnieuws dat ik wèl graag verneem wordt ik vaak ook niet blij.

In zoveel landen blijken zogenaamde minderheden (vrouwen worden ook vaak als een minderheid gezien) rechteloos te worden geknecht of zelfs te worden gemarteld, van huis en land verdreven, verkracht en vermoord.
Tussen zoveel landen worden conflicten met geweld uitgevochten, waarbij moorden en verkrachtingen gewoon zijn.
Dit gaat ook over landen waar wij – met degenen die het er voor het zeggen hebben – handel drijven. Sterker, we hebben een financieel belang bij de knechting van mensen; zouden zij humane arbeidsvoorwaarden krijgen en een eerlijk loon dan zouden de prijzen hier flink stijgen.
Zo gaat het altijd over macht; macht van de ene sociaal-culturele groep mensen over een andere. Macht om de macht te verstevigen of macht ter zelfverrijking of beide.
Net als bij het biologische principe “survival of the fittist” zijn mijns inziens volgens een mondiaal en regionaal geldend sociologisch principe de kwetsbaarste groepen mensen telkens weer het haasje. Overigens, wat betreft zelfverrijking stopt het niet bij het steeds maar weer versterken van de macht over groepen mensen; ook dieren, planten, land en zee moeten er aan geloven wanneer dat voor sommige mensen pecunia of een redeloos prettig gevoel oplevert; naar Hannah Arendt: de banaliteit van het kwaad ongeacht de gevolgen.

Heeft u dat ook?

Het is op mijn zesenzestigste mooi om hier geleefd te hebben. Ik heb gezien hoe onze overzichtelijk gefragmenteerde samenleving, die vol van zat van hypocrisie en taboes, na de vijftiger jaren aan inclusiviteit ging doen; hoe allerlei groepen mensen in Noord-Europa geëmancipeerd raakten; hoe ieder mens hier recht op rechten kreeg. Hoe we daar met elkaar aan wenden, totdat we ons een andere realiteit niet meer konden indenken; de geleerde lessen uit de Tweede Wereldoorlog vergaten. En ik heb gezien hoe daarna het ene na het andere recht aan de meest kwetsbare mensen ontnomen werden; meestal met smoezen.
Nu staan we zelfs op het punt multinationale ondernemingen, die de laatste decennia van onze politici hun macht ongebreideld mochten uitbreiden, met CETA altijd hun verwachte winsten uit te keren; is het niet door omzet, dan wel door een claim op belastinggeld in te dienen. Dit onder de dekmantel van ‘vrije handel’. Een levensstijl die ons welzijn niet of nauwelijks bevordert en waaronder het welzijn van mondiaal de meest kwetsbare mensen teniet doet. En wanneer de claim door een boven de nationale en Europese wetgeving geplaatst Hof toegekend wordt, zullen de kwetsbaarste mensen hier, die zich dagelijks niets vermoedend een mening vormen over alles wat hun televisie hen aanbiedt, zoals altijd de rekening daarvan gepresenteerd krijgen.

En dan nog hebben we het hier goed, vergeleken met de volstrekte rechteloosheid in oorlogsgebieden en daar waar vandaag al dan niet op basis van democratisch gekozen regeringen bevolkingsgroepen planmatig en systematisch uitgeroeid worden. Hier wordt ieder mens door onze overheden meestal nog wel met enig respect behandeld.

We zijn tot het ergst en het mooist denkbare in staat

We hebben het hier relatief goed zonder (goed) geïnformeerd te worden over allerlei werkelijke tendensen over wat mensen elkaar akelig dichtbij en verder weg aan geïnstitutionaliseerd onrecht aandoen. En ik ben nu op een punt aanbeland dat ik misschien begin te begrijpen waarom we tevreden zijn met de weinige informatie die we voorgeschoteld krijgen. Veel mensen zijn immers – net als ik – wars van onrecht; al helemaal van onrecht dat ‘in naam der wet’ gepleegd wordt. Het weten over dit doodgezwegen hedendaags onrecht, over die miljoenen achterblijvers die nergens verhaal kunnen halen, over de miljoenen door overheidsgeweld verminkte geesten die in angst verder moeten leven of zich van het eigen leven moeten beroven, over de miljoenen hongerenden en over de miljoenen vluchtelingen in combinatie met er niets tegen te kunnen beginnen verlamd mij ook wel eens.
Toch weet ik liever dan dat ik onwetend blijf; ook al is dergelijke wetenschap haast niet te hanteren.

Heeft u ook zo’n wens om te weten op het gevaar af er een machteloos gevoel aan over te houden? De wens liever een nutteloze toeschouwer te zijn dan onwetend te blijven over wat er in de wereld gebeurt?

Of bent u bang daar depressief van te worden. Dat zou ik goed begrijpen. Eigenlijk snap ik van mezelf niet goed dat ik ondanks veel van al die nare tendensen te weten ook van zoveel moois om mij heen en tussen mensen kan blijven genieten. We zijn kennelijk tot het ergst denkbare en tot het mooist denkbare in staat.
Is dàt niet van belang om dagelijks te beseffen?

Is er sinds de slag om Troje iets nieuws onder de zon?

Onze samenleving heeft zijn wortels in de oude Griekse beschaving. Dat zijn we wel met elkaar eens. Met die oud-Griekse beschaving zijn we minder bekend, terwijl we er haast alles over zouden kunnen weten.

Neem Odysseus, een belangrijk personage in de Ilias van Homerus; in Homerus’ Odyssee zelfs de hoofdpersoon. Ook andere klassieke dichters, zoals Sophokles, schreven over hem. Odysseus is de koning van het eiland Ithaka, een listige Griekse legeraanvoerder, zelfs de bedenker van de list met het houten paard waardoor na tien jaar de oorlog tegen Troje wordt gewonnen. Daarna zwerft hij voor hij thuiskeert nog eens tien jaar rond over de Middellandse Zee.

Filosofen grepen graag terug op Odysseus, die zij als toonbeeld van doorzettingsvermogen en vernuft zagen. De veelheid aan moorden op baby’s en jonge kinderen in de Odyssee werden vaak verzwegen, net als de vele verkrachtingen die hij pleegde. Dat lieten Lola Bogaert, Sara Haeck en Yinka Kuitenbrouwer hun publiek in het Utrechtse theater Kikker afgelopen dins- en woensdag weten. Zij deden dat in de voorstelling “Drie Griekse verhalen door drie vrouwen in (min of meer) drie kwartier”. Zo zou Odysseus’ vrouw Penelope, voor velen het toonbeeld van geduld en huwelijkstrouw, eerst door hem verkracht zijn, waarna hij haar eerste baby gedood heeft. Van Odysseus wordt zij weer zwanger en schenkt Telemachos het leven. Omdat Odysseus twintig jaar van huis is, voedt zij haar zoon alleen op, terwijl zij list na list bedenkt om andere mannen van het lijf te houden. Odysseus vult zijn huwelijkstrouw aan Penelope anders in: tijdens zijn reizen verkracht hij kinderen en vrouwen en leeft samen met godinnen en vrouwen, waarbij hij met Circe, een tovenares en dochter van de zon, nog drie kinderen krijgt.

Is er iets nieuws onder de zon?” vraag ik mij af, “Kijken we nu anders aan tegen die dubbele moraal voor mannen en vrouwen dan toentertijd? Zijn de verhoudingen tussen mannen en vrouwen inmiddels gelijkwaardig? Laat staan de verhoudingen tussen heteroseksuele mannen en biseksuelen, homo’s, lesbiennes en transgenders?

De boeiende, vernieuwende voorstelling van Lola, Sara en Yinka gaat erover wat er zou gebeuren als de vrouwen uit de oude Griekse verhalen niet langer tevreden zijn met hun bijrol als oorlogsbuit of onderdanige weefster? Wat als ze niet langer machteloos toekijken hoe hun kinderen worden geofferd voor een gunstige wind of van een muurtje worden gegooid? Wat als ze uit hun slachtofferrol kruipen en opkomen voor hun eigen behoeften, verlangens en wensen? Sterker nog: wat als de vrouwen het verloop van het stuk bepalen?

Zelf zou ik het wel weten en u vast ook. Hoe komt het toch dat we er zelden bij stilstaan of de loop van een verhaal voor de anderen dan de hoofdpersonen wel te verkroppen is? Volgens mij is het hoog tijd dat we, en dan met name de niet-mannen met steun van geëmancipeerde wel-mannen, allemaal onze vrijheid vorm gaan geven in onze persoonlijke levens. Hoe zou de samenleving er uit gaan zien wanneer we en masse zouden opkomen voor onze dromen, drijfveren en wensen? Hoe leefbaar zou de wereld voor iedereen worden? Of hoe gewelddadig?

Nou, ja, voordat we over beschaving praten moet eerst die dubbele moraal maar eens om zeep geholpen worden, lijkt me.

Een preciese (met een ‘s’) milieuactivist

Ik ben op pagina 279, bijna aan het eind van Paul Kingsnorth’s “Bekentenissen van een afvallig milieuactivist; een radicaal andere kijk op natuurbescherming”. Ik ben benieuwd naar de laatste twee essays. Een van mijn gedachten, die zich al lezend bij mij ontvouwt, is dat we maar een jaartal in de toekomst moeten kiezen: 2025, 2050, 2075, 2100; de toename van het mensdom in dat jaartal bepalen en onszelf vervolgens opleggen dat we (: de Westerse mens) vanaf dat jaartal alleen nog mogen consumeren op een manier dat onze ecologische voetafdruk gelijk kan zijn met alle andere dan levende mensen. Alleen op die manier, vermoed ik, kunnen we wat we doen ‘beschaving’ blijven noemen; ergens is een grens aan de groei, omdat de aarde niet met ons meegroeit. En als voorhoede van het vergaren en beschermen van geneugten stoppen we daar dus op zeker moment mee en geven de rest van het mensenrijk de gelegenheid om op dezelfde schaal als wij te gaan leven. Dan vervalt het ongelijkheidsmotief om onderling strijd te leveren. Het zal er wel op neerkomen dat we dan direct al moeten consuminderen, maar dat lijkt ons allemaal de toekomst van onze (kinds) kinderen wel waard, toch?

Ik vermoed dat Kingsnorth aan het slot van zijn boeiende bundel een andere kant opgaat.

Overigens herken ik tot nu toe deze van zijn visies op het leven:
· de flexibiliteit, macht en zelfs wijsheid van ongerepte natuur,
· de uiteindelijk onbeduidende rol van mensen op dit alles (niet omdat het onbeduidend is wat we aan chaos en disbalans teweegbrengen, maar gezien de grootsheid van het ondermaanse waar we onze levens slijten; laat staan onze onbeduidende rol binnen het universum),
· de doodlopende kapitalistische weg, die we met ons allen ingeslagen zijn, terwijl we elkaar op de keper beschouwd domweg op de mouw spelden dat we er wel bij varen, want ons welzijn zit in veel minder dan de vergaarde materiële zaken en
· de waanzin van de milieubeweging(en) zich te richten op duurzame energie-opwekking ten koste van ongerepte natuur, waardoor intrinsieke waarden van wat niet-menselijk is over het hoofd gezien worden.
Dit alles is misschien in één zin samen te vatten: ik herken me in zijn opvatting dat we nooit onze wortels moeten verlaten, hoe verleidelijk het luilekkerland, dat we ervoor terug zouden krijgen, ook lijkt.

De man kan schrijven (en zijn vertalers konden het mooi naar makkelijk leesbaar Nederlands omzetten). Naar mijn idee heeft hij als roepende in de woestijn ook wel iets interessants te melden; ik zou iedereen willen aanraden dit boek ook te lezen. Zelf kreeg ik het van een vriendin. Ze wil het van me lenen als ik het uit heb, omdat zij eveneens in de inhoud geïnteresseerd is. Dat lijkt me een goed plan, dus ik lees nu nog even door hoe Kingsnorth zelf zijn essaybundel eindigt.

Maar eerst nog even dit: er zijn altijd Preciesen en Rekkelijken. Kingsnorth beschouw ik als een van de Preciesen binnen de milieu- en natuurbescherming. Vandaar zijn ogenschijnlijke afvalligheid en de ogenschijnlijke spelfout in de titel boven dit stukje.

2019 (minus de rest van vandaag t/m 31 december)

Econoom Joseph Stiglitz, 76 jaar, schopt nog altijd heilige huisjes omver. In zijn nieuwste boek “Winst voor iedereen” fileert hij ons neoliberale economische model tot op het bot. Voor veel mensen, die nu leven, is een economisch model als dat van John Maynard Keynes ondenkbaar, maar juist dat model bracht na de Tweede Wereldoorlog tussen de jaren ’50 tot ’80 heel veel welzijn en zekerheid onder de mensen. En daarmee rust in onze samenleving, terwijl ook toen Nederland nog lang niet ‘af’ was.
Na de jaren ’80 zijn we, velen onwetend, het neoliberalisme gaan aanhangen. Het idee dat wanneer de rijkste bedrijven en mensen tevredengesteld worden hun tevredenheid doorwerkt naar de onderste lagen van de bevolking (Trickle-down). Ons huidig economisch model maakte mogelijk dat bijna 40 jaar later de 31 rijkste Nederlanders dit jaar hoogstwaarschijnlijk 10% rijker afsluiten: samen bezitten zij volgens Quote € 179.800.000.000 en het afgelopen jaar kwamen er in Nederland 6 miljardairs bij. Tegelijk is een record gebroken wat betreft de protesten in Nederland wegens onderbetaling, personeelstekorten en gebrek aan waardering (lees: beloning & secondaire arbeidsvoorwaarden). Op wereldschaal is het leed dat mensen elkaar aandoen, èn de wereld als leefomgeving, getuige bijvoorbeeld de toename van aantallen vluchtelingen, mensen die huis en haard verlaten, en de vlotte kap van tropich regenwoud om de ondergrond te exploiteren niet te beschrijven.

Maar voor mij was het zondermeer een uitstekend jaar. Straks ga ik mijn jaarlijkse oliebollen bakfestijn in de keuken houden, waarna ik hem weer helemaal schoon zal gaan maken. Dit is een mooi moment voor mij even persoonlijk terug te blikken. Ik beschikte ook in 2019 gelukkig over een fijne, betrouwbare vriendenkring, die mij desgevraagd met raad en daad bijstond. En ik hen waar ik kon. Mijn volleybalteam ervoer ik als een wekelijks feestje. Met de wisselende mensen in mijn huis kon ik het ook steeds weer goed vinden. Even dacht ik afgelopen jaar de Ware gevonden te hebben, maar helaas bleek mij dat slechts in potentie juist; deze Ware was haar eerder opgelopen psychische beschadigingen nog niet te boven gekomen. Toch had ik dat gevoel haar gevonden te hebben niet willen missen. Ik heb veel plezier aan en in mijn werk gehad en ik ben trots op wat ik er bereikt heb. In een van mijn twee banen hebben we zelfs een ware bestuurscrisis overwonnen. Met die ene baan ben ik nog niet klaar, dus daar ga ik nog 9 maanden mee door. Dan hoop ik mijzelf overbodig gemaakt te hebben. Ik genoot van een topvakantie in de Dolomieten en ik heb herinneringen aan een bijzonder stel fijne dagwandelingen, museumbezoeken en andere vakanties dichterbij. Soms ging ik alleen op stap en andere keren met anderen. Mijn best gezonde leefstijl helpt me mijn lichamelijke en mentale conditie op orde te houden. Wel schrok ik in december even van een uurtje lichtflitsen in mijn linkeroog waarna ik er een pikzwart vlekje in waarnam; dat is in mijn waarneming een soort grijze druppel geworden. Die ‘druppel’ is nog niet weg. Hoogstwaarschijnlijk is het een onschuldig ouderdomskwaaltje dat met mouches volantes aangeduid wordt, wist een vriendin me te vertellen. Financieel en door acte de présence te geven maak ik me sterk tegen sommige vormen van wat in mijn ogen onrecht is. Tenslotte mag hier niet ontbreken dat ik dagelijks veel plezier beleef aan mijn pogingen mijn cello te leren bespelen. Ik mocht het afgelopen jaar na een auditie zelfs al toetreden tot een amateur-orkest. Ook die repetitie-avonden waren voor mij een steeds terugkerend feestje.

Dan gelden er voor mij ook nog prettige vooruitzichten: financieel en materieel hoef ik mij geen zorgen te maken, vooralsnog ben ik kerngezond, mijn huidige prettige huisgenoten zullen nog wel even blijven, mijn werk, geplande en vast nog veel ongeplande ontmoetingen met vrienden en muziekvrienden, mijn cellospel waarin volgens mijn buren en docent nog steeds progressie zit, geplande en vast ook nog ongeplande museumbezoeken, dag- en stadswandelingen en vakanties. Op zijn voorstel mag ik zelfs met een zoon van mij op wintersportvakantie. En een tweede date staat voor januari in mijn agenda; wellicht met wel-de-Ware. Ook het contact met mijn belangrijkste vriend in mijn middelbare schooltijd zal in januari aangehaald worden.

Echter, last and not least laat ik mij ongemerkt steeds minder bepalen door omstandigheden en ervaar een innerlijke verzoening met het zijn wie ik ben en met de omstandigheden waarmee ik van doen heb. Hier hoef ik niet veel voor te doen; het lijkt er op dat me deze rust-in-mijn-hoofd in de schoot geworpen wordt. Mijn lijfspreuk “Wil jezelf zijn en wil niets liever dan dat” wordt steeds meer mijn leefstijl.

Bronnen: “Joseph Stiglitz: ‘We hebben luid protest nodig tegen de stille invloed van het grote geld’” door Thomas Bollen via FollowThe Monney op 28 december 2019, “Rijkste Nederlanders steeds rijker” via LinkedIn op 5 november 2019.

Een prettige verslaving

Sinds anderhalf jaar speel ik cello; zo’n grote viool, die met een pootje op de grond staat. Daarvoor had ik nog nooit een strijkstok vastgehouden. Ik durf te zeggen dat daarmee mijn leefstijl veranderd is. Ik ben wars van verslavingen, maar accepteer bij wijze van uitzondering deze van mezelf.

Toen ik op 23 maart 2018 aan een goede vriend vertelde dat ik zojuist besloten had om cello te gaan spelen, introduceerde ik dat besluit al als ‘een ingrijpend besluit voor de rest van mijn leven’. En zo is het. Vlak daarvoor was ik in TivoliVredenburg naar een lunchpauzeconcert geweest verzorgd door de celloklas van het Utrechts conservatorium. Tijdens het tweede nummer had ik mijn besluit genomen en op woensdag 28 maart genoot ik van mijn eerste celloles op mijn – de avond daarvoor aangeschafte – cello.

Cello speel je of je bespeelt haar niet. Het is een van de muziekinstrumenten die men volgens mij niet af en toe eens bespeelt. Dagelijks speel ik daarom mijn oefeningen en ik incasseer daarbij voortdurend mijn onvermogen de tonen uit het instrument te halen, die geroutineerde cellisten wel weten te produceren. Ik doe het om het plezier dat ik erin heb en ben toch ook wel tevreden over mijn vorderingen. Ik weet nog een lange weg te gaan te hebben.

Net als wanneer ik in de bergen wandel, let ik minder op wat me nog te doen staat, dan op wat ik al gedaan heb. Als trombonist besefte ik al geen muzikaal wonderkind te zijn. Ik ben wel zo’n muzikant, die op enig moment treffend zijn steentje aan het geheel kan bijdragen. En dààr gaat het mij om; dat niveau wil ik als cellist ook gaan bereiken.

Sinds enkele maanden vraag ik daarom aan mijn cellodocente om leerlingen van haar, die met mij af en toe samen eenvoudige duetten willen spelen. Van de vier is er daarvan nu nog één over. De andere drie zijn (tijdelijk) met hun cello-oefeningen gestopt. Een vanwege een slijmbeursontsteking in de linkerschouder, waar haar cello enig debet aan had, de anderen vanwege verhuizen of de hoeveelheid tijd die haar gewone werk nu even opeist.

Blij verrast was ik dus te lezen dat bij mij in de buurt een amateur-orkest nog leden kan gebruiken. Tegen het advies van mijn uiterst deskundige cellodocente in, heb ik mij bij dit orkest aangemeld met de vraag een paar keer te mogen meespelen om daarna wederzijds te bepalen of ik daar (nu al) op mijn plaats ben. Gezien de wijze waarop de eerste oefenavond rekening gehouden werd met mijn technische onvermogens, werd mijn cellodocente alsnog enthousiast over mijn initiatief. Sterker nog, zij past mijn lesstof er op aan dat ik zo snel mogelijk mijn partijen mee kan strijken en tokkelen.

Mijn cello is voor mij een leefstijl. Het dagelijks oefenen, het samen duetten spelen en nu zelfs op proef deelnemen aan een echt orkest geeft me weer dat heerlijke gevoel dat ik ooit als trombonist bij het Zwolse Jubal en het Utrechts Jazzorkest had. Mijn muzikale steentje bijdragen. Weliswaar doe ik dat nog niet zo treffend als door mij gewenst, maar alles op zijn tijd. De klanken klinken me – als het een beetje gaat – letterlijk als muziek in de oren.

En wat ook fijn is, nu ik weer een muziekinstrument bespeel: ik geniet meer van muziek omdat ik er gerichter naar kan luisteren. Muziek is weer terug in mijn leven. Dat begon zo’n anderhalf jaar geleden al met:
eerste
“Dit is het lied van de vinger
En nu met al heel wat ingewikkelder stukken, die ik onder de knie probeer te krijgen. Die partituren deunen heel de dag door mijn hoofd.