Selectieve verontwaardiging

Tevoren waren pamfletten door vliegtuigen gedropt. Wa’ad Ahmad al-Tai was een van de velen die ze had gelezen. Hij had ook geluisterd naar de radioberichten van het Irakese leger: in zijn wijk, in het oosten van Mosoel (Oost-Mosul), moesten de mensen voor hun veiligheid in hun huizen blijven. Samen met het gezin van een van zijn broers ging hij met zijn gezin schuilen bij een andere broer. Ze gingen er vanuit dat ze in de kelders van zijn huis van 2 verdiepingen het veiligst zouden zijn. “We zaten met 3 gezinnen – 18 mensen – samen in 1 kleine kamer. Toen het huis naast ons werd gebombardeerd stortte ook ons huis volledig in net boven de kamer waar wij zaten. Mijn zoon Yusef van 9, mijn dochter Shahad van 3 overleefden de aanval niet, evenals mijn broer Mahmoud, zijn vrouw Manaya en hun 9-jarige zoon Aws. Ook mijn nicht Hanan kwam om het leven, haar 5 maanden oude baby, die op haar schoot lag, overleefde godzijdank.

Vooringenomenheid ondermijnt het morele gezag dat van elke beschuldiging kan uitgaan.

Zo zijn honderden burgers volgens Amnesty International (AI) omgekomen, aldus Amnesty’s senior crisis onderzoekster Donatella Rovera: op bevel van het Irakese leger ter plaatse waren ze in hun huizen gebleven in plaats van naar meer veilige delen van de stad te vluchten. Volgens Rovera/AI is dit ‘een flagrante schending van het internationaal humanitair recht’. “In sommige gevallen kunnen het oorlogsmisdaden zijn.

Dat we hierover niets in kranten of via de tv vernemen schijnt te maken te hebben met de coalitie die actie onderneemt om IS te verdrijven. Onze media waren er als de kippen bij toen het Syrische leger en de Russische luchtmacht in Aleppo exact dezelfde oorlogsmisdaden begingen. Dagelijks werden we toen wel op de hoogte gehouden van het beulswerk. Nu gaat het om door de Verenigde Staten van Amerika gecoördineerde oorlogsmisdaden met onder meer Belgische en Nederlandse vliegtuigen en dan blijft het stil.

Rusland reageerde indertijd op de terechte aantijgingen overigens met dezelfde argumenten die nu in Mosoel door de Westerse coalitie worden aangewend:
het gaat om foutieve communicatie,
het gaat om terroristen die burgers als levend schild gebruiken,
het gaat om vergissingen,

Zo’n ‘vergissing’ is dan ‘met mortieren schieten op bewoonde stadsdelen’. Amnesty International is er echter – volgens mij ‘gelukkig’ – duidelijk over: elke coalitie is volledig verantwoordelijk voor de gevolgen van de eigen beslissingen.

Vooringenomenheid is overigens niet onschuldig. Het ondermijnt het morele gezag dat van elke beschuldiging kan uitgaan en staat de ene of de andere partij zelfs toe door te gaan met zijn misdaden.

Bronnen: “VS-coalitie met België vermoorden burgers in Mosoel” door Lode Vanoost op de website van ‘De wereld morgen’ en “Irak: burgers in hun huizen gedood door luchtaanvallen terwijl hen opgedragen werd om niet te vluchten”, persbericht van Amnesty International; beide op 28 maart 2017 en “Anti-IS-coalitie groeit” door ANP op 25 september 2014.

De formatie kan beginnen, net als een diepgravende herbezinning op normen en waarden

Zo. Het zit er weer op. Voor voorlopig dan. VVD, D66, CDA en CU kunnen zachies aan beginnen met formeren. Daar zullen ze wel uitkomen, want op de keper beschouwd zijn er nauwelijks verschillen. Stuk voor stuk omarmen ze de mondiale en Nederlandse status quo.

Wat ik aan deze uitslag zorgelijk vind, is dat daarmee het staatsgevaarlijke CETA zonder hindernissen geratificeerd gaat worden. Ook zal deze coalitie het zo mogelijk nog gevaarlijker TiSA accepteren. Wat deze bedreigingen voor respectievelijk onze democratie en vrijheid betreft zijn we nu voorlopig volledig aangewezen op ontwikkelingen in andere landen van de Europese Unie.

Als winst van deze uitslag zie ik de mogelijkheid voor PvdA en GL om zich vanuit de oppositiestoelen te bezinnen op wat van ons kapitalisme fnuikend is voor principes als gelijkheid, het mondiale milieu, natuurbehoud, sociale rechtvaardigheid, solidariteit en vrede. Voor zover dit nog relevante thema’s zijn voor deze partijen.

Verder viel mij op dat in Limburg veel en langs de Duitse grens enkele gemeenten in meerderheid voor PVV kozen, dat GL de meeste stemmen kreeg in de Noordelijke helften van het Friese en Groningse vasteland, terwijl Oost Groningse gemeenten de meeste stemmen aan SP toevertrouwden. Dat de Nederlandse kaart verder nagenoeg helemaal VVD-blauw kleurt had volgens mij in de vorige eeuw niemand als vooruitzicht over nu kunnen bedenken. Dit keer krijg ik er geen buikpijn meer van al bevreemdt het mij dat men zelfs op de door mij geliefde Waddeneilanden in meerderheid voor VVD stemde.

Bron: “VVD 33 zetels, PVV voorlopig tweede partij” door de redactie Politiek van de NOS op 16 maart 2017”

Treurnis

In de laatste campagnedagen kan de beslissende winst gehaald of verloren worden. Het spant er om vertellen de media ons: VVD en PVV zouden in een nek-aan-nekrace verwikkeld zijn. D66 hoopt als ‘derde hond’- naast ‘de twee erom vechtende’ er met ‘het been’ vandoor te gaan. Groenlinks draagt uit de grootste te kunnen worden. “En wat dan nog?”, vraag ik mij af. “Dan zitten ze 4 tot 2 jaar ìn de regering en hoe wordt de wereld daar beter van? Voor wie wordt het dan beter?

Verdwijnt dan de noodzaak van Nederlandse voedselbanken als één van die partijen regeringsmacht heeft?
Hoe zit het straks dankzij hun regeringsmacht met de mensen die op allerlei vlakken al jaren het nakijken hebben?
Welke partijen zullen er daadwerkelijk zorg voor dragen dat bedrijven aan de Nederlandse fiscus gaan afdragen wat volgens wet- en regelgeving zou moeten? Dit in plaats van – zoals nu – op basis van ondoorzichtige afspraken en met gulle giften aan door ons verzameld belastinggeld inclusief commerciële voordelen zoals het privaat patenteren van wat met publiek geld als wetenschappelijke subsidies is onderzocht? Gaan de voor ons duistere afspraken tussen grootbedrijven en de Nedelandse belastingdienst transparant worden? Die afspraken, waarvan het nakomen door de Nederlandse belastingdienst al jaren nog eens niet gecontroleerd wordt ook? Nou ja, eens in de 30 (!) jaar. Dat weten we weer wèl. Gaat dat door deze partijen in een kabinet normaal worden?

Welke partij staat een economie voor, die de onrechtvaardige verdeling en steeds onrechtvaardiger verdeling van bestaansmiddelen niet terugdringt maar echt fundamenteel aanpakt zodat we volgens hun programma na hun regeerperiode op een verdeling kunnen hopen die we dan ‘rechtvaardig’ kunnen gaan noemen?
Welke partij belooft dat de rijken niet rijker worden terwijl de armen in dit relatief rijke land niet nog armer en rechtelozer worden?

En hoe zat het ook weer met ons aandeel in klimaatverandering, milieuverontreiniging en natuurbehoud op aarde door wat wij hier consumeren en uitvreten?
En hoe met de productie en productieomstandigheden van wat hier verkocht wordt?

Terwijl deze dagen politieke partijen in ‘wij’ en ‘zij’- termen zich op de borst kloppen het meest te doen aan dit en tegen dat, waarschuwde de Verenigde Naties vanmorgen vroeg bij monde van de coördinator noodhulp, Stephen O’Brien dat in 4 landen alleen al 20.000.000 mensen dreigen te verhongeren. Het dreigt de grootste humanitaire crisis te worden sinds de oprichting van de VN in 1945. De Europese Unie komt daarbij niet verder dan de mensen in die landen gevangen te houden en degenen die op de vlucht geslagen zijn onderweg op te sporen en in detentiecentra gevangen te zetten. En degenen die ondanks dat alles toch Europese bodem bereiken omdat ze niet verdronken zijn terug te sturen naar Turkije of Libië. Onze minister-president gaf hen – toen hij dacht namens alle Nederlanders te spreken – de boodschap vooral thuis te blijven.

Voor de preciezen onder u: de Verenigde Naties spreken van voedselgebrek als meer dan 30% van de kinderen tot 5 jaar lijdt aan ondervoeding en het sterftecijfer dagelijks hoger ligt dan 2 per 10.000 mensen.

Bouw een muur om vreemden tegen te houden!
De economie moet groeien want dan – hoewel de laatste 40 jaar nimmer aangetoond (sssst!) – krijgen we het allemaal beter en met ons programma groeit-i het hardst!
Laat kinderen het Wilhelmus zingen!
We hebben een Europees leger nodig!
Geen geld meer naar dit of dat…
…maar meer geld naar zus en zo! Over welke kwaliteit van samenleven beoogd wordt, wordt niet gesproken. Er zijn slechts twee vage argumenten: het is goed of de kiezer zou het willen. Maar wel fluisterend achter de hand: “Zolang het electoraat dat er toe doet maar terrasjes kan blijven pakken. Sssst!”

De kieswijzers moeten de politiek-verdwaalde Nederlanders, die de afgelopen 4 jaar niet verder keken dan het Nederlandse entertainment-nieuws, helpen aan de hand van 30 of 40 – volgens mij willekeurige – nagenoeg niet-essentiële stellingen om hun keus te bepalen. En op basis van de televisiedebatten die alleen over mannetjesmakerij gaan. Nog steeds letterlijk in 2017(!!!), maar ik bedoel het overdrachtelijk.

Ik vermoed dat geen enkel weldenkend èn welvoelend mens ergens ter wereld in spanning volgt wat er hier op 15 maart uit gaat komen. Wat een dom Nedercentrisme voor de korte termijn. Zeker degenen die ver uit ons zicht uitgebuit en geknecht worden door hier actieve multinationals zal het koud laten wat onze verkiezingsuitslag wordt. Zo ook de mensen die in slavernij onze producten helpen maken en degenen die verweest de wereld doorkruisen en zij die op sterven na dood zijn van armoede, honger, oorlog en ziekte waaronder die 20.000.000.

Weekblad De Groene Amsterdammer van 9 maart jl., dat deze week nagenoeg alleen over de achtergronden van de Nederlandse verkiezingscampagnes gaat, noemt het ‘Stemmen met de rug naar de toekomst’ en legt in ruim 100 pagina’s uit wat daarmee bedoeld wordt.

Wat wij hier politiek aan het doen zijn – een enkeling daargelaten – acht ik de beschaving voorbij. Er is een woord voor. Dat is ‘treurnis’.

Bron: “VN waarschuwt voor ‘grootste humanitaire crisis sinds 1945′” door ANP via de website van NU.nl en “VN: grootste humanitaire crisis sinds 1945 dreigt” via de website van NOS.nl; beide op 11 maart 2017.

Onze politiek; een gelopen race

Een buurman van mij spreekt het aan dat het CDA wil dat het Wilhelmus op scholen gezongen gaat worden. Ik verdiep me niet in politiek, vertelt-i er bij, hij heeft het druk zat. Een collega gaat gewoontegetrouw D’66 stemmen. Hij weet niet veel van politiek, zegt-i er bij, maar hij stemt altijd op die partij. Dat PVV en VVD erom strijden welke partij op 15 maart de grootste gaat worden; is volgens mij vergelijkbaar met de strijd tussen Clinton en Trump; een strijd zonder mogelijk goede afloop. En zo heeft 74% van de Nederlanders een goede reden het bij de vertrouwde politiek te houden, die ons steeds meer op schulden jaagt, die de verzorgingsstaat afgebroken heeft en die tot steeds meer onderlinge spanningen en voedselbanken lijdt.

Ik vind de verkiezingsuitslag op 15 maart aanstaande nu al niet meer spannend.

Dat heeft zeker ook met onze media* te maken, die in ‘verkiezingstijd’ weinig of geen aandacht schenkt aan het stemgedrag op cruciale dossiers van die vertrouwde politici gedurende de afgelopen 4 jaar. Laat staan de afgelopen 40 jaar. Het heeft ook te maken met telkens weer dat onberedeneerbare maar heilige geloof in verkiezingsprogramma’s. En met het ontbreken van aandacht voor de gelegaliseerde misdrijven tegen onze rechtstaat, zoals belastingontwijking, het opheffen van onze democratie achter de bühne, en het ontbreken van fiscale wetshandhaving voor grootbedrijven.

Nederland is de afgelopen 4 jaar een belastingparadijs gebleven voor multinationale ondernemingen. Op de lijst van belastingparadijzen die Oxfam Novib in december 2016 publiceerde staat Nederland – na Bermuda en de Kaaiman Eilanden – op de 3de plaats. De cafetaria bij u op de hoek moet het volle pond aan belasting betalen, maar McDonald’s hoeft aan de Nederlandse fiscus slechts een fractie daarvan af te dragen. En dat wordt nog eens niet gecontroleerd ook. Nou ja, naar verluid eens in de 30 jaar. In plaats van dat zij er op let dat belastingregels nageleefd worden streeft de Nederlandse fiscus naar een prettige samenwerking met bedrijven die zich op ons grondgebied vestigen. In plaats van dat zij er op let dat belastingregels nageleefd worden. Nagenoeg heel de Tweede Kamer knijpt telkens weer een oogje dicht als het om ondernemen van grootbedrijven gaat. De lobby van die bedrijven is te invloedrijk en het werken voor zo’n bedrijf is vaak het voorland voor veel spraakmakende politici nadat zij het in politiek ‘Den Haag’ gedwongen of vrijwillig voor gezien houden.

Terwijl veel mensen vinden dat Nederlandse uitgaven aan ontwikkelingssamenwerking best omlaag mogen – onze bijdragen aan de NAVO mogen best omhoog – verliezen ontwikkelingslanden mede dankzij Nederlandse regelgeving ook nog eens naar schatting jaarlijks $ 100.000.000.000 aan belastinginkomsten. Vergeleken met dat bedrag valt het mee dat de Nederlandse fiscus multinationals minimaal € 4.000.000.000 aan voordeeltjes gunt en dat in Nederland werkzame multinationals ook nog eens voor € 1.500.000.000 zelf de Nederlandse fiscus ontwijken. Met deze (bekende) bedragen loopt onze schatkist immers jaarlijks slechts 5,5 % mis van wat ontwikkelingslanden samen mislopen. Dat alles wèl met toestemming van haast al de vertrouwde politici in de Tweede Kamer. De Nederlandse constructies – ten nadele van de wel-belastingbetaler(s) en degenen die afhankelijk zijn van overheidsuitgaven aan welzijn en zorg – zijn zelfs in andere landen van de Europese Unie gepropageerd door onze PvdA-minister Bert Koenders.

Van de Nederlanders zal volgens de ‘Ipsos-politieke barometer’ 58 % stemmen op een partij die met CETA de democratie wil afschaffen ten gunste van multinationals uit Canada en de Europese Unie. Om nog maar niet te spreken van de rampen die ons met TiSA te wachten staan.

Met CETA worden winstverwachtingen van multinationale en andere grootbedrijven veilig gesteld mochten we ooit op het idee komen milieuregels aan te scherpen, het minimumloon flink te verhogen, de volksgezondheid te laten prevaleren boven patenten en E-nummers of wat dies meer zij als dat ten koste kan gaan van de verwachte winsten voor die bedrijven (die nergens ter wereld een gerechtvaardigde belasting betalen).

Natuurlijk zijn er mensen overtuigd van het CDA, CU, D66, GL, PvdA, PVV, SGP of VVD-ideeëngoed, maar ik vermoed dat veruit de meeste kiezers – als ze al gaan stemmen – stemmen op een partij waarvan zij de werkelijke achtergrond niet of nauwelijks kennen. Gezien de verschillende peilingen vind ik de verkiezingsuitslag op 15 maart aanstaande nu al niet meer spannend: We gaan het verkeerde pad, dat we rond de regering Ronald Reagan (1981 – 1989) in de Verenigde Staten van Amerika ingeslagen zijn, ook de komende 4 tot 2 jaar verder bewandelen.
________________________
* Gunstige uitzondering op het analyseren van verkiezingsbeloften en stemgedrag levert De correpondent, bijvoorbeeld te vinden via deze link.

Een actueel opiniestuk van 50 jaren oud

Moet Nederland mee blijven doen aan de vredesmissies in Bosnië (EUFOR en EUPM), Congo (EUSEC), Cyprus (UNFICYP), Egypte/Gaza (EUBAM), Israël/Egypte (UNTSO), Voormalig Joegoslavië (ECMM), Libanon (UNIFIL) en Mali (MINUSMA)?

Deze vraag zou aan de keuzehulpjes voor 15 maart toegevoegd kunnen worden. Ik had hem, net als een hoop andere vragen, in elk geval gemist. Echter, wat is het antwoord waard wanneer de argumenten, waarop het antwoord gebaseerd is, niet erbij geleverd kunnen worden?

Chomsky aanvaardde de zogenaamde nobele doelstellingen achter die oorlog niet.

Degenen, die op een stelling ‘ja’ en ‘nee’ stemmen, kunnen het hartgrondig eens zijn over een hoop argumenten en toch op een andere uitkomst komen. En degenen, die allebei ‘ja’ of juist ‘nee’ stemmen, kunnen het schromelijk oneens zijn over de motivatie voor hun stem.

Is dat erg? Ik vind van wel. Het is iets heel anders wanneer een volksvertegenwoordiger een standpunt inneemt omdat hij/zij het moreel een (on)juist standpunt vindt, dan wanneer hij of zij hetzelfde standpunt inneemt omdat het ‘te duur is’, ‘niet goed werkt’ of omdat ‘er belangrijker zaken zijn om je druk over te maken’. De eerste maakt een morele keuze en kan ik mijn stem niet of juist wel toevertrouwen. De tweede maakt een economische keuze en vertrouw ik sowieso niet, tenzij de stelling nu net over de Nederlandse economie gaat.

Van de potentiële volksvertegenwoordigers weet ik graag met wat voor bevlogenheid zij op jacht zijn naar een van de 150 zetels. Wanneer het gaat om eigenbelang of macht is het maar de vraag of wat ik belangrijk vind door hem of haar gediend gaat worden. Dient hij/zij de belangen van grootbedrijven die elders belasting afdragen. Die op een andere plek in de wereld vervuilen. En die weer ergens anders mensen onder erbarmelijke omstandigheden laten werken, of op andere manieren samenlevingen ontwrichten. In dat geval – ook al betreft het Nederland niet – moet hij of zij mij maar niet vertegenwoordigen in de Tweede Kamer. Heeft hij of zij nagenoeg soortgelijke uitgangspunten als ik heb, dan maakt die kandidaat een goede kans voor mijn stem.

Bij verkiezingsdebatten gaat het wat mij betreft te weinig erover welke kwaliteit van samenleving we wensen. Welke als het om oorlogvoering (vredesmissies in de volksmond) en echte vredesmissies gaat. Of over de AOW-leeftijd, de Europese Unie (EU), het buitenlands beleid, de handel, het milieu, de ontwikkelingshulp, het tegengaan van de opwarming van de aarde, de veiligheid, de zorg, en wat al niet meer.

50 Jaar geleden schreef Noam Chomsky op verzoek een artikel over de rol van intellectuelen in de Vietnam-oorlog, die indertijd gevoerd werd; een oorlog in Zuid-Vietnam tussen de door Noord-Vietnam gesteunde Vietcong en het door de Verenigde Staten (VS) gesteunde Zuid-Vietnamese bewind. In zijn artikel distantieerde hij zich van andere intellectuelen, ook als die zich eveneens uitspraken tegen deze oorlog. Chomsky aanvaardde de zogenaamde nobele doelstellingen achter die oorlog niet. Dat artikel kunt u vandaag herlezen als een boeiend tijdsdocument in zijn historische context.

U kunt het echter ook lezen als een actueel opiniestuk wanneer u ‘Vietnam’ vervangt door ‘Afghanistan’, ‘Irak’, ‘Libië’ en/of ‘Syrië’, en ‘de strijd tegen het communisme’ door ‘de strijd tegen terreur’. En lees dan ook de hedendaagse commentatoren en hun pseudo-neutrale analyses en opinies
over het Europees besparingsbeleid,
over de oorlogen die de EU en de VS voeren in het Midden-Oosten,
over de agressie van China en Rusland (welke beide niet hoeven te worden bewezen) waartegen ‘wij’ dan het hogere goed van het immer goedbedoelende Westen stellen (dat evenmin bewezen hoeft te worden)
en u ziet de mechanismen terug die Chomsky al op 23 februari 1967 beschreef. Voor de camera spuien alle politici hun beste plannen zonder dat doorgevraagd wordt naar hun mensbeeld, hun moraal, hun vijandbeeld, hun wereldbeeld of wat de burger volgens hen van de overheid vermag en hoe dat te bewerkstelligen.

Geen enkele Nederlandse politicus zal toename van armoede bepleiten, of afname van de controle door de fiscus op de belastingafdracht van bedrijven, vergroting van inkomstenverschillen, toename van vervuiling elders in de wereld voor producten die hier verkocht worden, oorlog, recessie, schending van onze privacy, sociale onrust, afname van de werkgelegenheid of een slechtere bereikbaarheid van de gezondheidszorg. Toch laten de gevolgen van ‘ons’ regeringsbeleid in de afgelopen periode dit soort fenomenen zonder dat er ooit voor gepleit is overduidelijk zien. Het gaat in de politieke mediadebatten allemaal nergens over, door gebrek aan diepgang, en dat is niets nieuws onder de zon.

Bronnen: “23 februari 1967, 50 jaar sinds Chomsky’s eerste politieke artikel” door Lode Vanoost via de website van De wereld morgen op 23 februari 2017 en Wikipedia op 24 februari 2017.

“The responsibility of Intellectuals” door Noam Chomsky, werd voor het eerst gepubliceerd op 23 februari 1967 in ‘The New York Review of Books’; een wekelijkse boekenbijlage bij de krant ‘The New York Times’. Het artikel werd in 1969 een van de 8 hoofdstukken van Chomsky’s allereerste politieke boek met de titel “American Power and the New Mandarins”. Daarin ontwikkelde hij verder zijn these dat de Amerikaanse intellectuele klasse in universiteiten en in de regering medeverantwoordelijk is voor de wreedheden die het Amerikaans leger in Vietnam heeft begaan. Dit boek werd in 2002 opnieuw uitgegeven.

In 2016 publiceerde uitgever Metropolitan Books een verzameling van Chomsky’s recente essays, opinies en samenvattingen van lezingen in het boek “Who Rules the World?”. In het eerste hoofdstuk “The Responsibility of Intellectuals, Redux” blikt Chomsky terug op dat eerste essay van 1967:
Zij die netjes in de rij gaan staan ten dienste van de staat worden typisch geprezen door de algemene intellectuele gemeenschap, terwijl zij die weigeren in dat lijntje te lopen worden afgestraft.

Klik hier voor het artikel van Vanoost (bron), dat dieper op Chomsky’s bijdrage aan het politieke debat ingaat.

Slecht nieuws voor nieuwsvolgers m/v

Wanneer ik op straat of in een bos gesprekken opvang, denk ik wel eens met een lach: “Oh, ja, daar heb ik het ook ooit over gehad; zelfde toon, zelfde boodschap.” Maar wanneer die gesprekken gaan over het nieuws wordt ik een enkele keer bevangen door een gevoel over sommige zaken beduidend meer te weten dan de prater. Hetzelfde gevoel wanneer ik iemand met een ING-pinpas zie betalen: “Die heeft sinds de Giro en de Postbank nooit meer een krant gelezen.” Onzin natuurlijk, maar dat gevoel heb ik wel, doordat ik weet – of denk te weten – hoeveel slechts ING (bijvoorbeeld) met ons geld in de wereld uitvreet en me niet kan voorstellen dat de pinpas-houder er achter zal staan dat zijn of haar geld voor dergelijke praktijken gebruikt wordt.

Onze onwetendheid is gevaarlijk, want ze is de basis waarop we in actie schieten.

Echter, voor degenen die het nieuws wel actief bijhouden heb ik slecht nieuws en een advies. Eerst het slechte nieuws: In het opinie-artikel ‘The media are misleading the public on Syria’ in de krant ‘Boston Globe’ van 18 februari jl. geeft Stephen Kinzer* zijn mening over de vooringenomenheid van de berichtgeving in de Amerikaanse mainstreammedia.

Kinzer ziet een verontrustend patroon in de selectieve manier waarop de Amerikaanse (en in hun kielzog de Westerse) media berichten over Syrië. De berichtgeving over oorlogsmisdaden blijkt volgens hem te worden bepaald door de kant die de journalisten hebben gekozen: de ‘onze’ of de ‘andere’, in plaats van door de ingewikkeld te duiden feiten. Zijn conclusies luiden: “De media misleiden het publiek over Syrië” en “De berichtgeving over de oorlog in Syrië zal worden herinnerd als een van de meest beschamende episodes in de geschiedenis van de Amerikaanse pers.

De meeste Amerikaanse media berichten volgens Kinzer het omgekeerde van wat er werkelijk aan het gebeuren is. ‘Gematigde rebellen’ blijken in werkelijkheid fanatieke wreedaards te zijn, die de bevolking terroriseren op een zo niets ontziende manier dat zij de soldaten van president Assad als ‘bevrijders’ verwelkomden.

Kinzer: “Die journalisten schrijven vanuit Washington dat ‘al Nusra’ een machtige groep is bestaande uit ‘rebellen’ en ‘gematigden’. Ze schrijven niet dat deze groep banden heeft met en voortkomt uit ‘al Qaïda’. Zij schrijven dat Saoedi-Arabië ‘vrijheidsstrijders’ steunt, terwijl het de hoofdsponsor is van IS (…) En alles wat Rusland en Iran in Syrië doen wordt beschreven als destabiliserend en negatief, omdat dat de officiële lijn is.

Kinzer: “De meeste Amerikaanse kranten en weekbladen hebben geen buitenlandse correspondenten meer (…) Berichten worden geschreven in de redactielokalen in Washington. Journalisten, die over Syrië schrijven, halen hun informatie bij het Pentagon, het ministerie van buitenlandse zaken, het Witte Huis en ‘experts’ van denktanken (…) Deze vorm van stenografie produceert het slappe infotainment dat doorgaat voor ‘Nieuws uit Syrië’.

Veel Amerikanen – en veel journalisten – zijn tevreden met het officiële verhaal: ‘Bestrijd Assad, Iran en Rusland! Vecht samen met onze Koerdische, Saoedische en Turkse vrienden om de vrede te bewerkstelligen!’ Dit is echter een weerzinwekkende omkering en vereenvoudiging van de uitermate complexe realiteit in en rond Syrië. Deze verzinsels zullen de oorlog daar onnodig verlengen en nog meer Syriërs veroordelen tot lijden en dood.

Volgens alternatieve Amerikaanse media is de vervormde berichtgeving niet de afwijking maar de norm; zeker in de grote commerciële mainsteammedia, ook als het over Syrië gaat. Echter, dat een man met de reputatie van Stephen Kinzer* dit schrijft, wijst op een dieper liggend probleem: zelfs de mainstreammedia beginnen aan te voelen dat het zo niet langer kan. De kloof tussen de waarheid en de berichtgeving erover wordt kennelijk te groot. Bovendien werken deze media zo de facto mee aan de verergering van de situatie in het Midden-Oosten.

Kinzer: “Men zegt dat Amerikanen onwetend zijn over de wereld. Dat is zo, maar dat zijn we niet meer dan in andere landen. Als de mensen in Bhutan of Bolivië een verkeerd idee hebben van wat in Syrië gebeurt heeft dat echter geen enkele consequentie. Onze onwetendheid daarentegen is gevaarlijk, want ze is de basis waarop we in actie schieten.

Mijn advies: Denk maar niet de waarheid via de mainstreammedia te vinden en behoud altijd een beetje achterdocht door u bij elk nieuwtje af te vragen: Welk belang wordt hiermee gediend?

Bronnen: “The media are misleading the public on Syria” door Stephen Kinzer in Boston Globe op 18 februari 2017, “De media misleiden het publiek over Syrië” door Lode Vanoost via de website van De wereld morgen en websites onder wikipedia (org), beide op 20 februari 2017.

________________
* Stephen Kinzer (1951) is een Amerikaans auteur en journalist, die onder andere op cruciale momenten in de wereldgeschiedenis correspondent was bij de New York Times en schrijft voor allerlei kranten en nieuwsagentschappen. Hij schreef onder veel meer The Brothers: John Foster Dulles, Allen Dulles, and Their Secret World War, Times Books, 2013. ISBN 978-0-8050-9497-8, Reset ook gepubliceerd onder de titel Reset Middle East: Old Friends and New Alliances: Saudi Arabia, Israel, Turkey, Iran, I.B. Tauris, 2010, ISBN 978-1-84885-765-0 en All the Shah’s Men: An American Coup and the Roots of Middle East Terror, John Wiley & Sons, 2003, ISBN 0-471-26517-9. Momenteel werkt hij als senior medewerker in het ‘Watson Institute for International Studies’ van de Amerikaanse Brown-universiteit te Providence, Rhode Island.

Klik hier voor het opinie-artikel van Stephen Kinzer.

Staatgevaarlijk politici

Op 15 februari zal het Europees parlement (EU-parlement) naar verwachting akkoord gaan met CETA, het Comprehensive Economic and Trade Agreement; de handelsovereenkomst tussen het fatsoenlijke Canada en EU om de vereisten aan producten en de omstandigheden waarin zij vervaardigd worden op elkaars wetgevingen af te stemmen en vooral om de in Canada en EU gevestigde grootbedrijven tegen nationale parlementen te beschermen.

Gedurende een eeuw zwaar bevochten wet- en regelgeving betreffende
arbeidsomstandigheden,
dierenwelzijn,
fysieke veiligheid,
milieuwetgeving,
voedselveiligheid en
volksgezondheid
worden omwille van winstvergroting van multinationale ondernemingen zonder inhoudelijke inspraak te grabbel gegooid. De betrokken parlementen kunnen CETA alleen afkeuren of goedkeuren.

De ironie wil dat deze bedrijven, die zo min mogelijk belasting aan nationale parlementen afstaan, via CETA wèl de mogelijkheid krijgen een miljoenen- of miljardenclaim bij nationale parlementen te leggen wanneer nieuwe wetgeving hen iets kost. Hun investeringskosten, iets waar een beetje ondernemer altijd risico’s loopt, worden zodoende met CETA veilig gesteld: komt het niet uit de handel dan komt het bij nieuwe wet- en regelgeving wel uit de pot die u en ik via inkomsten- en alle andere belastingen bij elkaar hebben gespaard om te besteden aan het algemeen nut.

Ik heb mij altijd al op het standpunt gesteld dat degenen die EU vertegenwoordigden bij de CETA- en TTIP-onderhandelingen niet competent daartoe bleken. Anders hadden zij, op het moment dat ISDS, het Investor-state dispute settlement, geagendeerd werd de onderhandelingen wel direct opgeschort. ISDS is inmiddels vervangen door het even kwalijke ICS; het investment court system.
Nu stel ik mij op het standpunt dat ieder parlementslid dat woensdag 15 februari 2017 vòòr CETA stemt staatsgevaarlijk is.

Twee dagen na het verschijnen van dit blog heeft Lode Vanoost in ‘De wereld morgen’ een – volgens mij – heel duidelijke uitleg gegeven over CETA met onder die uitleg allerlei doorverwijzingen voor degenen die zich nog meer willen verdiepen in de materie van wat ‘vrijhandelsverdragen’ genoemd wordt. Voor degenen die deze uitleg over CETA willen lezen: klik hier.

Maken politieke beloften ook schuld?

‘Centrum’ en ‘Rechts’ zijn in hun politieke betekenis synoniem geworden voor ‘uitzichtloze crisis’.

De ruggengraat van rechtse denkers is het kapitalisme zoals we dat in dit land nu al zo’n 40 jaar concretiseren. Alle centrumpartijen hebben dit kapitalisme omarmd. Er is in Nederland haast geen politieke partij met een alternatief voor dit rechts-kapitalisme. Op de zonderling na, die Hoog Cartharijne een heerlijk winkelcentrum vindt, zal niemand nu nog beweren dat onze kapitalistische economie de garantie vormt voor de hoogste welvaart voor iedereen.

Integendeel, steeds meer mensen komen tot het inzicht dat het kapitalisme van vandaag een economisch model is dat massale armoede produceert ten voordele van de weergaloze fortuinen voor een handjevol mensen: de aandeelhouders, de directeuren en de bestuurlijke top van grootbanken en grootbedrijven met hun machtige politieke lobby-apparaat. Bedrijven, die eerder soms staatsbedrijven waren, waarvan deze mensen nu jaarlijks en soms zelfs maandelijks tonnen euro’s bijgeschreven krijgen.

Als antwoord op de decennia lang beleden economische godsdienst “There Is No Alternative!” kunnen in dit tijdgewricht extreemlinks en extreemrechts laten zien dat er wel een alternatief is.

Dit volksinzicht groeit doordat de armoede ook toeslaat in de zogenaamde “centrumgebieden” van het kapitalisme: het ooit zo rijke Westen waar velen eraan gewend waren weg te kijken voor humanitaire rampen elders. Het komt nu zo dichtbij dat wegkijken haast niet meer lukt. Buiten een handjevol rijke lui heerst dan ook bij menigeen de overtuiging dat de hele zaak niet deugt. Slechts over wat ‘de hele zaak’ is, is discussie. Als antwoord op toenemende verarming stelt Rechts een nog snellere en veralgemeende verarming voor: op toenemende werkloosheid stelt ze een nog-verdere flexibilisering van de arbeidsduur-verlenging voor, een nog-verdere verarming van degenen die geen betaald werk hebben en een nog-verdere verzwakking van het ontslagrecht.

Ik heb me bij dit kapitalisme als een zo onbetwist vereerd gouden kalf nooit thuis gevoeld. Politiek moet volgens mij in de eerste plaats gaan om de kwaliteit van ons bestaan, en niet om geld. Geld is slechts een handig ruilmiddel. Over wie ‘ons’ is ben ik zeer ruimdenkend, maar ik weet dat veel mensen geen enkele andere boodschap hebben aan knechting, slavernij en uitbuiting van mensen elders dan een “Och, och, zou dan nou zo zijn? Daar zouden ze toch iets aan moeten doen.

Op vernieuwingen binnen de samenleving reageert Rechts, en ook de centrumpartijen, met fascisme, nationalisme, racisme en/of vreemdelingenhaat. Conflicten en milieurampen elders in de wereld – een zeer belangrijke oorzaak voor migratie en dus voor toenemende diversiteit binnen onze samenleving – beantwoorden rechtse en centrumpartijen met uitheemse detentiecentra, oorlog en terreur. Gevraagd naar het hoe en het waarom van dit alles produceert Rechts kindertaal: “America / Britain is the world’s greatest country”, “Dat is nu eenmaal zo”,“It’s gonna be great, it’s gonna be huge”, “Geen moskee in mijn dorp / straat / stad”, “Dit is knettergek”, “Dit is een nepparlement / neprechter”, “Doe eens normaal, man”, “Wat is daar nu verkeerd aan?”, “Wir schaffen das”. Het zijn woorden van mensen die volgens mij beseffen dat ze inhoudelijk niets meer te vertellen hebben.

Kapitalisme als bron van creativiteit, sociale dynamiek en vernieuwing heeft eveneens opgehouden te bestaan. We worden nu warm gemaakt voor verfijningen en minieme veranderingen aan oude technologieën. De basistechnologie van de auto is ruim een eeuw oud, die van straalmotoren 70 jaar en die van de computer eveneens al enkele decennia. Bedrijven voeren geen marketing meer voor revolutionair vernieuwende dingen; ze voeren alleen nog enorme campagnes over de adjectieven die we aan die dingen moeten hechten: een stijlvolle Mercedes, een sexy paar laarzen, een coole iPhone.

De ‘blanke boze burger’ is volgens mij helemaal niet boos, maar hecht geen waarde meer aan de jarenlange stroom van mooie beloften en lelijke bedreigingen. De politieke vernieuwing komt nu uit de marges van het politieke spectrum die in onze mainstream-media altijd met “extreem” werden aangeduid: ‘extreemlinks’ of ‘extreemrechts’.

De nieuwe massabewegingen van kritische burgers zullen hun nieuwe verhalen wikken en wegen. Wanneer die verhalen niets anders blijken te zijn dan een geslaagde marketingcampagne voor precies dezelfde uitverkoop van wat ooit rechten waren, dan kan dat nog enkele verkiezingsoverwinningen opleveren. Maar vroeg of laat zullen we – zoals het er nu volgens mij naar uitziet – ons vertrouwen in Rechts en in alle centrumpartijen en masse verliezen. Volgens de eerste debatten wordt door de grootste kanshebbers ingezet op samenwerking zonder voor de oorzaken van het weglopen van kiezers bij rechtse en centrumpartijen een alternatief te bieden.

Als antwoord op de decennia lang beleden economische godsdienst “There Is No Alternative!” kunnen in dit tijdgewricht extreemlinks en extreemrechts laten zien dat er wel een alternatief is. Komende verkiezingen maken de Nederlandse politieke partijen, die haast allemaal stuk voor stuk het rechts-kapitalisme omarmen, nog een flinke kans op succes. De vraag voor mij is alleen nog of de meerderheid na hun teleurstelling volgend op dit succes zal gaan kiezen voor Trumpisme. Inmiddels zijn generaties gewend aan een zekere orde en stabiliteit, waardoor teveel mensen zich niet meer voor kunnen stellen dat met moeite tot stand gekomen instituten afgeschaft kunnen worden. Inclusief elke vorm van democratie of inspraak.

Of zou gekozen worden voor een koers die juist alle mensen spaart, inclusief de aarde en het klimaat voor zover dat nog mogelijk is?

Of een koers die weer alleen gericht is op het welzijn van de ogenschijnlijk brave Nederlanders met een BSN-nummer?

En ik zie u in gedachten al denken: “Och, och, zou dan nou zo zijn?

Bron: Dit blog is sterk geënt op “Wat met de toekomst van rechts” door Jan Blommaert* via https://www.dewereldmorgen.be op 4 februari 2017.
_______________
* Jan Blommaert (1961) is volgens Wikipedia-nl een Belgisch sociolinguïst en taalkundig antropoloog en werkzaam aan de Tilburg University als hoogleraar taal, cultuur en globalisering en directeur van het Babylon Centrum voor de studie van superdiversiteit.

Over opbouw, afbraak en hoop

Ik ben geboren in 1953 en ben me van kinds af aan bewust in een bijzonder interessante tijd en plaats op de wereld te leven. In Nederland heb ik heel mijn leven al weinig te vrezen van ongelimiteerd onrecht en/of enige andere vorm van terreur.

En vanuit Nederland, met haar mogelijkheden voor haast iedereen om zich nagenoeg ongelimiteerd te informeren over van alles en nog wat, kan ik mij over heel veel op de hoogte stellen. Dat ik er van mijzelf nog een eigen leven op na wil houden is de belangrijkste beperking niet over alles het meest belangrijke te weten.

Daarnaast maak ik de ontwikkelingen in Nederland mee. In mijn ouderlijk gezin kregen we het financieel en materieel steeds beter totdat berichten verschenen dat Nederland ‘bijna af’ was. Dat was in de jaren ’70. Daarna werd de verzorgingsstaat stukje bij beetje afgebroken met inmiddels alweer 40 jaar politieke beloftes dat we het door die afbraak steeds beter zouden krijgen. Nederland is inmiddels allang niet meer ‘bijna af’.

Wat politieke beloftes in verkiezingstijden waard zijn, denk ik na enkele zware teleurstellingen inmiddels wel te weten. Ik houd me er doof voor en beoordeel politieke partijen en politici op hun stemgedrag en hun verklaringen gedurende de afgelopen 4 jaar.

De inkomens en vermogensongelijkheid loopt in de wereld en ook in Nederland uit de hand.
Multinationals bepalen wat we aanschaffen en zelfs wat we drinken en eten; er zijn nauwelijks nog zelfstandig ondernemende winkeliers.
Banken hielpen Nederland aan een indrukwekkend doel voor ons bijeengebrachte belastinggeld en mogen inmiddels weer vrijelijk hun gang gaan; de volgende financiële crisis tegemoet.
Degenen die zich van begin af aan voor hun levensonderhoud in Nederland hebben moeten melden bij voedselbanken, dreigen het nu zonder deze noodverziening te moeten doen. Dat heeft ermee te maken dat er in dit rijke land zoveel mensen niet in hun levensonderhoud kunnen voorzien dat er een beperking gesteld is aan het aantal jaren dat van deze – overigens voor een rijk land als Nederland beschamende – voorziening gebruik gemaakt mag worden.

En wat mij nog het meest intrigeert is dat het bewustzijn van het gevaar dat mensen voor elkaar kunnen betekenen afgenomen is. Het in mijn ogen onverantwoorde politieke beleid, dat onze Tweede Kamer sinds – laat zeggen – Balkenende in elkaar timmert, getuigd daarvan:
Sympathie voor verdragen die de verdragsteksten stellen boven nationale wetgeving; de Tweede Kamer is al akkoord gegaan met CETA waarin dit geregeld wordt.
Grondrechten en de universele verklaring van de rechten van de mens lapt de Kamer aan haar laars inzake bijvoorbeeld anti-Marokkanisme, Islamofobie en het wel weren van vluchtelingen, maar geen enkele actie ondernemen om ons aandeel in het ontstaan van stromen vluchtelingen richting Europa aan te pakken.
Het ondersteunen van regelgeving en wetgeving die het welzijn van mensen ondergraaft ten gunste van financieel beleid, lees het aan de liberale EU-regels voldoen van het begrotingstekort en begrotingsoverschrijdingen, waardoor de vraag steeds is: “Hoe betalen we …?” Vul maar in: AOW, gehandicaptenzorg, geestelijke gezondheidszorg, gezondheidszorg, pensioenen, uitkeringen, enzovoort. De vraag is niet: “Wat achten wij onszelf, gezien onze beschaving en de rijkdom van Nederland, verplicht te doen aan genoemde zaken?
In het algemeen kunnen we wellicht stellen dat mensen het in Nederland beter hebben dan in veel buitenland, maar de financiële zorgen voor grote groepen Nederlanders, die al langere tijd buiten de boot vallen, zijn bijzonder groot en groeiend en de mogelijkheden op vast inkomen voor deze mensen wordt stukje bij beetje – door het steeds verder afschaffen van voorzieningen – steeds kleiner.

Inmiddels zijn we eraan gewend geraakt dat – anders dan onze ouders – de volgende generaties het financieel en materieel in Nederland, zijnde een van de rijkste landen van de wereld, slechter krijgen dan de generaties voor hen. Politici die lagere belastingen bepleiten of een kleinere overheid wensen, werken volgens mij mee de overheid tandeloos te maken waar het aankomt op de bescherming van de zwakkeren in de samenleving – u en ik – tegen de sterkeren, zoals aandeelhouders, grootbanken en grootbedrijven. Terwijl ik de bescherming van de machtelozen tegen de machtigen als dè kerntaak van de overheid zie. Maar de politiek kiest kamerbreed voor de economie van de grootbanken en grootbedrijven en laat zich al decennia weinig gelegen liggen aan de economie van uw en mijn huishoudboekje. Inmiddels is het heel gewoon dat in een gezin beide ouders inkomen moeten verwerven en dan nog moeite hebben rond te komen, waaraan de flexibilisering van wat ‘arbeidsmarkt’ genoemd wordt ook een zware wissel trekt op de bestaanszekerheid van gezinnen.

Wat politieke beloftes in verkiezingstijden waard zijn, denk ik na enkele zware teleurstellingen inmiddels wel te weten. Ik houd me er doof voor en beoordeel politieke partijen en politici op hun stemgedrag en hun verklaringen gedurende de afgelopen 4 jaar. Dat biedt mij een beter houvast – hoop ik – dan me te laten overtuigen door verkiezingsbeloften waarover ik na de stemming op 15 maart begrip moet hebben dat ze niet nagekomen worden in ons staatsbestel waarin politieke partijen door ‘te geven en te nemen’ hun politieke macht verdelen.

Ik denk te zien hoe desastreus liberaal beleid de afgelopen 4 decennia heeft uitgewerkt op ons dagelijks leven en ons denken. En één ding weet ik daardoor al bijna zeker: ik stem niet op een liberale politieke partij. Dus van de 28 partijen, die straks meedoen, valt voor mij volgens een ruwe schatting zo al zo’n 75% af. En verder blijf ik genieten van deze voor mij interessante tijden.

Bezinning in de marge

Het is tijd voor bezinning. Het is altijd tijd voor bezinning en een aimabel-ogende man bood mij stof om in de marge van de Stuitende Taferelen* in de wereldpolitiek tot een kern door te dringen.

De aimabel-ogende man ontmoette ik een tijd geleden in Amsterdam en onlangs raakten we verzeild in een mailwisseling over onjuiste geschiedschrijving. Hij stelde in zijn laatste mail van deze week: “Mensen hebben recht op hun eigen mening, niet op hun eigen waarheid.”

Dat was even slikken voor mij, omdat ik ertoe neig alles te zien als interpretatie. Hoe aimabel is deze ogende man? Is er één waarheid en zouden we die kunnen kennen? “De wetenschap leert en toont ons enkel het uiterlijke of de vorm en de schijn van de ‘dingen’; het ‘innere’ kan men niet kennen” denk ik ingegeven door Duitse filosoof Immanuel Kant (1724 – 1804).

Wij zijn gedoemd vrij te zijn
Jean-Paul Sartre

Ik denk er niet aan te kunnen ontkomen in mijn eigen waarheid en mijn eigen werkelijkheid te verkeren; een waarheid met als bouwelementen:
– mijn levensgeschiedenis voor zover die mij gevormd heeft,
– voor mijn vorming relevante gedachten, inzichten en waarnemingen,
– de invloed die mijn omgeving op mij gehad heeft en
– mijn interpretatie van de situatie waarin ik in het hier en nu verkeer.
Naar mijn idee geldt dit voor ieder mens. Ik dacht dat dit een algemene aanname was, maar de aimabel-ogende man denkt hier dus anders over. Hij schreef mij deze week dat wat hem betreft pas als alle kennis boven water komt, er tijd is voor interpretaties. Zijn stelling roept bij mij de vraag op hoe hij dan juist kan doen, want volgens mij zal nooit zal alle kennis bekend, laat staan ontsloten zijn.

Gelukkig wist de Engelse jurist, filosoof en sociaal hervormer Jeremy Bentham (1748 – 1832) wel raad met zulke vragen. Hij vond een maximum aan genot en een minimum aan leed en verdriet nastrevenswaardig. Zo stelde hij dat de juistheid van een handeling wordt bepaald door de gevolgen ervan: leverde een handeling in totaal voor de mensheid meer, langduriger en intenser genot op en minder leed of verdriet dan was de handeling juist geweest. Kom er maar eens om bij de huidige wereldleiders.

Het petekind van Bentham, de Engels filosoof en econoom John Stuart Mill (1806 – 1873) was het wel met zijn peetoom eens. Hij onderscheidde daarbij hogere (intellectuele) en lagere (platvloerse) vormen van genot. Toch is mijn probleem met Bentham en Stuart Mill is dat alleen achteraf uitgerekend kan worden of een handeling juist is geweest. Gevolgen kun je nu eenmaal niet allemaal van tevoren overzien.

De Brits filosoof-ethicus Bernard Williams (1929 – 2003) was een vernietiger van denksystemen en viel alle “ismen” aan met gelijke kracht, ook het utilisme van Bentham en Stuart Mill. Williams argumenteerde dat er een cruciaal moreel onderscheid bestaat tussen een moord die ik pleeg of een moord die iemand anders pleegt omwille van iets wat ik gedaan heb. Hij stelt zodoende dat men de juistheid van een handeling niet puur kan berekenen aan de hand van gevolgen voor de mensheid en introduceert ‘verantwoordelijkheid’ en ‘bevoegdheid’.

De Amerikaans filosoof Robert Nozick (1938 – 2002) redeneert in dit verband over de juistheid van een handeling vanuit een heel andere invalshoek. Hij toonde aan dat een maximum aan genot en een minimum aan leed en verdriet helemaal niet is wat mensen willen: “Mensen willen hun leven leven.” Dat spreekt mij aan.

De Franse filosoof en schrijver Jean-Paul Sartre (1905 – 1980) stelde dat men keuzes moet maken en voor de gemaakte keuzes verantwoordelijkheid moet dragen. Hij stelde: “Wij zijn gedoemd vrij te zijn”. Feitelijk zegt hij, net als de pre-socratici en de eerste Griekse sofisten zoals Protagoras van Abdera (± 490 – 420), dat “de mens de maat van alle dingen is”; voor de volledigheid: “van de dingen die zijn wat ze zijn en van de dingen die niet zijn wat ze niet zijn.

Toch blijken er problemen met een universele moraal, en als we het erover hebben of we in ‘interpretaties van de werkelijkheid’ zouden leven, of ons pas een interpretatie zouden mogen veroorloven als we alle kennis boven tafel hebben, spreken we over een universele moraal. Problemen met een universele moraal zijn
– dat traditionele waarden ondergeschikt worden aan een wereldwijd denken en
– dat de moraliteiten binnen verschillende culturen nogal eens met elkaar botsen.
Bovendien hebben we inmiddels weet over de ellende die het denken heeft veroorzaakt van de fascistische dictator Benito Mussolini (1883 – 1945), de bolsjewistische dictator en autocraat Jozef Stalin (1878 – 1953), de extreem-racistische nationaalsocialistische provocateur, populist en latere dictator Adolf Hitler (1889 – 1945) en de communist en dictator Mao Zedong (1893 – 1976) om er maar een paar te noemen; er zijn er nog veel, veel meer. “Wees maar voorzichtig met een alomvattende moraal”, hebben zij hun nabestaanden naar mijn hoop geleerd.

Toch handel ik voortdurend door te doen en door na te laten. Hoe bepaal ik de juistheid van mijn handelingen?
Ik heb daarop wel een antwoord: ik weet waarheen ik de mensheid zou willen leiden: wereldvrede. Mijn doen en laten beoordeel ik langs de meetlat in hoeverre mijn handel en wandel op mijn bescheiden plaats tussen de wereldbevolking bijdraagt aan wereldvrede. Ik sluit me daarom vooralsnog wederom aan bij Immanuel Kant, die stelde
– dat de intentie van een handeling belangrijker is dan het gevolg ervan,
– dat we de mens altijd óók als doel op zich en nooit allèèn als middel tot een doel mogen gebruiken, en
– dat wij alles wat wij doen als algemene regel zouden moeten kunnen èn willen laten gelden.
Het is bijvoorbeeld volgens Kant niet goed om te stelen, want de algemene regel ‘Stelen mag’, zou resulteren in een chaotische wereld waarin wij zelf niet zouden willen leven.

Ik kan er wel mee uit de voeten en voor mij is het ondoenlijk pas tot een besluit te komen wanneer ik (nagenoeg) de gehele waarheid ken.

Bronnen: “Filosofie voor het echte Leven” (2015) door de Vrije Academie en Brandstof en College “Hoe doe ik het goed?” door Lammert Kamphuis van de Vrije Academie op 17 december 2015 en https://nl.wikipedia.org op 22 december 2015 en 27 januari 2017.

De kern van dit blog verscheen als blog 266 eerder op de voorloper van deze website, die ‘uit de internet-lucht’ gehaald is.
______________
* De Werkgroep Socialisten in de PvdA gaf tussen 1991 en 1994 een blad uit met de titel ‘Stuitende taferelen’ als woordspeling op het in 1987 verschenen PvdA-rapport ‘Schuivende Panelen’.