Een feestje over de ‘liefde’

Het is alweer even geleden dat Apollodorus het verhaal vertelde dat hij van Aristodemus hoorde over een symposium, een drinkgelag of feestmaal. Het werd indertijd ter ere van de tragedieschrijver Agathon gehouden. Socrates is bij die gelegenheid te laat gekomen, doordat hij in gedachten verzonken ergens in de stad tijdens gesprekken alle besef van tijd was kwijtgeraakt. Nadat ze klaar zijn met eten, herinnert Eryximachus iedereen aan Phaedrus‘ suggestie dat iedere aanwezige op zijn beurt een spreekbeurt zou geven: een verhaal ter ere van de god van de liefde.

Phaedrus steekt van wal en vertelt dat Liefde (Eros) een van de oudste goden is. Deze god bevordert volgens hem het best de deugd van mensen.

Pausanias volgt hem als spreker op. Hij maakt een onderscheid tussen ‘Gewone Liefde’, die draait om begeren, en ‘Hemelse Liefde’, die plaatsvindt tussen een man en een jongen. In het geval van de Hemelse Liefde verleent de geliefde, de jongen dus, seksueel genot aan de oudere man in ruil voor een intellectuele en morele opvoeding.

Eryximachus, de geneesheer, wijst erop dat ‘goede liefde’ aanzet tot matigheid (wijsheid) en orde. Ook zegt hij dat liefde zich niet beperkt tot relaties tussen mensen, maar net zo goed gevonden kan worden in geneeskunde, muziek en tal van andere zaken.

Aristophanes is de volgende spreker. Hij vertelt een mythe over hoe we als mensen eens als èèn tweeslachtig wezen op aarde rondliepen. Alle mensen waren ‘bolmensen’. Wegens de arrogantie en overmoed van onze voorouders werden ze bij wijze van straf door Zeus in tweeën verdeeld. Geslachtsdelen plaatste Zeus daarna van achter naar voren, zodat we in plaats van bolmensen mannen en vrouwen werden. Sindsdien zwerven mensen als gehalveerd bolmens over de aarde. Op straffe van Zeus voortdurend zoekend naar onze wederhelft, waar we ons mee willen verenigen om weer heel te zijn.

Agathon volgt Aristophanes op en geeft een retorisch uitgewerkte speech ten beste waarin Liefde voorgesteld wordt als gevoelig, jong, mooi en wijs. Hij schurkt aan tegen de opvatting van Phaedrus: Liefde is volgens hem verantwoordelijk voor de aanwezigheid van alle deugden in ons.

Socrates, die zich dus later bij dit gezelschap voegde, stelt een en ander op zijn eigen wijze in vragen [het Socratisch gesprek; GjH]. Hij vindt dat Agathons’ redevoering niet over de Liefde ging, maar over de objecten van de liefde.
Socrates vertelt vervolgens het verhaal van de wijze vrouw Diotima. Volgens haar was Liefde helemaal geen god, maar eerder een geest die bemiddelt tussen mensen en het object van hun begeren. Liefde zelf is noch mooi, noch wijs. Liefde is eerder het verlangen naar schoonheid en wijsheid. Liefde kan zich volgens Socrates op twee manieren uitdrukken: door de lichamelijke aspecten van seks, voortplanting en zwangerschap of door het delen en voortbrengen van ideeën.
De grootste wijsheid van al, vertrouwt Socrates de anderen toe, is ‘Kennis van de Vorm van Schoonheid’. Dat is dat we allen volgens hem zouden moeten nastreven.
Socrates beëindigt zijn toespraak met het inzicht dat het hoogste doel van de liefde ‘de liefde voor wijsheid’ is. Als het echt om de liefde zou gaan, zou iedereen volgens Socrates filosoof worden.

Aan het eind van Socrates’ toespraak komt een dronken Alcibiades naar voren, die op de grond valt. Hij prijst Socrates luidruchtig om zijn wijsheid. Ondanks Alcibiades’ pogingen om ook Socrates te laten proeven van zinnelijke geneugten, slaagt hij daar niet in. Socrates is helemaal niet geïnteresseerd in zinnelijk genot.

Het feest eindigt in chaos en een drinkpartij, waarbij Aristodemus in slaap valt. Als hij de volgende morgen wakker wordt, ziet hij hoe Socrates nog steeds energiek zit te discussiëren met Agathon en Aristophanes. Als uiteindelijk iedereen in slaap is gevallen, staat Socrates op en begint aan zijn nieuwe dag. Hij wandelt naar het Lykeion, een van de drie grote gymnasia buiten de stadsmuren van het oude Athene. Socrates brengt de rest van de dag door op zijn gewone manier, zonder te gaan slapen voor het donker wordt.

Het ‘Symposium’, waarin dit alles beschreven is, is een dialoog geschreven na 385 v.Chr. door de Griekse filosoof Plato. Het verschaft inzichten over de manier van leven van de Atheense intellectuele kringen uit die tijd en wellicht een antwoord op uw vraag wat liefde is.

Bronnen: “Symposium” via Wikipedia.org, Tros Nieuwsshow Radio 1, “Symposium” via Scheltema.nl en “Iedereen was er” via Bol.com; alle vier op 7 november 2015.

De strekking van dit blog verscheen eerder als blog 247 op een voorloper van deze website.

Een keerzijde van ons verstand

Wanneer leiders naar kennis streven, maar hun ethische opvattingen vergeten, raken allen die hen volgen verstrikt in verwarring. Hoe kan ik zeggen dat dit het geval is?

Veel kennis wordt toegepast voor het exploiteren van wat in de natuur is. Maar alles wat in de natuur is wordt erdoor verstoord.
Veel kennis wordt toegepast om winst te maken, maar de mensen moeten zich dan het schompus werken met weinig rechten en veel plichten en hebben steeds meer geld nodig om al die winsten voor enkelingen bij elkaar te schrapen.
Veel kennis wordt gebruikt om verzet van mensen te breken en om vreemde mensen te beletten naar hier of naar daar te komen, maar de levens van deze weerbarstige en wanhopige mensen worden er nog meer door verstoord dan ze al zijn.

Mensen eren hetgeen binnen het bereik van hun kennis ligt, maar beseffen niet hoe afhankelijk ze zijn van wat er buiten ligt.

Naarmate de kennis steeds knapper, veelzijdiger en ingenieuzer wordt, worden de mensen er alom door verstoord en geschaad. Dan proberen zij verwoed te begrijpen wat zij niet weten, maar doen geen poging te begrijpen wat ze al wel weten. Ze veroordelen de misvattingen van anderen, maar veroordelen de hunne niet. Daaruit ontstaat nog meer verwarring.

Als de zon en de maan hun licht verloren, de bergen en rivieren verloren hun levenskracht en de vier seizoenen kwamen tot stilstand, dan zou geen insect en geen plant zijn ware aard behouden. Toch is dat de toestand die wordt voortgebracht door mensen die geobsedeerd zijn door kennis. Eerlijkheid en eenvoud worden over het hoofd gezien en rusteloosheid oogst bewondering. Het kalme, moeiteloze handelen wordt vergeten en er weerklinken luide woordenwisselingen. Zo is de aard van de honger naar kennis. Het kabaal ervan stort de wereld in een chaos.

(…)

Mensen eren hetgeen binnen het bereik van hun kennis ligt, maar beseffen niet hoe afhankelijk ze zijn van wat er buiten ligt.

Dit is geen reactie op iets dat vandaag de dag speelt. Tsoeang-tse schreef woorden van gelijke strekking* 2.500 jaar geleden in de “Tao Te Tsjing”. Ik kwam bovenstaande fragmenten tegen in het boek “Teh van Knorretje”. In dat boek worden aspecten aan het Taoïsme luchtig uitgelegd aan de hand van de oorspronkelijke verhalen van Winnie de Poeh en de personages die in die 2 boeken opgevoerd worden.

Bron: “Teh van Knorretje” (1992) door Benjamin Hoff in het Nederlands vertaald door Hilde Bervoets, Uitgeverij Sirius en Siderius te Den Haag, ISBN 906441100X.

______________________________________
* In plaats van ‘ethische opvattingen’ schreef Tsoeang-tse ‘De weg’ en in plaats van mijn 2de alinea schreef hij:
Veel kennis wordt toegepast voor het maken van bogen, kruisbogen, pijlen en katapulten, maar de vogels in de lucht worden erdoor verstoord en gewond.
Veel kennis wordt gebruikt voor het maken van haken, netten en dergelijke, maar de vissen in het water worden erdoor verstoord en gewond.
Veel kennis wordt aangewend voor het maken en plaatsen van vallen, netten en klemmen, maar de schepselen van de grond worden erdoor verstoord en gewond.

Bezinning in de marge

Het is tijd voor bezinning. Het is altijd tijd voor bezinning en een aimabel-ogende man bood mij stof om in de marge van de Stuitende Taferelen* in de wereldpolitiek tot een kern door te dringen.

De aimabel-ogende man ontmoette ik een tijd geleden in Amsterdam en onlangs raakten we verzeild in een mailwisseling over onjuiste geschiedschrijving. Hij stelde in zijn laatste mail van deze week: “Mensen hebben recht op hun eigen mening, niet op hun eigen waarheid.”

Dat was even slikken voor mij, omdat ik ertoe neig alles te zien als interpretatie. Hoe aimabel is deze ogende man? Is er één waarheid en zouden we die kunnen kennen? “De wetenschap leert en toont ons enkel het uiterlijke of de vorm en de schijn van de ‘dingen’; het ‘innere’ kan men niet kennen” denk ik ingegeven door Duitse filosoof Immanuel Kant (1724 – 1804).

Wij zijn gedoemd vrij te zijn
Jean-Paul Sartre

Ik denk er niet aan te kunnen ontkomen in mijn eigen waarheid en mijn eigen werkelijkheid te verkeren; een waarheid met als bouwelementen:
– mijn levensgeschiedenis voor zover die mij gevormd heeft,
– voor mijn vorming relevante gedachten, inzichten en waarnemingen,
– de invloed die mijn omgeving op mij gehad heeft en
– mijn interpretatie van de situatie waarin ik in het hier en nu verkeer.
Naar mijn idee geldt dit voor ieder mens. Ik dacht dat dit een algemene aanname was, maar de aimabel-ogende man denkt hier dus anders over. Hij schreef mij deze week dat wat hem betreft pas als alle kennis boven water komt, er tijd is voor interpretaties. Zijn stelling roept bij mij de vraag op hoe hij dan juist kan doen, want volgens mij zal nooit zal alle kennis bekend, laat staan ontsloten zijn.

Gelukkig wist de Engelse jurist, filosoof en sociaal hervormer Jeremy Bentham (1748 – 1832) wel raad met zulke vragen. Hij vond een maximum aan genot en een minimum aan leed en verdriet nastrevenswaardig. Zo stelde hij dat de juistheid van een handeling wordt bepaald door de gevolgen ervan: leverde een handeling in totaal voor de mensheid meer, langduriger en intenser genot op en minder leed of verdriet dan was de handeling juist geweest. Kom er maar eens om bij de huidige wereldleiders.

Het petekind van Bentham, de Engels filosoof en econoom John Stuart Mill (1806 – 1873) was het wel met zijn peetoom eens. Hij onderscheidde daarbij hogere (intellectuele) en lagere (platvloerse) vormen van genot. Toch is mijn probleem met Bentham en Stuart Mill is dat alleen achteraf uitgerekend kan worden of een handeling juist is geweest. Gevolgen kun je nu eenmaal niet allemaal van tevoren overzien.

De Brits filosoof-ethicus Bernard Williams (1929 – 2003) was een vernietiger van denksystemen en viel alle “ismen” aan met gelijke kracht, ook het utilisme van Bentham en Stuart Mill. Williams argumenteerde dat er een cruciaal moreel onderscheid bestaat tussen een moord die ik pleeg of een moord die iemand anders pleegt omwille van iets wat ik gedaan heb. Hij stelt zodoende dat men de juistheid van een handeling niet puur kan berekenen aan de hand van gevolgen voor de mensheid en introduceert ‘verantwoordelijkheid’ en ‘bevoegdheid’.

De Amerikaans filosoof Robert Nozick (1938 – 2002) redeneert in dit verband over de juistheid van een handeling vanuit een heel andere invalshoek. Hij toonde aan dat een maximum aan genot en een minimum aan leed en verdriet helemaal niet is wat mensen willen: “Mensen willen hun leven leven.” Dat spreekt mij aan.

De Franse filosoof en schrijver Jean-Paul Sartre (1905 – 1980) stelde dat men keuzes moet maken en voor de gemaakte keuzes verantwoordelijkheid moet dragen. Hij stelde: “Wij zijn gedoemd vrij te zijn”. Feitelijk zegt hij, net als de pre-socratici en de eerste Griekse sofisten zoals Protagoras van Abdera (± 490 – 420), dat “de mens de maat van alle dingen is”; voor de volledigheid: “van de dingen die zijn wat ze zijn en van de dingen die niet zijn wat ze niet zijn.

Toch blijken er problemen met een universele moraal, en als we het erover hebben of we in ‘interpretaties van de werkelijkheid’ zouden leven, of ons pas een interpretatie zouden mogen veroorloven als we alle kennis boven tafel hebben, spreken we over een universele moraal. Problemen met een universele moraal zijn
– dat traditionele waarden ondergeschikt worden aan een wereldwijd denken en
– dat de moraliteiten binnen verschillende culturen nogal eens met elkaar botsen.
Bovendien hebben we inmiddels weet over de ellende die het denken heeft veroorzaakt van de fascistische dictator Benito Mussolini (1883 – 1945), de bolsjewistische dictator en autocraat Jozef Stalin (1878 – 1953), de extreem-racistische nationaalsocialistische provocateur, populist en latere dictator Adolf Hitler (1889 – 1945) en de communist en dictator Mao Zedong (1893 – 1976) om er maar een paar te noemen; er zijn er nog veel, veel meer. “Wees maar voorzichtig met een alomvattende moraal”, hebben zij hun nabestaanden naar mijn hoop geleerd.

Toch handel ik voortdurend door te doen en door na te laten. Hoe bepaal ik de juistheid van mijn handelingen?
Ik heb daarop wel een antwoord: ik weet waarheen ik de mensheid zou willen leiden: wereldvrede. Mijn doen en laten beoordeel ik langs de meetlat in hoeverre mijn handel en wandel op mijn bescheiden plaats tussen de wereldbevolking bijdraagt aan wereldvrede. Ik sluit me daarom vooralsnog wederom aan bij Immanuel Kant, die stelde
– dat de intentie van een handeling belangrijker is dan het gevolg ervan,
– dat we de mens altijd óók als doel op zich en nooit allèèn als middel tot een doel mogen gebruiken, en
– dat wij alles wat wij doen als algemene regel zouden moeten kunnen èn willen laten gelden.
Het is bijvoorbeeld volgens Kant niet goed om te stelen, want de algemene regel ‘Stelen mag’, zou resulteren in een chaotische wereld waarin wij zelf niet zouden willen leven.

Ik kan er wel mee uit de voeten en voor mij is het ondoenlijk pas tot een besluit te komen wanneer ik (nagenoeg) de gehele waarheid ken.

Bronnen: “Filosofie voor het echte Leven” (2015) door de Vrije Academie en Brandstof en College “Hoe doe ik het goed?” door Lammert Kamphuis van de Vrije Academie op 17 december 2015 en https://nl.wikipedia.org op 22 december 2015 en 27 januari 2017.

De kern van dit blog verscheen als blog 266 eerder op de voorloper van deze website, die ‘uit de internet-lucht’ gehaald is.
______________
* De Werkgroep Socialisten in de PvdA gaf tussen 1991 en 1994 een blad uit met de titel ‘Stuitende taferelen’ als woordspeling op het in 1987 verschenen PvdA-rapport ‘Schuivende Panelen’.

Racisme

“Wat kijk jij vrolijk”, was zijn openingszin. We raakten aan de praat. Ik was blij verrast weer eens met het uitdrukkelijk ‘jij’ aangesproken te worden. Dat was lang geleden. En het gebeurt me niet vaak dat iemand zo straight ingaat op wat hij van mij denkt te zien.

Wij wisselden onze leeftijden uit. Dat kwam ter sprake omdat hij dacht even oud als ik te zijn, terwijl ik hem 20 jaar jonger schatte. Hij bleek 10 jaar jonger.

Wat hem dwars zat was racisme. Hij traint al meer dan 33 jaar voetbaljeugd. Vanuit die ervaring vroeg hij mij: “Waarom zijn kinderen helemaal niet racistisch, maar worden mensen dat haast allemaal wel als zij de puberteit bereiken?” Als ervaringsdeskundige kon ik hem over racisme wel iets vertellen; immers, ik ben ook racistisch al probeer ik daar weerstand tegen te bieden. Wanneer ik iemand tegenkom, scan ik razendsnel: man of vrouw? En bijzondere kenmerken neem ik ook direct op: leeftijd, postuur, uitstraling. Ik herken me in die zin in Don Tillman, de hoofdpersoon in de roman “Het Rosie Project” van Graeme Simsion, die bij iedere kennismaking BMI, geslacht en leeftijd schat. Uiteraard zijn gezicht, haardracht, huidskleur, kleding, lichaamslengte, mobiliteit en uitstraling ook van die opvallende kenmerken, wanneer iemand in die opzichten geen grijze muis is.

Het zou mij niets verwonderen wanneer iedereen dat doet.

Het is zoals het is, dat we geneigd zijn elkaar te bestrijden op basis van verschillende ethiek, normen, rituelen, tradities, uiterlijke kenmerken, waarden en wetten, en niet zoals het ethisch beter verantwoord zou zijn. Ook al zijn mensen voor ethisch handelen volgens mij intelligent genoeg.

Racisme. In de Nederlandse media worden mensen vaak benoemd en gediskwalificeerd alsof zij ingezetenen zijn van hun land van herkomst of dat van hun ouders of grootouders (Marokkanen) of alsof zij vertegenwoordigers zijn van een religie (Moslims). Die framing ergert mij. En met de steeds herhaalde standpunten over de zwartheid van de knechten van Sint Nicolaas juist achter ons, meestal zonder op sociale media een oor te hebben voor andere opvattingen, dacht ik natuurlijk de afgelopen tijd ook wel na over racisme. Mengde me zelfs even in de pietendiscussie op Facebook.
Vanuit de biologie meende ik hem wel iets over racisme te kunnen zeggen:
Ik denk dat kinderen fluïde zijn in hun gedrag. Zolang iemand afhankelijk is van anderen, is het voor de overleving van belang om meegaand te zijn en geen weerstanden in stand te houden of op te bouwen. Daarom kan er zo intens van kinderen gehouden worden, denk ik.
Eenmaal op de leeftijd van en in staat tot voortplanting wordt een ander evolutionair mechanisme in werking gezet, te weten het ontwikkelen van sympathie voor de individuen van sommige groepen mensen, terwijl andere groepen mensen ‘vreemden’ blijven.

Ik geloof niet dat er een andere diersoort is, die zich zo kwaadaardig tegen zijn soortgenoten gedraagt als mensen. We weten van enkele huidige conflictgebieden en van genociden in de laatste eeuw, maar dat mensen al sinds mensenheugenis percentages van de gehele mensheid aan hun erbarmelijk lot overlieten, uitbuitten of uitroeiden is, hoewel minder bekend, wel de geschiedenis van de mensheid. Wat racisme betreft is er niets nieuws onder de zon. Helaas.

Ik verklaar dergelijke misdragingen van mensen tegen mensen vanuit een ‘rationeel overlevingsprincipe’ dat met de op Charles Darwins’ veronderstelde evolutieleer samenhangt: de instandhouding van de soort gaat boven de instandhouding van de individu. Hoewel mensen biologisch allemaal tot dezelfde soort behoren, gedragen mensen zich rationeel als soortgroepen. Wij zijn sterk geneigd in ‘wij’ en ‘zij’ te denken. In een wereld waarin ‘de natuur’ en ‘de elementen’ het grootste overlevingsgevaar vormden zou dat onpraktisch zijn. Maar mensen hebben het meest met mensen te winnen en van mensen te duchten. Primair zullen mensen voor hun overleving waarschijnlijk meer gediend zijn geweest met een ongebreidelde menging van herkomsten, ideeën en rassen dan het denken in ubermenschen en untermenschen. Echter, de praktijk is dat eerder op aarde rondlopende mensensoorten, zoals de homo erectus, homo heidelbergensis, homo neanderthalensis en nog zo een stuk of elf, verdwenen zijn. Het is niet denkbeeldig dat de huidige mensensoort, homo sapiens, daarin een hand gehad heeft. Zoals de evolutie zich tot nu toe voltrokken heeft tot de dag van vandaag zullen de evolutionaire mechanismen nog tienduizenden jaren blijven werken. Het is zoals het is, dat we geneigd zijn elkaar te bestrijden op basis van verschillende ethiek, normen, rituelen, tradities, uiterlijke kenmerken, waarden en wetten, en niet zoals het ethisch beter verantwoord zou zijn te handelen zoals vastgelegd in een stuk of 15 verdragen van de Verenigde Naties. Ook al zijn mensen voor ethisch handelen volgens mij intelligent genoeg.
Hij was niet blij met mijn verhaal. Ik ook niet.

Over wat te doen tegen racisme verschilden we van mening. Hij bepleitte een maatschappelijke stage, zodat mensen uit verschillende bevolkingsgroepen meer met elkaar in contact zouden komen. Vanuit mijn militaire diensttijd heb ik zo’n hoopvolle ervaring allang laten varen. Alleen voor werkgevers is een maatschappelijke stage interessant: nòg goedkopere arbeid zonder tegenprestatie of verplichtingen. Ik geloof dat racisme het best bestreden wordt door onze perspectieven beter te verdelen; verdeel allereerst betaald werk en inkomens (koopkracht) beter, zodat we allemaal gelijkere kansen op een goede kwaliteit van leven krijgen. Pas dan hebben mensen minder van elkaar te duchten dan nu het geval is.
En stop ermee de ogen te sluiten voor wat mensen buiten ‘ons’ gezichtsveld aan vreselijks elkaar aandoen.
Stop met vooroordelen tegen hele bevolkingsgroepen te blijven rondbazuinen.
Besef wat we heel goed weten: dat elk mens uniek is en in essentie hetzelfde nastreeft.

Hoewel dat misschien al wel wat veel gevraagd is, was er nog een opmerkelijk verschil tussen hem en mij. Hij had het over Nederland; ik heb het over een mondiale kwestie die wat mij betreft heel snel om actie vraagt en ik vind zo’n verdeling van rijkdom snel nodig zodat ieder nu levend mens op aarde perspectief krijgt op een goed leven.

De burger heeft behoefte aan ideologie, ook al weet-i dat niet

Pensioengerechtigden worden gekort op hun pensioen, waarop bovendien pas op latere leeftijd recht bestaat dan eerst. Werknemers hebben steeds minder te besteden. Werkzoekenden worden gekort op hun uitkering. En voor iedereen, met een inkomen onder een zekere inkomensgrens, lopen de schulden op, terwijl aandeelhouders en miljardairs ongegeneerd binnenlopen. Dit is mijn economische karikatuur van onze samenleving.

‘De burger’ is door de ontwikkelingen binnen onze samenleving ontevreden. En hoe uit hij als ‘electoraat’ zijn frustraties hierover: door een tegenstem en angstvallig vast te houden aan de zwartheid van Piet. India zegde in augustus jl. 57 handelsverdragen op uit frustratie over de arbitragehoven waar bedrijven steeds exotischer claims aanhangig maakten. Vorige maand leek Wallonië even op het Gallische dorpje uit Asterix en Obelix, dat dapper weerstand bood aan het grootkapitaal toen de socialistische regering weigerde het CETA-verdrag met Canada te ondertekenen. Het TTIP-verdrag tussen Europa en de Verenigde Staten stond al op losse schroeven en lijkt met de in januari a.s. te installeren Amerikaanse president Trump definitief van de baan. Handelsbeleid lijkt niet langer een onderonsje tussen technocraten, maar een zaak waar de burger zich mee wenst te bemoeien. Zo koos de Nederlandse burger ooit tegen de Europese Grondwet, en onlangs tegen het Oekraïneverdrag, de Engelse tegen een Bremain en de Amerikaanse tegen Hillary Clinton. Of voor Donald Trump, wie zal het zeggen?

En wanneer CETA geratificeerd wordt, hoeven Amerikaanse bedrijven alleen maar een vestiging in Canada te openen – als ze die daar al niet hebben – om met CETA conform TTIP in de watten gelegd te worden.

Zoals ik de Nederlandse politiek volg, lijkt bovenstaand besef bij onze politici nog nauwelijks doorgedrongen. Daardoor voorzie ik dezelfde reacties na 15 maart 2017, wanneer de PVV een historische verkiezingswinst haalt, als waar we in de media na 8 november jl. na de Amerikaanse presidentsverkiezing getuigen van mochten zijn.

Het ligt dan ook in de aard van mensen om als de oplossing van een probleem niet werkt, meer van dezelfde oplossing aan te bieden in plaats van nieuwe oplossingsrichtingen te zoeken. Tijdens de campagnes worden we ineens allemaal toegesproken als ‘hardwerkende Nederlanders’ waarnaar geluisterd moet worden en die respect verdienen. En na de verkiezingsuitslag moet ons ontslagrecht nòg verder afgebouwd worden en mogen we misschien wel 150 km/uur op snelwegen gaan rijden. Het eerste is vrijwel zeker, het laatste ongewis; wie zal het zeggen?

De zogenoemde ‘vrijhandelsakkoorden’ tussen staten (CETA, NAFTA, TTIP en TTP) zijn in werkelijkheid protectionistische bedrijfsovereenkomsten om de privileges van investeerders tegen de inmenging van democratische overheden te verhinderen. Ik heb hier al eerder betoogd dat het doorgaan met onderhandelen, nadat ISDS op tafel kwam, in mijn ogen verraad is aan ons; aan onze democratie. Maar, terwijl de zwartheid van Piet emotionele gevoelens opwekt, bespeur ik over dit werkelijke verraad van onze gedeelde waarden nagenoeg geen ophef. Vandaar dat ik geen enkele positieve verwachting heb van de Nederlandse mainstream-politieke partijen, die CETA en TTIP blijven framen als ‘vrijhandelsakkoorden; goed voor banengroei en de economie’.

Ik geloof er niets van dat de heer Wilders in deze problematiek uitkomst biedt.

Het zijn geen ‘akkoorden’ en ze gaan nauwelijks over ‘handel’. Ze zijn (CETA) en worden (TTIP) in het grootste geheim onderhandeld tussen juridische adviseurs van de financiële sector, die van grootbedrijven/multinationals en vertegenwoordigers van de betrokken staten en gaan over de bescherming van privileges en rechten van investeerders. Deze verdragen beogen een verzekering voor grote investeerders tegen elk risico op overheidsinmenging voor zaken zoals
> de bescherming van de consument,
> het behoud van culturele rechten,
> de bescherming van de kleine en middelgrote ondernemingen,
> de bescherming van kleine zelfstandigen,
> de bescherming van zelfstandige landbouwers,
> de bescherming van het leefmilieu,
> sociale bescherming en
> de bescherming van voedselveiligheid.
Dat zijn immers allemaal zaken die de investeringen van deze bedrijven kunnen schaden en hun winsten kunnen doen afromen.

Dat deze bedrijven stuk voor stuk te groot worden om failliet te gaan en dus in geval van nood staatssteun nodig hebben, dat de werknemers het met steeds minder rechten moeten doen, dat de werkzoekenden vrolijk kunnen blijven zoeken, dat de zelfstandige ondernemer naast de multinational op deze manier weggeconcurreerd wordt; dit alles blijft in alle politieke beschouwingen onbesproken. Het is gebeurd, het gebeurt. En wanneer iemand dit zegt, wordt hij een pessimist genoemd die de economie niet begrijpt (maar die de gevolgen van ons economisch beleid wel maandelijks ervaart bij het moeten rondkomen). “Goed voor de multinational is goed voor iedereen”, zeggen de mainstream-economen en politici hier al jaren terwijl de realiteit voor de burgers een heel andere is.

Voor de ernst van TiSA heb ik in dit stukje geen tijd, maar dat is zo mogelijk nog gevaarlijker vanwege het niet kunnen terugdraaien van TiSA-besluiten.

Wat mij betreft zou de campagne voor onze Tweede Kamerverkiezingen dus meer over inhoud moeten gaan. De humanitaire ramp, welke zich momenteel in Griekenland afspeelt, laat het werkelijke gezicht van de Europese Unie en haar geldschieters ECB en IMF zien. Hoewel we niet diezelfde kant op willen, lijken we door de blindheid van de mainstream-politieke partijen hard op weg om de toekomst voor de generaties na ons er een te maken naar EU-Grieks-model van “kop houden, doe wat je opgedragen wordt in de tijd die je krijgt en anders hang je.” En ik vraag me sterk af of de PVV hier nu wel het juiste antwoord op heeft. En ik vind dat zij op de ontevredenheid van de burger niet een juist antwoord geeft, omdat er in dit tijdgewricht volgens mij juist snel iets echt constructiefs nodig is.
Ik bedoel: Ik geloof er niets van dat de heer Wilders in bovenstaande problematiek uitkomst biedt. Maar CDA, D’66, PvdA en VVD ook niet. Dat is volgens mij hetzelfde probleem als waar veel Amerikaanse kiezers zich 8 november voor geplaatst zagen. Zij kozen liever voor een verderfelijke ideologie dan zich te blijven voegen naar het steeds ongeloofwaardiger praatje dat wat goed is voor de economie, goed is voor iedereen.

Bronnen: “Eerst m’n baan terug! Vrijhandel, het heilige neoklassieke huisje” door Jaap Tielbeke in De Groene Amsterdammer via http://www.groene.nl op 23 november 2016 en “TPP-TTIP out? Leve TiSA-CETA!” door Lode Vanoost in De Wereld Morgen via http://www.dewereldmorgen.be op 25 november 2016.

Dit, overigens, is mijn 50ste blog op deze website.

Toegeven aan driften

Vanaf het betreden van de zaal waren we eergisteren getuige van een orgie. We zien drie vrouwen en een man. Evgenia Brendes danst daarbij continu en onnavolgbaar lenig. Ze houdt dat bewegen en dansen overigens heel de voorstelling vol. Hoewel haar doorlopende vertaling van het verhaal niet te verstaan is, blijft ze heel de voorstelling boeien door overtuigend toneelspel. Maar nog even terug naar het begin. De orgie gaat maar door en ik begin me af te vragen of we er wel goed aan gedaan hebben om hier naartoe te gaan.

Dat hebben we. De hedendaagse vertaling van Euripides’ “De Bacchanten” van ‘Le mouton noir’ wordt voor mij boeiender naarmate de tijd vordert. Eerst die orgie, dan worden flarden van de Griekse mythologie uitgebeeld en voorgedragen. Bijvoorbeeld het verhaal dat Pentheus, gespeeld door Bas Zemering, die tijdens de jacht zijn eigen kind aanziet voor een leeuwenwelp. Hij neemt de leeuwenkop of zo u wilt het mensenhoofd als jachttrofee mee naar huis. Wanneer hij achter de waarheid komt, is het te laat. Flarden verstaanbaar en onverstaanbaar volgen elkaar op totdat een ongewone vreemdeling (in werkelijkheid de god Dionysos, en in nog werkerlijkerheid heel mooi vertolkt door Khadija El Kharraz Alami) vanuit Azië in Thebe aankomt. Dionysos staat aan het hoofd van een menigte vrouwelijke volgelingen, de Bacchanten, waartegen koning Pentheus zich heftig afzet. Hij licht het publiek in over de in zijn ogen immorele trekken van wat voor de Bacchanten gewoon is. En hij wil er niets van weten wanneer later Bacchant Scarlet Tummers het publiek het andere verhaal van de Bacchanten vertelt. Dat lijdt wanneer hij haar door het publiek achtervolgt om haar de mond te snoeren tot komische taferelen. Wanneer Pentheus uiteindelijk hardhandig wil optreden tegen de “uitspattingen” van de Bacchanten, geeft de vreemdeling uit Azië hem de raad om ongezien de orgieën bij te wonen. Wanneer hij dat doet, wordt Pentheus door zijn eigen Bacchant-moeder Agave en andere Bacchanten wreed verscheurd. Zijn moeder zag hem – in haar extase – op haar beurt ook aan voor een wild dier. En wanneer daarna de acteurs, die heel de deels geïmproviseerde voorstelling van een ontspannen professionaliteit getuigen, de voorstelling stil leggen, blijkt dat de opmaat voor een voor mij overweldigend schouw- en luisterspel.

Wie is uw Dionysos? Wat is uw roes?

“De Bacchanten” laat een strijd zien tussen chaos, culturen, families, gezag en orde. We willen stuk voor stuk geluk, veiligheid en vrijheid, maar de manier waarop we die proberen te bereiken is door opsluiten en buitensluiten. ‘Le mouton noir’ (Het zwarte schaap) doet een wat mij betreft geslaagde poging een verhaal te vertellen dat de brute strijd tussen verschillende waarheden overstijgt. Deze Bacchanten brengen ons een actuele blik op cultuur, geloof, riten en viering, vertelt het programma. Een viering als masker voor de innerlijke onrust die in ons leeft. Wat mij betreft maken de 4 jonge acteurs deze belofte waar.

Tot 24 oktober a.s. nog te zien in Rotterdam en Leiden. Klik hier voor hun agenda.

Bronnen: “De Bacchanten” van ‘Le mouton noir’ via https://www.theaterkikker.nl en diverse treffers via https://nl.wikipedia.org; allemaal op 30 september 2016.