Oordeel alleen met een gezond wantrouwen in de eigen gelederen

We praten over nepnieuws alsof er ‘objectief feitelijk nieuws’ bestaat. Dat laatste lijkt mij een arrogant-bedroevende overschatting van onze kennis over ‘de’ werkelijkheid. Vertel zelf maar eens een verhaal zonder positie te kiezen. Het lukt u niet!

In 1984 liep ik vanuit de Utrechtse universiteit stage bij het openbaar lichaam Rijnmond; de stadsprovincie in oprichting die nooit een zelfstandige provincie geworden is. Een van de projecten was de Tweede Maasvlakte. Op onze kamer, die ik met 3 andere medewerkers deelde, stond anderhalve meter aan rapporten daarover. Mijn stagebegeleider deed er schamper over, zoals hij zich vaak geringschattend uitliet over technocratische regels. Ik vroeg hem waarom hij neerbuigend deed over deze onderzoeksrapporten en wierp hem tegen dat het toch belangrijk is dat alle risico’s, tegens en voors geïnventariseerd worden?
Hij antwoordde dat het bij beleidsmakers en bestuurders ontbreekt aan visie op maatschappij, mens en natuur; het ontbreekt bij hen zelfs op al die vlakken aan basale kennis. Daarom onderzoeken ze van alles en nog wat, brengen die onderzoeken terug tot een half A4-tje en nemen op basis van emoties beslissingen. Hij vervolgde te vertellen dat nagenoeg heel deze anderhalve meter aan rapporten ongelezen de papierversnipperaar ingaat. Zelfs van de conclusies wordt hooguit slechts een regel gebruikt bij beslissingen.

Kortom niet feiten, maar verhalen vormen de drijfveer van elk maatschappelijk debat.

En of we het nu over Halbe Zijlstra hebben die erbij was toen Poetin zijn expansiedrift toelichtte; het is niet nieuw, het is niet oud, het is nooit anders geweest. Helaas kunnen we bestuurders, waarvan bekend is geworden dat zij eens anderen bedrogen, niet serieus nemen; ze zouden een voorbeeldig leven moeten leiden al denkt onze minister-president daar anders over. Kom er maar eens om. Zouden we de afscheidsspeech van de heer Zijlstra serieus nemen, dan roept dat de vraag op hoe hij het ambt van minister dan heeft kunnen aanvaarden. Tegelijkertijd doen regeringen de laatste decennia hun best alle uitkeringsgerechtigden door overheidsdienaren te laten wantrouwen, want zoals de waard is ….

We zouden ons bovendien moeten afvragen of het vertellen van een halve waarheid minder erg is dan het vertellen van leugens. Maar wanneer we ‘halve waarheden vertellen’ ook als reden tot ontslag van ministers en staatssecretarissen zouden opvoeren, welke enkelingen mogen er dan nog wèl besturen? Ook Alexander Pechtold, Arie Slob en Sybrand Buma geloven in de verhalen die ze vertellen, ook op die aspecten die strijdig zijn met de werkelijkheid van velen zoals het belang dat we hebben de dividendbelasting voor buitenlandse investeerders ten koste van ‘onze’ schatkist te verlagen. Overigens, u en ik geloven net zo goed in onze respectievelijke verhalen!

Hoe doen we dat: eerst stellen we de kenmerken van een groep vast: aandeelhouders, arbeidsongeschikten, flexwerkers, harde werkers (hetgeen een aanduiding is voor werkenden die daarvoor betaald worden), immigranten, jongeren, kinderen, mantelzorgers, ondernemers, ouderen, Russen, schuldenaren, starters op de arbeidsmarkt, studenten, vakbonden, verstandelijk beperkten. Vervolgens maken we een wij-zij-verhaal: arbeidsongeschikten kosten de samenleving zoveel euro, pensioengerechtigden kunnen langer doorwerken. Gaat het over mensen die deel uitmaken of ooit uitmaakten van andere culturen dan de Nederlandse dan worden de verhalen al snel gelardeerd met bijvoorbeeld ‘gewelddadigheid’ die toe te schrijven is aan brutaliteit, geloofsovertuigingen en ideologieën. Daartegenover wordt dan ‘onze eigen culturele en ideologische achtergrond’ als ‘geweldloos’ en ‘verlicht’ afgeschilderd. Allemaal halve waarheden als het al geen pertinente leugens zijn.

Omwille van ‘ons’ politiek-ideologische verhaal hadden we weinig aandacht voor de slachtoffers van Saddam Hoessein’s moordpartijen zolang Westerse landen hem zijn chemische wapens leverden. Zijn gruweldaden werden pas uitvoerig als genocide bestempeld toen hij plots onze vijand werd na zijn inval in Koeweit. Niet omwille van onze objectiviteit en ‘verlichtheid’ maar vanwege ‘ons’ politiek-ideologisch verhaal kregen we bijna niets te horen over de destructie van erfgoed in Irak door Westerse troepen, maar toen Daesh (ISIL, ISIS of IS) ten tonele verscheen en in Syrië heel wat erfgoed verwoestte, werd dat weer wel breed uitgemeten als een toonbeeld van hun waanzin.

Ik wil er maar mee zeggen: stop de hypocrisie en stel u met gezond wantrouwen ook in de eigen gelederen goed op de hoogte voor u tot een oordeel komt.

‘Eén van de meeste elementaire morele principes is dat van ‘universaliteit’:
de standaarden die we voor anderen hanteren moeten we ook voor onszelf hanteren – of zelfs strengere. Het is echter opmerkelijk in de Westerse intellectuele cultuur dat dit principe zo vaak genegeerd wordt en, indien het soms wordt vermeld, met wantrouwen wordt veroordeeld. Dit is nog beschamender wanneer men graag met de eigen Christelijke vroomheid te koop loopt en dus vermoedelijk op zijn minst al eens gehoord heeft hoe hypocrieten in de evangeliën omschreven worden.’
Naar Noam Chomsky in “Failed States: The Abuse of Power and the Assault on Democracy”(2006), waarin Chomsky bespreekt dat de Verenigde Staten een ‘mislukte staat’ worden en zo een gevaar gaan vormen voor de Amerikanen en de wereld.

Bron: “Niet feiten maar verhalen vormen de drijfveer van maatschappelijke debat” door Jonas Slaats via DeWereldMorgen op 6 februari 2018.

Over de kunst van oud worden

Het is alweer even geleden dat Eos veel aanbidders en minnaars had. Zij was een godin; de godin van de dageraad. Een van haar minnaars was Tithonus en hun liefde was wederzijds. Eos realiseerde zich dat zij een godin was en hij een sterveling wat betekende dat hij haar eens door de dood zou verlaten. Daarom vroeg ze aan Zeus om Tithonus onsterfelijkheid te verlenen. Dat deed Zeus en daarop leefden ze enthousiast in liefde samen. Eos schonk het leven aan een dochter en een zoon. Echter, Tithonus werd steeds ouder en ouder. Zij verzorgde hem totdat zijn stem verdween en zijn lichaam uitdroogde. Ze stond uiteindelijk elke ochtend heel vroeg op zodat ze hem meer niet zou hoeven zien.

Zo, de toon is gezet. Dit stukje gaat over de ‘kunst van het oud worden’, zoals de oud-Romeins advocaat, filosoof, politicus en redenaar Marcus Tullius Cicero (106 – 43 vChr) daar tegenaan keek. Hij zette over oud worden, net als over tal van andere aspecten van het leven, zijn gedachten uiteen; deze voor zijn vriend Titus Pomponius Atticus. Cicero wilde hem en zichzelf met zijn uiteenzetting ‘bevrijden van de last van het oud worden’. Immers, zo redeneerde hij, voor de meeste mensen is ouderdom een last die ‘zwaarder weegt dan de Etna’.

De meest geschikte wapens voor een prettige beleving van de ouderdom vindt Cicero ‘de vrije kunsten en de beoefening van deugden’. ‘Als je daaraan in elke levensfase veel aandacht hebt besteed dan zullen ze na een lang en intens leven de prachtigste vruchten voortbrengen’.

‘De naderende dood verdient geen aandacht, want hoewel de dood voor ouderen steeds dichterbij komt, is een oude man deerniswekkend als hij in zijn lange leven niet ingezien heeft dat we de dood moeten laten voor wat hij is. De optimale grens voor het leven is gewoon bereikt wanneer het door de natuur samengestelde werk weer ontbindt terwijl je geesteskracht nog intact is en je zintuigen niet wankelen’.

‘De mens heeft van de natuur, of van een godheid, niets prachtigers gekregen dan zijn verstand. En dat goddelijk geschenk, die gave, kent geen grotere vijand dan genot. En juist de ouderdom kent geen vormen van genot waar nog speciaal naar gehunkerd wordt: geen steeds bijgevulde bekers, geen luxe diners en afgeladen tafels, geen slapeloze nachten en moeizame spijsvertering. Genietingen hebben bij ouderen gewoon niet zo’n groot prikkelend effect meer en van hetgeen waarnaar je niet heel sterk verlangt, heb je ook geen last’.

‘De ouderdom ontneemt ons onze activiteiten, tenminste de activiteiten die horen bij jeugd en kracht. Wie zegt dat ouderdom en activiteiten niet samengaan heeft daarentegen volgens Cicero gèèn argumenten. Je moet gebruik maken van wat voorhanden is. Bij alles wat je doet moet je handelen naar je krachten en bij grote activiteiten tellen toch niet zozeer beweeglijkheid, fysieke kracht of snelheid, maar veel eerder gezag, oordeelsvorming en wijs beleid? En juist die kwaliteiten nemen als het meezit naarmate we ouder worden alleen maar toe’.

‘Voor mensen die van zichzelf niets hebben wat helpt om goed en gelukkig te leven is elke leeftijd bezwaarlijk. Maar, redeneert hij, zoek je alle goeds bij jezelf dan kan wat noodzakelijkerwijs van nature komt nooit iets slechts lijken. En nu net ouderdom is bij uitstek een natuurlijk gegeven: Iedereen hoopt een hoge leeftijd te bereiken’, Lang zal hij leven! ‘maar zodra die is bereikt, spreekt men er kwaad van’. ‘Een mens heeft genoeg geleefd, vertelt Cicero zijn vriend Atticus, wanneer hij al zijn interesses voldoende heeft gevolgd; niemand wil Tithonus’ voorbeeld volgen’.

En tenslotte heeft hij nog een tip voor ouderen: ‘De aarde weigert nooit een opdracht en geeft wat ze heeft ontvangen nooit terug zonder rente; altijd met extra opbrengst, soms klein en meestal groot. Vandaar dat het boerenbestaan dichtbij de levenswijze van een oude wijze komt’, adviseert Cicero.

Ik vermoed dat Cicero nog steeds niet is overtroffen; zeker niet in optimisme. Hij schreef dit boek overigens nadat hij bestuurlijk uitgerangeerd was en nadat zijn leven zelfs ternauwernood ‘gespaard’ bleef door Julius Ceasar. Eerst had hij toen op zich genomen om buiten Rome in Tusculum inzichten uit de Griekse wijsbegeerte naar het Latijn te vertalen (om herinnerd te worden met eeuwige roem). Vlak nadat zijn geliefde dochter Tullia was overleden begon hij, vlak voor zijn dood, aan dit boek dat hij op 62-jarige leeftijd voltooide.

Bron: dit is mijn samenvatting van “De kunst van het oud worden” (44 vChr) door Cicero, 95 door Vincent Hunink vertaalde pagina’s en in 2017 uitgegeven door Athenaeum – Polak & Van Gennep in Amsterdam.

Een bijzonder gesprek

Vorige week vrijdag was ik getuige van een bijzonder gesprek.

Het was koud en ik moest wat inkopen doen. Een neef is binnenkort jarig, zijn zoon ga ik binnenkort zien en zijn moeder is herstellende van een operatie. Ik zal ze alle drie zien. Dan vind ik het leuk iets mee te nemen. Voor het gebaar. Ik liep dus door Utrecht richting De Wijze Kater, want ik verwachtte daar of daar in de buurt wel te slagen. En zo geschiedde, dus tot zover niets memorabels.

Dat ik goed geslaagd was, was een reden om nog lekker ergens iets warms te eten en te drinken. Ik week af van mijn geijkte route en verdwaalde in de buurt van de Oudegracht. Ik weet dat ik vlak langs het water liep. Het was een smal pad met bomen ter hoogte van en aan de waterkant langs de Lijnmarkt. Daar was ik al lange tijd niet meer geweest. Er stond een deur open. Ik dacht van een horecagelegenheid. Daar ging ik naar binnen voor mijn traktatie aan mijzelf. Ik bevond me in een lange gang met ledverlichting aan een kant. De kleuren veranderden steeds. Ik nam een deur naar rechts en liep richting een brandende vintage schemerlamp. Die bleek een hal te verlichten met enkele deuren. Ik woon nu al sinds 1975 in Utrecht, maar dit heb ik nooit geweten. Vanaf de Lijnmarkt ga je de trap af naar het water van de Oudegracht en dan loop je naar rechts en neemt even verder een deur rechts. Er bevindt zich een wereld onder de Utrechtse binnenstad. Op goed geluk nam ik afgelopen vrijdag de vierde deur, want toen ik de derde deur opendeed was het daarachter pikdonker. Achter de vierde was het ook niet goed verlicht, maar ik kon de contouren van de gang redelijk zien. De gang kronkelde. Ik realiseerde me dat ik door het gekronkel mijn richtingsgevoel kwijt raakte. Ik liep naar beneden. Langs een brandende kandelaar. Na een tijdje langs nog een. Er waren soms keuzemogelijkheden waardoor ik me bedacht dat Theseus, door Ariadne met een zwaard en kluwen wol geholpen, de weg uit het labyrint wel zou vinden, maar dat ik hier weerloos dieper en dieper een gangenstelsel inging, zonder besef hoe er ooit weer uit te komen. Dat dat goed gekomen is, bewijst mijn verhaal dat ik u nu nog kan vertellen, maar op dat moment begon ik me onzekerder en onzekerder te voelen. Door nieuwsgierigheid net iets harder vooruit gedreven dan door angst terug liep ik verder. Ik hoorde gedempte stemmen van kinderen en volwassenen. Daaruit maakte ik op dat ik me wellicht ergens in de buurt van DOM-Under onder het Domplein bevond. Maar mijn tocht was nog lang niet ten einde. De stemmen dempten totdat ik ze niet meer hoorde. Ik vroeg me steeds serieuzer af wat ik aan het doen was. Af en toe liep ik langs een fakkel, en die werden brandend gehouden, wat me weer gerust stelde. Ik zag vaag een teken aan de wand. Een symbool voor vrouw, met onderaan het plusje twee vleugels en door de cirkel een veeg. In het midden van de cirkel een stip. Dat moest het teken van de Rozenkruisers zijn; een geheim genootschap zoals de Vrijmetselaars en de Orde van de Gouden Dageraad.

Bij een volgende fakkel rustte ik even uit, maar naarmate ik mij meer realiseerde hoe kwetsbaar ik was, werd ik banger in plaats van dat ik tot rust kwam. Aangezien ik nimmer de weg terug zou vinden, besloot ik mijn nieuwsgierigheid dan maar te bevredigen. Ik liep door. Merkwaardig toch, zo’n hele onbekende wereld te betreden onder de stad die ik wel redelijk ken. Nu kwam ik door een aantal hallen met deuren. Ik zag in een van die hallen stro waarop kennelijk geslapen was. Er lagen wat kledingstukken bij. Ik kwam in een mooie hal met een fontein, waar vers brood op een bankje lag. Ik nam er een stukje van. Verderop lag een hond aan de ketting. Het beest gromde of blafte niet, maar hield me goed in de gaten. Ik was blij met die ketting. Toen kwam ik in een gang rondom een mooie hal, met hier en daar open vensters tussen de hal en de gang. Verderop in die gang, ze hadden mij niet gezien, liepen twee vrouwen in lange gewaden met dienbladen. De ene had bekers op haar dienblad en de ander een bergje van iets. Zij betraden de hal waar kennelijk vergaderd werd en bleven aan de kant staan. Een man stond en sprak, de anderen zaten. Ik kon iets van hun bovenlichamen waarnemen. Ze waren duidelijk in conclaaf.
… vijf dagen vooraf gegaan, waarin alles werd gemaakt, maar dat is minder van belang voor ons onderwerp“, vertelde de staande man voordat hij ging zitten.

Het bleef geruime tijd stil.

Dank Daniël”, sprak een witgeklede man met een witte baard. Door een venster zag ik de vrouwen met hun dienbladen nu hun nering uitdelen aan de mensen in de hal. Daarna at en dronk iedereen; enkelen fluisterden met elkaar.

Atho”, sprak de witbebaarde man na even.

Het bleef weer even stil.

Dank”, sprak toen de man, die kennelijk ‘Atho’ heette nadat hij opgestaan was, “Dank voor uw uitnodiging en dat ik hier het woord mag voeren enzovoort, enzovoort.
Er zijn natuurlijk verhalen over mensen die voortkomen uit planten of zaden, of mensen die voortkomen uit de aarde zelf, die dan ‘Moeder Aarde’ genoemd wordt, maar daarmee zijn wij niet groot gebracht.

Wij zijn ermee grootgebracht dat mensen uiteindelijk voortkomen uit twee boomstammen. Deze boomstammen werden door de goden omgevormd tot een man en een vrouw. U moet weten, dat er eerst een Oerreus was, vergelijkbaar met de oerknal waar tegenwoordig door de mensen over gesproken wordt. Die oerreus heette Ymir. Hij was alleen als reus op de aarde en schonk daarom het leven aan de Vorstreuzen. Dat was op aarde de eerste gemeenschap buiten het planten- en dierenrijk. Zij hadden het goed met elkaar maar leefde zoals reuzen doen, niet in overeenstemming met hun omgeving. Er was iets anders nodig voor de aarde, waardoor de goden geboren werden. Het antwoord op de vraag hoe dat gegaan is, moet ik u allen schuldig blijven, want over de oorsprong van de goden hebben wij geen verhaal. Echter, zij leefden pas nadat de Vorstreuzen niet in overeenstemming met de hen omringende natuur leefden. De goden schiepen op hun beurt dwergen die de hemel vasthielden. En toen dat alles voltooid was en goed werkte, schiepen de goden de mens dus uit twee boomstammen.

Het bleef geruime tijd stil. Ik vond het een mooi verhaal en maakte wat aantekeningen om belangrijke details te kunnen onthouden.

Dank, Atho”, sprak de wit bebaarde man, “U heeft mooi gesproken. Wie wil er nog iets eten of drinken?” Enkelen wilden dat en de vrouwen kwamen weer met beladen dienbladen langs. Ik zag ook een man met een leeg dienblad, die de lege bekers, borden en het gebruikte bestek meenam.

Tenzin”, sprak de witbebaarde man.

Dank”, sprak toen de man, die kennelijk ‘Tenzin’ heette, “Dank voor uw uitnodiging en dat ik hier het woord mag voeren enzovoort, enzovoort.

Er zijn natuurlijk veel verhalen en wij tasten in het duister over de eeuwige waarheid. Wat wij onze kinderen vertellen en wat wij gehoord hebben van onze ouders, die het weer van hun ouders vernamen is het volgende.”

Gesar is bij ons een belangrijke historische figuur, die geboren is uit de leider van de stammen in Gling, dat ook wel Ling genoemd wordt, en de naam ‘Seng blon’ droeg en een nagaprinces uit de onderwereld die uitgezocht was door Padmasambhava. Laatste is een god, die de taak op zich nam het volk van Gling te bevrijden van demonen en kwade krachten, nadat de goden smeden de opdracht hadden gegeven om vogeleieren te openen. Uit deze vogeleieren zijn de zes stammen van ons volk voortgekomen.

Het bleef weer geruime tijd stil. De witbebaarde man mompelde: “Dank, Tenzin”, en vervolgde, “mag ik uw verhaal samenvatten met ‘Uit vogeleieren, die door smeden in opdracht van goden zijn geopend’?

Er is meer over te zeggen, maar u heeft de kern uitstekend samengevat, Baniti”, sprak Tenzin.

Na een stilte nam de witbebaarde man, die kennelijk ‘Baniti’ heette, het woord:
Ik stel voor direct het woord te geven aan Raisha.
Er werd instemmend gemompeld, waarop Baniti luid sprak: “Raisha.

De donkere vrouw in het gezelschap stond op en ging er goed voor staan voordat zij begon te spreken. Haar benen iets van elkaar en met een rechte rug schraapte zij haar keel.

Dank voor uw uitnodiging en dat ik hier het woord mag voeren, enzovoort, enzovoort.

Wij geloven dat mensen voortkomen uit de onderwereld. Echter, om vanuit de onderwereld de aarde te bevolken is haast onmogelijk. Eerst is er de weg naar de bovenwereld, hier boven ons. Dan is er nog de andere wereld van de aarde waarin de mensen uit de onderwereld niet kunnen overleven. Onze schepper, de spin-grootmoeder, is er één keer in geslaagd om mensen vanuit de onderwereld naar het Zuidwesten van ons continent te leiden en hen onderweg te leren om te gaan met alles wat de aarde ons biedt.

Helaas kan ik u bij gebrek aan gegevens niets belangwekkends vertellen over de onderwereld.

Het bleef weer geruime tijd stil.

Dank, Raisha”, sprak Baniti, “U heeft mooi gesproken. Wie wil er nog iets te eten of te drinken?” Enkelen wilden dat.
Laten wij ons ook vertreden”, sprak Baniti en iedereen stond op en liep zwijgend in alle rust kriskras door de ruimte om even later weer ergens, kennelijk op een willekeurige plaats, aan de tafel plaats te nemen. De vrouwen kwamen weer met beladen dienbladen langs en de man met een leeg dienblad, die weer in alle rust de lege bekers, borden en het gebruikte bestek meenam.

Jiba”, sprak Baniti.

Een andere donkere vrouw stond op en sloeg haar ogen neer.

De regenboogslang is onze oergod, maar laat mij u allereerst bedanken voor de uitnodiging hier het woord te mogen voeren enzovoort, enzovoort. Deze regenboogslang slikte eerst de mensen in, om ze later op het land uit te braken, waarna zij het land bevolkten.

Vervolgens nam zij weer plaats.

Dank Jiba, u heeft geen woord teveel gezegd en toch alles verteld wat wij wilden weten. Nestor, wat is uw verhaal?

Een jongeman stond op en begon al te praten, voordat hij goed en wel stond, maar ik kon hem goed verstaan.

In een onzer verhalen heeft Promethuis mensen uit klei gemaakt. Hij had het voorrecht om uit klei mensen te scheppen van Zeus ontvangen, dat was of is de zoon van Kronos die door de nieuwe goden verslagen was.

Echter, onze historische dichter Hesiodos wist ons te vertellen dat het iets meer om het lijf had. Zowel Kronos als Zeus schapen opeenvolgende rassen onder de mensheid: zo werd in de IJzertijd het menselijk geslacht geboren om te zwoegen. Gezinnen vielen uiteen onder al dit lijden en het kwade overwon het goede.

In de Heldentijd daarvoor werden de helden geboren uit menselijke moeders en goddelijke vaders. Velen van hen sneuvelden in de strijd. Voor enkelen van hen was dit een goede ruil, omdat zij na hun dood kwamen te leven op de Eilenden der Gelukzaligen. Daarvoor nog werd ontdekt hoe van stenen brons te maken en te bewerken. In de Bronstijd voerden mensen voortdurend oorlogen met elkaar tot zij bijna allemaal ten onder gingen aan hun gezamenlijk geweld tegen elkaar.

Daarvoor, in de Zilvertijd, genoten mensen van een lange kindertijd, maar eenmaal volwassen veronachtzaamden de mensen de goden en zij zijn daarom door Zeus zowel geschapen als vernietigd. De mensen uit de Goudtijd voor de Zilvertijd, die het prettig hadden met elkaar, zijn ooit door een aardbeving of overstroming weggevaagd van de aarde.

Daarna bleef het weer stil en de jongeman ging zitten. Ik begon honger te krijgen en besloot de rest van de verhalen niet af te wachten. Hoe ik na een lange tocht – dat weet ik wel – in Utrecht teruggekomen ben, weet ik niet meer. Ik ging een deur door en stond ineens in de Domkerk. Ik keek achterom en zag geen deur, maar een altaar. Ik wist toch zeker dat ik daardoor in de kerk terecht gekomen was, maar kennelijk was de deur alleen een uitgang.

Overigens bleek mij later dat Atho het verhaal over de oorsprong van de mens vertelde uit de Noords/Germaanse historie, Tenzin het Tibetaanse verhaal, Raisha dat van de Noord-Amerikaanse Hopi-indianen, Jiba het Australische Aboriginal-verhaal en de jonge Nestor dat van de oude Grieken.

Wat mij, na dit alles meegemaakt te hebben, nog steeds ontroert was een groep mensen gezien te hebben, die naar elkaar luisterden. Wat een mooie ervaring was dat.

De eerste familiereünie

De Bruine Vloot, dat leek mij leuk. Heel de familie in Harlingen aan boord. Stukje varen over de Waddenzee. Stukje droogliggen met een picknick op het wad. En weer terugvaren naar Harlingen. Dus nam ik contact op met De Bruine Vloot. Maar dat ging mij niet makkelijk af. Uiteindelijk was zo de zomer voorbij zonder dat ik iets georganiseerd had.

Met een nichtje van me had ik het er op een verjaardag over gehad dat een familiereünie een goed idee zou zijn. Wellicht dan iets waarvoor we minder van het weer afhankelijk zijn. En zo passeerde de winter zonder dat ik iets georganiseerd had. Het voorjaar brak alweer aan voor ik er erg in had. Dan toch De Bruine Vloot?

Elke 12 weken eet ik met mijn broers en deze familiereünie gaat uiteindelijk nog maar om ons drieën, onze partners en eventueel onze ex-partners, onze kinderen, hun partners, en onze kleinkinderen, die gezien hun jonge leeftijd naar verwachting nog geen vaste partners zullen hebben. Alles bij elkaar een stuk of 20 mensen in leeftijd variërend van 9 maanden tot 72 jaar. Ik legde eind april aan mijn broers de mij-tegenvallende voortgang uit van mijn organiseren van een familiereünie. De ene broer zei “Zo, zo” en de andere “Als we nou naar het Nationaal Park De Hoge Veluwe gaan en daar rond een uur of 12 koffie drinken? Dan kunnen we daarna fietsen of wandelen! Ik kan een rondleiding geven. Tussen zeg 4 en 5 kan ieder doen wat-i wil in museum, op terras, alsnog wandelen of juist fietsen. En om 5 uur kunnen we dan net buiten het park de dag afsluiten met pannekoeken. Op weg naar dat pannekoekenhuis kan ik nog iets vertellen over het Dennen Scheren en misschien kunnen we nog getuigen zijn van het burlen van Edelherten.

Verbaasd over hoe broers van dezelfde ouders kunnen verschillen vroeg ik laatste broer of hij een en ander ook wilde organiseren en dat wilde hij.

Zo werden mijn andere broer en ik afgelopen zondag door mijn organiserende broer en zijn vrouw welkom geheten bij Het Parkrestaurant van nationaal park De Hoge Veluwe. Wegens afspraken, gedoe des levens en ziekte waren we dankzij een stand-inn toch nog met 18 mensen bijna compleet. Mijn organiserende broer organiseerde en in de nabijheid werd zelfs door De Overlopers, een Jachthoornblazers-ensemble, een demonstratie jachtmuziek gegeven. We werden door mijn organiserende broer rondgeleid. Hij vertelde verhalen over de locatie waar we waren in vroeger ijstijden en rond 1930 en wat op deze plek daartussen zoals gebeurde; zelfs over het nu en binnenkort. We bezochten een natuur-observatiepost zonder uitzicht op wilde dieren, het bezoekerscentrum annex geologisch en natuurmuseum Museonder, een terras en zagen Edelherten en kuddes hindes grazen (zoekend naar neergelegde appeltjes). De mannetjes burlden af en toe. En we sloten net buiten het park af met pannekoeken. Mijn organiserende broer organiseerde tot op het laatst door, zodat het afrekenen zo eenvoudig mogelijk zou gaan en ik bedankte publiekelijk mijn nichtje voor haar reünie-idee en mijn organiserende broer voor zijn georganiseer.

Sinds nu hebben we een groepsWhatsApp en ontvangen daar leuke foto’s van onze eerste en zeer geslaagde familiereünie op.

Achterover leunen of aan het werk?

Op een feestje is het niet zo handig met andere gasten opgewekt wat nare eigenschappen van de gastheer of gastvrouw te bespreken. Laat staan zoiets aanvallend of met veel nadruk te doen. Het is zelfs sowieso niet handig nare dingen op een feestje te bespreken; daar is het een feestje voor.

En we beschouwen in dit tijdsgewricht alles als een feestje. Met stomme verbazing merken we soms dat in andere delen van de wereld andere normen en waarden heersen, die we dan – zonder ons in zo’n cultuur te verdiepen – prompt ‘achterlijk’ vinden, want wij – voorheen een samenleving van katholieken en protestanten die in elk subgroepje dachten de waarheid gepacht te hebben – kunnen nog steeds niet bedenken dat we nagenoeg niets weten, laat staan dat ‘de waarheid’ gelaagd en in die gelaagdheid tegenstrijdig kan zijn. Waar in deze contreien ooit ‘goed’ en ‘prettig’ volstond, goeden dag, prettige reis, moet nu alles ‘fijn’ of ‘leuk’ zijn.
Ga je gang, heb plezier
Koop je klaar in drie kwartier
Alles kan, alles mag
Morgen is er weer een zondag
.

Mensen met kritiek op de status quo worden alleen geapprecieerd wanneer zij in staat zijn hun bezwaren constructief of humoristisch onder woorden te brengen. ‘We’ mijden boete en schuld en zijn doodsbenauwd voor slecht nieuws. Vandaar dat termen als ‘moeten’ en ‘Pas op’ aversie oproepen; beter is vandaag de dag: ‘Wellicht wilt u eens bij gelegenheid de mogelijke consequenties in overweging nemen zoals eventueel…’. Bij een dwangmatiger woordgebruik worden slecht nieuws-brengers weggezet als ‘boetepredikende dominees’; kortweg ‘dominees’, zeuren of zwartkijkers. Zelfs onze kinderen wordt als ze 10 zijn gevraagd om rond 21 uur eens in overweging te nemen het playstation weg te leggen en naar bed te gaan (waarop die kinderen bijdehand antwoorden dat ze in bed verder kunnen gamen, want het woord ‘spelen’ is uit de gratie).

Nee, kom op ons vrije mensenfeestje niet met onaangename boodschappen! “Niet alles wat ‘waar’ lijkt, behoeft aandacht”, lijkt het nieuwe paradigma.

Daarentegen verklaart de Amerikaanse emeritus-hoogleraar ecologie, evolutiebiologie en natuurlijke hulpbronnen aan de Universiteit van Arizona Guy McPherson* op basis van onjuiste aannames toch dat de mensheid op korte termijn zal uitsterven. Dat wil zeggen vòòr 2030. Als ‘we’ het jaar 2100 halen, mogen we volgens McPherson in onze handjes knijpen.

De Britse kosmoloog, natuurkundige en wiskundige Stephen Hawking* verwacht sinds dit jaar eveneens dat er door inslaande asteroïden, kernoorlogen, catastrofale klimaatveranderingen, genetisch gemodificeerde virussen en nog een handvol andere rampen vòòr 2117 een einde zal komen aan de menselijke soort.

Bedenk hier op aarde met elkaar – naast het nadenken over wat de mensheid vermag – hoe we het op deze aarde zo gaan rooien dat we géén andere planeet nodig hebben.

Daarvòòr verwachtte Hawking het einde van menselijk leven binnen 1.000 jaar. In beide gevallen begint de tijd dus te dringen en in beide gevallen adviseerde Hawking ‘ons’
om alvast de kosten van ruimtevluchten dramatisch terug te dringen,
om goed uit te zoeken hoe we kunnen overleven op planeten als Mars,
om nieuwe planeten te ontdekken die beter bewoonbaar zijn dan de planeten die we nu al kennen en
om nieuwe technologieën te ontwikkelen die ons verder en sneller het universum in dragen.
Hij wijst Mars alvast aan als de planeet die we vooralsnog het best kunnen koloniseren.

Ik zou ons adviseren maar verder na te denken over de menselijke soort die zo machtig is en tegelijk zo weerloos. Zo intelligent en zo in tunnelvisies verstrikt. Zo coöperatief met en vijandig naar elkaar. Zo humaan en zo wreed. Het is voor mij moeilijk voor te stellen dat ‘we’ de problemen, die ‘we’ op aarde veroorzaken, niet mee zullen nemen naar zo’n verre planeet. In de ruimteschepen zullen niet alleen kerngezonde mensen plaatsnemen, maar ook dragers van aids, cholera, hiv en Q-koorts. Hoe gaan ‘we’ ervoor zorgen dat òf Emile Roemer, òf Geert Wilders òf Mark Rutte meereist, dat de geleerden, die meereizen, geen buisje genetisch gemodificeerde virussen in hun bagage mee-smokkelen en dat Donald Trump en Vladimir Poetin hun kernwapens op aarde achterlaten?

Nee, als we dan toch in dit immense universum een steen willen verleggen, stuur dan wat robotten naar Mars, die er daar dan een echt feest van gaan maken en bedenk hier op aarde met elkaar – naast het nadenken over wat de mensheid vermag – hoe we het op deze aarde zo gaan rooien dat we géén andere planeet nodig hebben. Ook al worden daarmee de feestjes, die ideologen, religieuzen en vrije mensen nu elk op hun manier aan het vieren zijn, vast en zeker verstoord.

Bronnen: “Wijs is hij die somber is; Apocalypse when?” door Ralf Bodelier in De Groene Amsterdammer op 16 augustus 2017, “Lokkend ligt” door Joop Visser uit het album ‘Voor zieken en zeevarenden’(2009), naar “De Steen” door Bram Vermeulen uit het album ‘Rode wijn’(1988) en wikipedia op 21 augustus 2017.
__________________
* Een interessante samenvatting van onze uiteenlopende zwartkijkers vindt u in het boek “Het einde van de wereld. Een geschiedenis” (november 2016) door Steven Stroeykens, Uitgeverij Polis in Antwerpen, 336 pagina’s, Nederlandstalig, ISBN 9789463100854; klik hier voor een boekbespreking ervan door André Horlings op Historiek.

Nawoord van de schrijver
Ik heb dit blog bij wijze van uitzondering eens niet in ‘Jip en Janneke-taal’ geschreven. Het gebruik van ‘gewone’, maar voor sommigen wat moeilijke woorden in dit blog doet volgens mij recht aan de inhoud ervan.
GjH

Vrijheid heeft geen betekenis zodra je er niets mee kunt

Laten we een punt in het nabije verleden prikken, zeg 50 jaar geleden. Dat was een wereld waarin staten opereerden voor wie militair geweld de gewoonste zaak van de wereld was – tijdens de Koude Oorlog. Le politique, de overheid, zag zich zo groot als een huis. Maar 50 jaar later zien we dat huis niet meer staan. De overheid lijkt als vanzelf te functioneren, zelfs als ze in werkelijkheid nog steeds heel present is. Ze ligt er niet langer bovenop, maar is er als het ware onder geschoven en vormt nu de sokkel waarop de samenleving stut. Aan het woord is de Franse filosoof, historicus en hoogleraar Marcel Gauchet, onder meer hoofdredacteur van het toonaangevende tijdschrift ‘Le Débat (Histoire, politique, société)’.

Gauchet schetste in 1985 al hoe een door goden en magie bevolkt universum geleidelijk plaatsgemaakt had voor een wereld waarin de mens centraal stond. Het christendom had als religie ‘de ontsnapping uit de religie’ mogelijk gemaakt. Er volgden boeken over onderwijs, mensenrechten en de rol van religie in de democratie. Januari dit jaar sloot Gauchet zijn beschrijving af over hoe het de (Europese) mens was vergaan. “Europa was de wieg van het proces dat we ‘de moderniteit’ noemen.” Volgens Gauchet is ‘het verschrikkelijke’ aan de Europese geschiedenis dat ‘we’ enorme mogelijkheden hadden en die niet hebben benut en ook nù benutten ‘we’ onze mogelijkheden niet. “Kijk maar wat er rond de eeuwwisseling [bijna 120 jaar geleden; GjH] rondliep aan wetenschappers, kunstenaars, musici, schrijvers, filosofen. En niet alleen in steden als Londen, Parijs of Wenen. Maar tot in Oslo! Denk je eens in wat het geweest had kunnen zijn… En ook in Berlijn, voeg ik er aan toe omdat ik zondag nog is de straat stond waar Albert Einstein zijn relativiteitstheorie ontwikkelde. “Wat hebben wij de wereld te bieden behalve een tandeloos humanisme?”, vraagt Gauchet zich af.

Vrijheid heeft geen betekenis zodra je er niets mee kunt

In Nederland bekritiseert column- en essayist Bas Heijne het op individuele zelfontplooiing gerichte ‘verlichtingsdenken’, dat geen oog heeft voor groepsverlangens en collectieve identiteit. Gauchet voegt daar nog een dimensie aan toe: het huidige onbehagen is niet los te zien van de specifieke fase van het moderniseringsproces waar we in verkeren. Want, zo redeneert hij, waren ooit gemeenschap, hiërarchie en traditie bepalend en religie structurerend, nu draait alles om gelijkheid, individualiteit en vrijheid. Het is een proces waarbij de maatschappelijke orde van een ‘heteronome’, waarin mensen onderworpen waren aan veel regels, een ‘autonome’ wordt. Vanaf de jaren zeventig is dat proces volgens Gauchet in het seculiere Europa ‘geradicaliseerd’: in korte tijd viel alles wat het individu nog inkaderde (familie, natie, religie, traditie) weg en daarmee de laatste resten van de heteronome orde. Het individu werd, vrij naar de Franse filosoof en schrijver Jean-Paul Sartre, de ‘onoverschrijdbare horizon’ van onze tijd. Nooit eerder waren we als individu zo vrij en niet eerder kregen we gezamenlijk zó weinig voor elkaar.

Het autonome individu ontleend haar autonomie volgens Gauchet niet aan een economisch model. Het autonome individu is daarentegen volgens hem een idee dat rust op een samengaan van geschiedenis, politiek en recht, dat wanneer ze zich geheel en al openbaart onzichtbaar wordt. Vandaar dat beeld van de sokkel aan het begin van dit stukje: we leven op een sokkel van geschiedenis, politiek en recht en kijken naar boven, naar elkaar en opzij, maar niet naar onder. We hebben er geen idee meer over hoe ‘onze’ samenleving functioneert. Wat rest is volgens Gauchet een diepe onzekerheid en wat in het vooruitzicht wordt gesteld wordt daarbij ook nog eens niet waargemaakt. Zo zijn we volgens hem terecht gekomen in een ‘gevangenis zonder tralies’, maar op een sokkel waar we niet vanaf kunnen.

Bevrijd van het korset van de heteronomie zou de perfecte unie tussen kunnen en weten werkelijkheid worden. Dankzij het begrip over zichzelf en de middelen die haar ter beschikking stonden leek het sinds de ’70er jaren alsof de mensheid voor het eerst in de geschiedenis geheel en al over zichzelf kon beschikken. Maar de realiteit blijkt een heel andere. De mens is tot nogal wat waanzin in staat. Deze kloof tussen gewekte verwachting en problematische werkelijkheid ziet Gauchet als dè bron van de huidige desoriëntatie. Hij geeft het voorbeeld van adolescenten. “Die trekken doorgaans in groepjes op maar zijn aldoor gefrustreerd, omdat het ze zelfs binnen hun kleine groepje niet lukt om het eens te worden over wat ze zullen gaan ondernemen.
Waarom wenden kiezers zich van de politiek af? Omdat politici niets voor elkaar lijken te krijgen als ze eenmaal worden gekozen.
Mensen hechten heel erg aan hun verworven vrijheid en onafhankelijkheid. Tegelijk zijn ze diepgaand bezorgd over een wereld waarin niets mogelijk lijkt wat het individu overstijgt en de wereld kan veranderen;
lees: ‘verbeteren’.

Terug naar de heteronome orde kan in Europa niet. Gemeenschap, hiërarchie en traditie zijn niet langer bepalend en religie is niet meer structurerend. We zullen het met de autonome orde moeten doen. Echter, stellen dat het autonome individu heeft gezegevierd en dat hier de geschiedenis eindigt, is stellen dat er geen revolutionair perspectief meer mogelijk is.

De vraag is nu juist hoe erin te slagen ons in een autonome orde betekenisvol te organiseren. Door heel haar geschiedenis heen heeft de mensheid zich altijd inventief gedragen. “Ik zeg niet”, zegt Gauchet, “dat het ook daadwerkelijk zal gebeuren, maar ik acht de mens in staat de sprong te maken, de sprong naar een hoger niveau van veeleisendheid ten opzichte van zichzelf.” We zouden maar eens moeten beginnen met te erkennen dat neoliberalisme een ideologie als iedere andere is, want vrijheid heeft geen betekenis zodra je er niets mee kunt.

Bron: “Een gevangenis zonder tralies; Marcel Gauchet” slot van een serie over ‘Woede’ door Marijn Kruk in De Groene Amsterdammer van 26 juli 2017.

Onverdeelde aandacht

Een kennis van mij was op zoek naar een andere baan. Dat heb je soms in je leven. Vroeger niet, maar dat was ook wel saai: van je 17de tot je 65ste bij dezelfde werkgever zonder echt vooruit te komen om vervolgens van een schamel maar leefbaar pensioen de laatste dagen zonder verplichtingen door te brengen. Tot mijn vaders voorgeslacht hadden de mannen in mijn stamboom hun leven lang één ambacht.

Mijn kennis wist dat solliciteren alleen onvoldoende kansen op vernieuwing bood, dus hij voerde regelmatig netwerkgesprekken. Zo kwam hij bij een vroegere klant van hem in de werkkamer. Hij had zijn gesprek goed voorbereid en hij was een ervaren marketier dus netwerken was voor hem gewoon.

De telefoon ging en zijn gesprekspartner verontschuldigde zich om vervolgens een vraag van een van zijn cliënten te behandelen. Vervolgens zette de gesprekspartner en mijn kennis het gesprek voort.

De telefoon ging weer en zijn gesprekspartner verontschuldigde zich een tweede keer om vervolgens met zijn leidinggevende een prioritering voor een komende bestuursvergadering te bespreken. Vervolgens zette de gesprekspartner en mijn kennis het gesprek voort.

En weer ging de telefoon en weer verontschuldigde zijn gesprekspartner zich, maar nu was het mijn kennis:
Met Jan Cornelissen, zou ik je even kunnen spreken?
Ja, natuurlijk, Jan, maar, uhhh, je zit hier toch bij mij? Waarom bel je mij?”
Omdat ik even je onverdeelde aandacht wil.”
(zucht) Oh ja. Ik begrijp het. Wacht, ik zet je even in de wacht want er komt net een ander gesprek binnen.

Bron: Mijn kennis, die niet ‘Jan Cornelissen’ heet. Het eind is overigens een idee van een vriend van mij, met wie ik vanmorgen onder meer het imbeciele fair-, i- en smartphonegedrag in het openbaar van onze volksgenoten besprak. In werkelijkheid heeft de gesprekspartner, na de actie van mijn kennis, zijn secretaresse gebeld om nieuwe telefoontjes af te vangen.