Freddie Vork

Ik draag contactlenzen. Tijdens mijn vakantie zag ik, nadat ik ze ingedaan had, oh schrik, met een oog niet scherp. De hoop dat mijn lens bij het indoen mijn tent ingewaaid was, liet ik varen nadat ik mijn tentje 3 keer ‘uitgekamd’ had. Gisteren bestelde ik in Utrecht een vervangende. Daarna dronk ik nog een biertje op de Neude.

Er kwam een soldaat aangefietst. Althans een man in legergroene kleren, groene schoenen, een groene fiets en een bruine bal. Midden op de Neude begon hij met die bal te spelen. Hij deed de meest onmogelijke dingen met die bal: hij liet hem op zijn tenen balanceren, op de wreef van zijn voet, op zijn scheenbeen, op zijn dijbeen en op zijn voorhoofd. Hij liet die bal stuiteren van de ene voet naar de andere, via zijn scheenbeen en liggend op zijn buik naar zijn hoofd en terug; van linker naar rechter schouder en terug; van linker naar rechter elleboog en terug. De bal hoog in de lucht zwiepend, ving hij hem op zo’n manier op dat de bal in een keer tot stilstand kwam op de wreef van zijn voet. Ik dacht nog: “Hij zal bij een voetbalwedstrijd toch je tegenstander zijn… Ik zou niet weten hoe hem de bal af te troggelen”.

Nadat ik van mijn biertje genoten had, liep ik langs hem en vroeg hoe lang hij op al deze kunsten geoefend had. “35 jaar”, was zijn antwoord. Hij bleek ‘freestyler’ Freddie Vork te zijn. Hij was geïnteresseerd in allerlei spirituele stromingen en stoorde zich aan de angst en onnadenkendheid van de mensen, die hij op straat ontmoette, “Wèl vanuit de verte videootjes maken, maar geen contact met mij durven leggen“. De Nederlands radiomaker, ‘spiegeloog’, tijdschriftenmaker, verhalenverteller en Fluxus-kunstenaar Willem de Ridder achtte hij ‘de meest wijze mens van Nederland’. Bij fluxus werden de grenzen tussen beeldende kunst en muziek opgeheven waardoor op 13 november 1964 in het Kurhaus in Scheveningen een Concert voor belegde broodjes en een Concert voor pakpapier opgevoerd kon worden. En zo hadden we nog een heel gesprek. En toen ik de volgende winkel voor een laatste boodschap bezocht, zette hij zijn balgoochelkunsten voort.

En wanneer u zelf zijn onmogelijke balkunsten wilt zien, klik dan hier, dan ziet u ook verschillende plekjes van Utrecht.

Van ‘uit’ weer ‘thuis’

Vorige keer schreef ik erover wat voor mij vakantie is. Ik deed dat aan de hand van een beschrijving van mijn laatste volle dag dit jaar in Italiaanse hooggebergte. Dit keer schrijf ik over mijn terugkeer naar de bewoonde wereld na zo’n ‘weg uit de wereld’-vakantie:

Ik bevond mij 6 september jl. op 2.285 meter hoogte op het Italiaanse Corno Bianco di Pennes-massief. Vanwege pech met mijn schoenen (de zolen lieten los) had ik besloten mijn tocht via ‘Noodplan 2′ af te breken. Zo begon ik ’s ochtend de laatste afdaling. Op een zeker moment zag ik het dal waar mijn auto stond beneden mij liggen. Het dorpje, waarin ik mijn auto geparkeerd had, zag ik niet. Dat lag om een hoekje in dat dal. Ik zag alleen nog de laatste nederzettingen in dat dal dat er uit zag als een goed gelukt schaalmodel. Daar moest ik langs om mijn auto te bereiken.

Dat ik afdalend steeds dichter bij de huisjes kwam, merkte ik nauwelijks. Ik had al mijn aandacht nodig om nogmaals steil naar beneden te klauteren. Een kudde dwerggeitjes kwam op mij afgerend van hoog boven mij totdat zij met hun allen om me heen stonden te blèren. Ik liep over gladde bergalmen. Door het gras op de berghelling moest ik uitkijken niet uit te glijden. Ik mocht ook nog een stukje over een via ferrata; een rotswand waarover een stalen ketting en wat later een stalen kabel gespannen is om wandelaars als ik te helpen ervan af (of erop) te komen. Daar genoot ik volop van. En dan ineens zag ik weer naaldbomen. Schaduw. Om me heen kijkend bleken ze verderop ook al boven mij te staan. En verder en verder afdalend stonden dan plots de huizen en schuren, die ik eerst als kleine gebouwtjes van bovenaf gezien had, aan het eind van een alm. Geen schaalmodellen meer, maar gewone gebouwen. Bij de laatste alm realiseerde ik me: Alleen nog over deze alm en ik ben weer in de gewone bewoonde wereld. Gelukkig zat mijn wandeling er daarmee nog niet op; ik moest nog zeker 3 uur gewoon wandelen voordat ik bij mijn auto arriveerde. Het eerste stuk over een beboste berghelling, later langs bospaden en onverharde wegen en het laatste stukje langs een tweebaans autoweg. Daar kwam ik eindelijk weer mensen tegen.

Aangezien ik vooral behoefte had aan vers fruit en yoghurt, kocht ik dat voordat ik mijn spullen bij mijn auto neerzette. Die stond er gelukkig nog net zo zoals ik hem aan het begin van mijn tocht had achtergelaten. Het zat er op en ik was vooral blij dat ik weer heelhuids en met een hoop fijne ervaringen in de gewone wereld van u en mij was teruggekomen. Ik kon weer contact maken met andere mensen; mensen groeten die ik tegenkwam en bellen, chatten en sms-en met familie en vrienden ver weg.

Na verloop van tijd kwam ik zelfs toe aan het nieuws dat ik gemist had. En het kan toeval geweest zijn, maar het viel me weer op dat via Belgische nieuwsbrengers als ‘De Wereld Morgen’ en ‘Trends’ ik interessanter nieuws over Nederland en het wereldgebeuren vond dan via Nederlandse nieuwsbronnen. Hoogleraar financiële geografie en publicist professor Ewald Engelen is het ook opgevallen dat Nederlands nieuws gaat over meningen en andere items die slechts voor hoge kijkcijfers zorgen. Onaangenaam nieuws, dat het leven van u en mij diepgaand beïnvloedt, wordt als te ingewikkeld beschouwd en van informatie daarover blijven we “verschoond”.

Hoewel ik het liefst direct naar huis wilde, wist ik dat het niet verstandig was dat gevoel te volgen. Eerst nam ik 7 september nog een rustdag waarop ik Bressanone (of Brixen) verkende. Ik kon op een terras weer van een Italiaanse espresso genieten. Dat deed ik daarom ook. Deze rustdag kon ik ook op mijn gemak mijn spullen herschikken en voldoende energie opdoen om de benodigde kilometers ‘te vreten’ om thuis te komen. Op 8 september onderweg at ik als extraatje nog in de oude binnenstad van het Zuid Duitse Kempten. En vannacht om 4 uur was het dan zover. Toen zette ik mijn wasmachine aan. Het gewone leven neemt weer zijn aanvang. Gelukkig kan ik daarvan doorgaans ook genieten. Zeker na weer zo’n geweldige bergtocht gemaakt te hebben als waarover ik gisteren schreef.

Klik hier wanneer u het zeer lezenswaardig verhaal van Ewald Engelen tot u wilt nemen.

Tussen gras, gruis en stenen

Het regende dus ik draaide me nog even om voor een hazenslaapje. Wat later werd ik wakker, misschien wel van de stilte. Ik ritste mijn cabine open en zag dat mijn tent nog nat was. Opnieuw draaide ik me om, maar nu om verder te lezen in De Groene Amsterdammer van 1 september jl.. De regen was kennelijk opgehouden. Na geboeid een of twee artikelen gelezen te hebben vond ik het tijd om mijn spullen in te pakken.

Zo gedacht zo gedaan. Het bleek buiten ijzig koud. Het landschap zag er fenomenaal uit. Ik stond dan ook met mijn tentje op 2.320 meter hoogte bij de twee ‘Steinwandseen’ die deel uitmaken van het massief ‘Corno bianco di Pennes’. Onder de wolken was het helder, zodat ik uitzicht had op de bergen ver weg. Boven mij hing nog een zwarte wolk die aan het optrekken was. Ik besloot mijn winterkleding aan te trekken. En dat in Italië op 5 september 2016.

Nadat alles ingepakt was inspecteerde ik de omgeving waar mijn tent gestaan had en rondom ‘mijn’ kooksteen even verderop aan een beginnend riviertje. Ik had niets achtergelaten, dus kon vertrekken. De dag daarvoor had ik zonder bagage al verkend hoe ik via een mooie route de weg naar het pad terug kon vinden. Deze verkende weg nam ik. Sentimenteel of niet, voor mij is het elke keer ‘afscheid nemen’ van zo’n mooi plekje. Alleen de herinneringen er aan en de foto’s er van neem ik mee.

Na een tijdje klimmen kwam ik terug op ‘het pad’ dat ik gevolgd had voordat ik naar de meertjes afgedaald was. Daar was duidelijk meer gelopen. Het pad voerde me verder en verder het bergmassief op tot ik over de berg heen kon kijken het volgende dal in. Dat is voor mij altijd ook een bijzonder moment tijdens zo’n tocht. Ja, dit soort tochten zit voor mij vol bijzondere momenten. Op een bergrug haal ik een doel en kijk plotseling een volkomen nieuwe wereld in. De markeringen op deze bergrug brachten me in verwarring. Moest ik die volgen of niet? Had ik misschien ergens een afslag gemist? Met mijn kaart bekeek ik ‘Giogo d Frane’, de plek waar ik was, van verschillende kanten. Ineens begreep ik hoe de kaart juist was en de markeringen ook klopten. Mijn handschoenen konden onderhand wel uit; mijn wintermuts bleef op.

Ik volgde een steile afdaling waarin ik 210 meter daalde over 300 meter afstand. Dat bleek zo steil dat de zolen van mijn bergschoenen aan de voorkant er los van raakten. Nog zo’n 500 meter afdalen verderop, daar waar ik weer zou gaan stijgen, besloot ik mijn ontbijt of lunch te gaan gebruiken: water, brood en kaas. Ik berekende waar ik zou overnachten, gezien de hoeveelheid dag die blijkens de stand van de zon nu nog restte. Uiteindelijk bleek dat ik onverwacht 3 kilometer eerder een fantastisch mooi plekje met stromend water tegenkwam. Daar besloot ik mijn tentje op te zetten. Die steile afdaling hakte er niet alleen voor mijn schoenen, maar ook voor mij in. Ik ben dan ook geen 16 meer. Ik zou nu slapen op 2.285 meter hoogte.

Heel de dag was ik geen mens tegengekomen. Ik rustte, verkende de omgeving, die ik klaarblijkelijk deelde met wat geiten, ik genoot van de stilte en mijn nieuwe uitzicht over gebergten en ik genoot van mijn avondmaaltijd. Wegens pech met mijn gastoestel bestond die uit pinda’s, brood, kaas en chocola toe. Een nacht met harde windvlagen, afgewisseld door perioden van stilte zou volgen.

Dat is voor mij vakantie.

Familie, kinderen, ouders

We ontmoetten elkaar voor haar nieuwe woning. Mijn schoonzus was na allerlei weg-avonturen net eerder dan ik gearriveerd. Misschien wel dankzij het oponthoud dat ik had gehad door 2 bruggen die net openden toen ik er aan kwam. Friesland en waterverkeer gaan nu eenmaal hand in hand. Toen we aan de koffie zaten, voegde haar zoon, mijn neef, zich bij ons.

Ik bespeurde een zekere honger van beiden naar wat grove schetsen over mijn kijk op mijn ouderlijk nest; het gezin van ooit waarin ik ben opgegroeid. Ik deed mijn uiterste best om de verbale krijtstrepen vanuit mijn hart te trekken. Zo besprak ik even in vogelvlucht de zorg die ik had gehad, mijn jeugdproblemen en het begrip dat ik nu beter kan opbrengen, dan als jong volwassene.

Het is fijn dat er familie is, zodat men niet alleen van een moeder of vader over ooit kan horen. Immers, zo’n beetje alle kinderen willen weten over hun ouders weten wie zij zijn, waar zij vandaan gekomen zijn en wie zij zijn geweest.

En, mijn schoonzus en neef vroegen het niet, maar wanneer u mij vraagt of er volgens mij wezenlijk veel veranderd is in de relatie tussen mijn ouders en mij-als-kind en mijn kinderen en mij-als-vader, zou ik u antwoorden dat ook in dit tijdsgewricht kritiek en waardering hand in hand gaan, zoals Friesland en water. Misschien heeft elke relatie tussen mensen wel zijn plussen en zijn minnen.

Elke tijd zijn gedachten

Meneer V(…) uit het Sabuhuis probeerde uit te leggen hoe diep het bezuinigingsbeleid ingrijpt op zijn verzorging. Het bleek moeilijk konkreet te maken. Ontevreden was hij wel. Op een weinig zichtbare manier worden we doordrongen met gif.

Dit was mijn gedachte ‘516’ ergens in 1986, 30 jaar geleden. Door deze zonnige dagen thuis op te ruimen, kwam ik hem tegen in een boekje dat begint met gedachte 415.

Precies dezelfde gedachte had natuurlijk ook van latere of recente datum kunnen zijn, maar – en hier gaat het mij om – niet uit de periode 1950 – 1980.

Pappa loop toch niet zo snel* (1989 – nu)

Na een zondagse dagwandeling langs de Waal belandden we aan het begin van de avond in de moestuin van kasteel Neerijnen. De aangrenzende Nederlands Hervormde kerk dateert uit de 14de eeuw, het kasteel Neerijnen, dat dienst doet als gemeentehuis, uit 1720 en de moestuin waar wij waren van begin 20ste eeuw. Logisch dat deze omgeving als ‘beschermd dorpsgezicht’ is aangewezen, met ‘cultuurhistorische waarde voor de plaatselijke bevolking’. Toch bleek deze romantische omgeving verbonden met tragiek in zijn ergste vorm: kinderleed.

De inmiddels ontvolkte moestuin was aan het begin van deze avond nog voor ons toegankelijk en we konden genieten van de bloemenpracht en bijbehorende geuren. Dit is zo’n omgeving waarvan ik me niet kan voorstellen dat die ook aan verandering onderhevig is. Ergens is een schuur was iemand aan het werk. Na even kwam hij naar buiten in zijn buitenissige kleding: een zwart habijt van goede kwaliteit met keurige goede schoenen daaronder. Zijn witte baard contrasteerde mooi op zijn zwarte pij. Zijn verwilderde witte wenkbrauwen completeerden deze gestalte tot een zonderling. Hij had een kuiken verzorgd, vertelde hij. We raakten aan de praat en hij bevestigde al snel mijn vooroordelen door te vertellen dat hij ‘een kluizenaar’ is. Geïnteresseerd in dit vak, dat immers geen van mijn kennissen beoefent, vroeg ik hoe hij kluizenaar was geworden. Hij vroeg daarop of wij de tijd hadden.

Hij begon te vertellen over zijn carrière bij de periode van zijn leven dat hij poppenspeler was. Daarop reageerde ik met de uitroep dat hij dan ‘Jozef van der Berg’ moest zijn, de artiest die een van zijn voorstellingen begon met de openingszin: “Wie zit hier nou vast? U of ik?

Immers, wanneer het publiek 30 jaar geleden de Blauwe Zaal in Utrecht betrad, bracht ik in herinnering, zag het rechts stoelen; kennelijk bedoeld om op plaats te nemen. Links zag het voor een decor dat een kasteel voorstelde een man staan die was vastgeketend in een schandblok. Nadat iedereen had plaatsgenomen en de zaalverlichting doofde, wenkte de man met zijn vastgeketende handen en vroeg ons als publiek wat dichterbij te komen, ‘omdat de afstand zo groot was’. Het publiek bleef zitten. Ik ook. Daarop kwam de man met hoofd en handen vastzittend in het schandblok naar zijn publiek en plantte het schandblok vlak voor ons, vragend “Wie zit hier nou vast? U of ik?

Het daarop volgende verhaal van Jozef van den Berg ken ik uit kranten. Ik nam de gelegenheid te baat om hem ermee te confronteren dat hij, een artiest die zijn publiek naar mijn mening ‘wat te vertellen heeft’, ons zijn inzichten inmiddels 27 jaren heeft onthouden. En dat ik mij, nee, dat ik nu ik hem sprak hem afvroeg hoe hij aan zijn kinderen uitlegde dat hij hen verlaten heeft. Immers, op 12 september 1989 legde hij rondom het overlijden van zijn broer zijn toegestroomd publiek voor de nieuwe voorstelling “Genoeg gewacht” uit dat hij nooit meer zou spelen en dat het publiek het betaalde geld zou kunnen terugkrijgen bij de kassa, bracht Van den Berg in herinnering.

Hij legde ons in die geurige moestuin uit wat voorafging. Even rende hij er vandoor omdat moestuinkippen door een hond werden belaagd. Bij de try-outs van “Genoeg gewacht” ontving hij vingerwijzingen dat hij bijna op de juiste weg was, maar net niet helemaal. Hij voelde toen en voelt zich nog steeds door zijn god geroepen.

Misschien wel die ene van die aangrenzende Nederlands Hervormde kerk. Misschien de god die hoorde bij zijn Katholieke achtergrond. Zijn zoektocht eindigde 27 jaar geleden in het vinden van – naar zijn inzicht – ‘De Waarheid’. In dat geval zou hij een gids zijn. Maar wel een gids die zijn gehoor leidt naar een god, die van zijn kinderen het offer vroeg vaderloos op te groeien. Net als de god van Abraham deze man naar verluid vroeg zijn zoon te offeren. De aandacht van dat laatste verhaal gaat naar de menselijke hoofdpersoon. Mij valt op dat aan het trauma, dat Abraham zijn zoon Isaäk daarbij ongetwijfeld bezorgde, geen hoofdstuk, geen alinea, geen zin, geen woord wordt gewijd.

Zo ook in het verhaal van Van den Berg, die mij desgevraagd over zijn kinderen vertelde van hen te verlangen om ‘te wachten’. Inmiddels dus 27 jaar. Je zult maar een artistieke, oprechte, sensitieve, wijze vader hebben die je in de steek laat. Of zo’n partner. Of zo’n familielid. Of zo’n vriend. Of als publiek zo’n idool. Wat doen sommige ouders hun kinderen een leed aan zonder dat ik daarvoor enige noodzaak zie. Nee, volgens mij kàn het besluit van Van den Berg niet juist zijn. De uiteindelijke vraag is: “Wie zit hier nou vast, hij of ik?

Bron: “Monumentenlijst” van de gemeente Neerijnen over kadestraalnummer ‘D340 Waardenburg’.

Dit blog schreef ik op 19 juli 2016. Hij stond eerder op de voorloper van deze website ‘www.gerardus.blog.com’.
________________________
* Naar Herman van Keeken (1971): (…)
’t Was voor beiden beter dat ik weg zou gaan
Ik keek nog even om halverwege het station
‘k Zag m’n dochtertje. Ze vloog achter me aan. Ze snikte

Pappie loop toch niet zo snel
Pappie loop toch niet zo snel
Loop wat zachter, toe
Want ik ben al zo moe
Pappie loop toch niet zo snel
(…)

Wat vooraf ging

Sinds 5 mei 2014 schrijf ik met enige regelmaat blogs. De eerste blog, die ik die datum publiceerde, had als titel ‘Kinderleed’. Mijn eerste 365 blogs of weblogs zijn gepubliceerd via een andere website, te weten
www . gerardus . blog . com.

Vanaf 8.8.’16 ben ik overgestapt naar deze website.

Mijn eerste blog ging zo:

__________________________
Kinderleed 5 mei 2014

In Utrecht nemen veel mensen uit streek- en stadsbussen de roltrap naar de eerste etage van Hoog Catharijne waar het Centraal Station van de NS gelegen is. Onder die roltrap zijn kaartenautomaten van de NS. Daar moest ik zijn, want voor ik met de trein ga, moet ik altijd eerst mijn OV-kaart opladen.

Een meisje van een jaar of vijf huilde hard onder aan die roltrap. Ze riep haar moeder die kennelijk net de roltrap was opgegaan. Het meisje, dat werd al snel duidelijk, durfde de roltrap niet op. De massa mensen achter haar begaf zich om het meisje heen op de rollende trap. Soms bekommerden vrouwen zich over het meisje. Troostend, pratend, verleidend deden zij stuk voor stuk een poging het meisje mee te nemen de roltrap op. Even vaak gaven zij hun poging al snel op. Alle mannen liepen door alsof zij iets beters te doen hadden. Het meisje bleef onderaan de roltrap huilen en roepen om haar mamma.

Na verloop van tijd vertoonde zich een man van een jaar of vijfentwintig bij de roltrap. Hij had een baardje op zijn kin en een rugzak op zijn rug. Lopend tussen de mensenmassa richting roltrap pakte hij het meisje resoluut bij haar hand. Hij tilde haar op en zette haar op een van de onderste treden van de rollende trap naar boven. Het meisje, een jeugdtrauma rijker, hield op met huilen en schreeuwen. Zij kon zich even later weer bij haar moeder voegen.
__________________________

Klik hier om naar de 365 eerder gepubliceerde blogs van mij te gaan (de link werkt wel, maar de website waarop mijn eerdere blogs staan, is niet altijd bereikbaar).