Een keerzijde van ons verstand

Wanneer leiders naar kennis streven, maar hun ethische opvattingen vergeten, raken allen die hen volgen verstrikt in verwarring. Hoe kan ik zeggen dat dit het geval is?

Veel kennis wordt toegepast voor het exploiteren van wat in de natuur is. Maar alles wat in de natuur is wordt erdoor verstoord.
Veel kennis wordt toegepast om winst te maken, maar de mensen moeten zich dan het schompus werken met weinig rechten en veel plichten en hebben steeds meer geld nodig om al die winsten voor enkelingen bij elkaar te schrapen.
Veel kennis wordt gebruikt om verzet van mensen te breken en om vreemde mensen te beletten naar hier of naar daar te komen, maar de levens van deze weerbarstige en wanhopige mensen worden er nog meer door verstoord dan ze al zijn.

Mensen eren hetgeen binnen het bereik van hun kennis ligt, maar beseffen niet hoe afhankelijk ze zijn van wat er buiten ligt.

Naarmate de kennis steeds knapper, veelzijdiger en ingenieuzer wordt, worden de mensen er alom door verstoord en geschaad. Dan proberen zij verwoed te begrijpen wat zij niet weten, maar doen geen poging te begrijpen wat ze al wel weten. Ze veroordelen de misvattingen van anderen, maar veroordelen de hunne niet. Daaruit ontstaat nog meer verwarring.

Als de zon en de maan hun licht verloren, de bergen en rivieren verloren hun levenskracht en de vier seizoenen kwamen tot stilstand, dan zou geen insect en geen plant zijn ware aard behouden. Toch is dat de toestand die wordt voortgebracht door mensen die geobsedeerd zijn door kennis. Eerlijkheid en eenvoud worden over het hoofd gezien en rusteloosheid oogst bewondering. Het kalme, moeiteloze handelen wordt vergeten en er weerklinken luide woordenwisselingen. Zo is de aard van de honger naar kennis. Het kabaal ervan stort de wereld in een chaos.

(…)

Mensen eren hetgeen binnen het bereik van hun kennis ligt, maar beseffen niet hoe afhankelijk ze zijn van wat er buiten ligt.

Dit is geen reactie op iets dat vandaag de dag speelt. Tsoeang-tse schreef woorden van gelijke strekking* 2.500 jaar geleden in de “Tao Te Tsjing”. Ik kwam bovenstaande fragmenten tegen in het boek “Teh van Knorretje”. In dat boek worden aspecten aan het Taoïsme luchtig uitgelegd aan de hand van de oorspronkelijke verhalen van Winnie de Poeh en de personages die in die 2 boeken opgevoerd worden.

Bron: “Teh van Knorretje” (1992) door Benjamin Hoff in het Nederlands vertaald door Hilde Bervoets, Uitgeverij Sirius en Siderius te Den Haag, ISBN 906441100X.

______________________________________
* In plaats van ‘ethische opvattingen’ schreef Tsoeang-tse ‘De weg’ en in plaats van mijn 2de alinea schreef hij:
Veel kennis wordt toegepast voor het maken van bogen, kruisbogen, pijlen en katapulten, maar de vogels in de lucht worden erdoor verstoord en gewond.
Veel kennis wordt gebruikt voor het maken van haken, netten en dergelijke, maar de vissen in het water worden erdoor verstoord en gewond.
Veel kennis wordt aangewend voor het maken en plaatsen van vallen, netten en klemmen, maar de schepselen van de grond worden erdoor verstoord en gewond.

Een actueel opiniestuk van 50 jaren oud

Moet Nederland mee blijven doen aan de vredesmissies in Bosnië (EUFOR en EUPM), Congo (EUSEC), Cyprus (UNFICYP), Egypte/Gaza (EUBAM), Israël/Egypte (UNTSO), Voormalig Joegoslavië (ECMM), Libanon (UNIFIL) en Mali (MINUSMA)?

Deze vraag zou aan de keuzehulpjes voor 15 maart toegevoegd kunnen worden. Ik had hem, net als een hoop andere vragen, in elk geval gemist. Echter, wat is het antwoord waard wanneer de argumenten, waarop het antwoord gebaseerd is, niet erbij geleverd kunnen worden?

Chomsky aanvaardde de zogenaamde nobele doelstellingen achter die oorlog niet.

Degenen, die op een stelling ‘ja’ en ‘nee’ stemmen, kunnen het hartgrondig eens zijn over een hoop argumenten en toch op een andere uitkomst komen. En degenen, die allebei ‘ja’ of juist ‘nee’ stemmen, kunnen het schromelijk oneens zijn over de motivatie voor hun stem.

Is dat erg? Ik vind van wel. Het is iets heel anders wanneer een volksvertegenwoordiger een standpunt inneemt omdat hij/zij het moreel een (on)juist standpunt vindt, dan wanneer hij of zij hetzelfde standpunt inneemt omdat het ‘te duur is’, ‘niet goed werkt’ of omdat ‘er belangrijker zaken zijn om je druk over te maken’. De eerste maakt een morele keuze en kan ik mijn stem niet of juist wel toevertrouwen. De tweede maakt een economische keuze en vertrouw ik sowieso niet, tenzij de stelling nu net over de Nederlandse economie gaat.

Van de potentiële volksvertegenwoordigers weet ik graag met wat voor bevlogenheid zij op jacht zijn naar een van de 150 zetels. Wanneer het gaat om eigenbelang of macht is het maar de vraag of wat ik belangrijk vind door hem of haar gediend gaat worden. Dient hij/zij de belangen van grootbedrijven die elders belasting afdragen. Die op een andere plek in de wereld vervuilen. En die weer ergens anders mensen onder erbarmelijke omstandigheden laten werken, of op andere manieren samenlevingen ontwrichten. In dat geval – ook al betreft het Nederland niet – moet hij of zij mij maar niet vertegenwoordigen in de Tweede Kamer. Heeft hij of zij nagenoeg soortgelijke uitgangspunten als ik heb, dan maakt die kandidaat een goede kans voor mijn stem.

Bij verkiezingsdebatten gaat het wat mij betreft te weinig erover welke kwaliteit van samenleving we wensen. Welke als het om oorlogvoering (vredesmissies in de volksmond) en echte vredesmissies gaat. Of over de AOW-leeftijd, de Europese Unie (EU), het buitenlands beleid, de handel, het milieu, de ontwikkelingshulp, het tegengaan van de opwarming van de aarde, de veiligheid, de zorg, en wat al niet meer.

50 Jaar geleden schreef Noam Chomsky op verzoek een artikel over de rol van intellectuelen in de Vietnam-oorlog, die indertijd gevoerd werd; een oorlog in Zuid-Vietnam tussen de door Noord-Vietnam gesteunde Vietcong en het door de Verenigde Staten (VS) gesteunde Zuid-Vietnamese bewind. In zijn artikel distantieerde hij zich van andere intellectuelen, ook als die zich eveneens uitspraken tegen deze oorlog. Chomsky aanvaardde de zogenaamde nobele doelstellingen achter die oorlog niet. Dat artikel kunt u vandaag herlezen als een boeiend tijdsdocument in zijn historische context.

U kunt het echter ook lezen als een actueel opiniestuk wanneer u ‘Vietnam’ vervangt door ‘Afghanistan’, ‘Irak’, ‘Libië’ en/of ‘Syrië’, en ‘de strijd tegen het communisme’ door ‘de strijd tegen terreur’. En lees dan ook de hedendaagse commentatoren en hun pseudo-neutrale analyses en opinies
over het Europees besparingsbeleid,
over de oorlogen die de EU en de VS voeren in het Midden-Oosten,
over de agressie van China en Rusland (welke beide niet hoeven te worden bewezen) waartegen ‘wij’ dan het hogere goed van het immer goedbedoelende Westen stellen (dat evenmin bewezen hoeft te worden)
en u ziet de mechanismen terug die Chomsky al op 23 februari 1967 beschreef. Voor de camera spuien alle politici hun beste plannen zonder dat doorgevraagd wordt naar hun mensbeeld, hun moraal, hun vijandbeeld, hun wereldbeeld of wat de burger volgens hen van de overheid vermag en hoe dat te bewerkstelligen.

Geen enkele Nederlandse politicus zal toename van armoede bepleiten, of afname van de controle door de fiscus op de belastingafdracht van bedrijven, vergroting van inkomstenverschillen, toename van vervuiling elders in de wereld voor producten die hier verkocht worden, oorlog, recessie, schending van onze privacy, sociale onrust, afname van de werkgelegenheid of een slechtere bereikbaarheid van de gezondheidszorg. Toch laten de gevolgen van ‘ons’ regeringsbeleid in de afgelopen periode dit soort fenomenen zonder dat er ooit voor gepleit is overduidelijk zien. Het gaat in de politieke mediadebatten allemaal nergens over, door gebrek aan diepgang, en dat is niets nieuws onder de zon.

Bronnen: “23 februari 1967, 50 jaar sinds Chomsky’s eerste politieke artikel” door Lode Vanoost via de website van De wereld morgen op 23 februari 2017 en Wikipedia op 24 februari 2017.

“The responsibility of Intellectuals” door Noam Chomsky, werd voor het eerst gepubliceerd op 23 februari 1967 in ‘The New York Review of Books’; een wekelijkse boekenbijlage bij de krant ‘The New York Times’. Het artikel werd in 1969 een van de 8 hoofdstukken van Chomsky’s allereerste politieke boek met de titel “American Power and the New Mandarins”. Daarin ontwikkelde hij verder zijn these dat de Amerikaanse intellectuele klasse in universiteiten en in de regering medeverantwoordelijk is voor de wreedheden die het Amerikaans leger in Vietnam heeft begaan. Dit boek werd in 2002 opnieuw uitgegeven.

In 2016 publiceerde uitgever Metropolitan Books een verzameling van Chomsky’s recente essays, opinies en samenvattingen van lezingen in het boek “Who Rules the World?”. In het eerste hoofdstuk “The Responsibility of Intellectuals, Redux” blikt Chomsky terug op dat eerste essay van 1967:
Zij die netjes in de rij gaan staan ten dienste van de staat worden typisch geprezen door de algemene intellectuele gemeenschap, terwijl zij die weigeren in dat lijntje te lopen worden afgestraft.

Klik hier voor het artikel van Vanoost (bron), dat dieper op Chomsky’s bijdrage aan het politieke debat ingaat.

Slecht nieuws voor nieuwsvolgers m/v

Wanneer ik op straat of in een bos gesprekken opvang, denk ik wel eens met een lach: “Oh, ja, daar heb ik het ook ooit over gehad; zelfde toon, zelfde boodschap.” Maar wanneer die gesprekken gaan over het nieuws wordt ik een enkele keer bevangen door een gevoel over sommige zaken beduidend meer te weten dan de prater. Hetzelfde gevoel wanneer ik iemand met een ING-pinpas zie betalen: “Die heeft sinds de Giro en de Postbank nooit meer een krant gelezen.” Onzin natuurlijk, maar dat gevoel heb ik wel, doordat ik weet – of denk te weten – hoeveel slechts ING (bijvoorbeeld) met ons geld in de wereld uitvreet en me niet kan voorstellen dat de pinpas-houder er achter zal staan dat zijn of haar geld voor dergelijke praktijken gebruikt wordt.

Onze onwetendheid is gevaarlijk, want ze is de basis waarop we in actie schieten.

Echter, voor degenen die het nieuws wel actief bijhouden heb ik slecht nieuws en een advies. Eerst het slechte nieuws: In het opinie-artikel ‘The media are misleading the public on Syria’ in de krant ‘Boston Globe’ van 18 februari jl. geeft Stephen Kinzer* zijn mening over de vooringenomenheid van de berichtgeving in de Amerikaanse mainstreammedia.

Kinzer ziet een verontrustend patroon in de selectieve manier waarop de Amerikaanse (en in hun kielzog de Westerse) media berichten over Syrië. De berichtgeving over oorlogsmisdaden blijkt volgens hem te worden bepaald door de kant die de journalisten hebben gekozen: de ‘onze’ of de ‘andere’, in plaats van door de ingewikkeld te duiden feiten. Zijn conclusies luiden: “De media misleiden het publiek over Syrië” en “De berichtgeving over de oorlog in Syrië zal worden herinnerd als een van de meest beschamende episodes in de geschiedenis van de Amerikaanse pers.

De meeste Amerikaanse media berichten volgens Kinzer het omgekeerde van wat er werkelijk aan het gebeuren is. ‘Gematigde rebellen’ blijken in werkelijkheid fanatieke wreedaards te zijn, die de bevolking terroriseren op een zo niets ontziende manier dat zij de soldaten van president Assad als ‘bevrijders’ verwelkomden.

Kinzer: “Die journalisten schrijven vanuit Washington dat ‘al Nusra’ een machtige groep is bestaande uit ‘rebellen’ en ‘gematigden’. Ze schrijven niet dat deze groep banden heeft met en voortkomt uit ‘al Qaïda’. Zij schrijven dat Saoedi-Arabië ‘vrijheidsstrijders’ steunt, terwijl het de hoofdsponsor is van IS (…) En alles wat Rusland en Iran in Syrië doen wordt beschreven als destabiliserend en negatief, omdat dat de officiële lijn is.

Kinzer: “De meeste Amerikaanse kranten en weekbladen hebben geen buitenlandse correspondenten meer (…) Berichten worden geschreven in de redactielokalen in Washington. Journalisten, die over Syrië schrijven, halen hun informatie bij het Pentagon, het ministerie van buitenlandse zaken, het Witte Huis en ‘experts’ van denktanken (…) Deze vorm van stenografie produceert het slappe infotainment dat doorgaat voor ‘Nieuws uit Syrië’.

Veel Amerikanen – en veel journalisten – zijn tevreden met het officiële verhaal: ‘Bestrijd Assad, Iran en Rusland! Vecht samen met onze Koerdische, Saoedische en Turkse vrienden om de vrede te bewerkstelligen!’ Dit is echter een weerzinwekkende omkering en vereenvoudiging van de uitermate complexe realiteit in en rond Syrië. Deze verzinsels zullen de oorlog daar onnodig verlengen en nog meer Syriërs veroordelen tot lijden en dood.

Volgens alternatieve Amerikaanse media is de vervormde berichtgeving niet de afwijking maar de norm; zeker in de grote commerciële mainsteammedia, ook als het over Syrië gaat. Echter, dat een man met de reputatie van Stephen Kinzer* dit schrijft, wijst op een dieper liggend probleem: zelfs de mainstreammedia beginnen aan te voelen dat het zo niet langer kan. De kloof tussen de waarheid en de berichtgeving erover wordt kennelijk te groot. Bovendien werken deze media zo de facto mee aan de verergering van de situatie in het Midden-Oosten.

Kinzer: “Men zegt dat Amerikanen onwetend zijn over de wereld. Dat is zo, maar dat zijn we niet meer dan in andere landen. Als de mensen in Bhutan of Bolivië een verkeerd idee hebben van wat in Syrië gebeurt heeft dat echter geen enkele consequentie. Onze onwetendheid daarentegen is gevaarlijk, want ze is de basis waarop we in actie schieten.

Mijn advies: Denk maar niet de waarheid via de mainstreammedia te vinden en behoud altijd een beetje achterdocht door u bij elk nieuwtje af te vragen: Welk belang wordt hiermee gediend?

Bronnen: “The media are misleading the public on Syria” door Stephen Kinzer in Boston Globe op 18 februari 2017, “De media misleiden het publiek over Syrië” door Lode Vanoost via de website van De wereld morgen en websites onder wikipedia (org), beide op 20 februari 2017.

________________
* Stephen Kinzer (1951) is een Amerikaans auteur en journalist, die onder andere op cruciale momenten in de wereldgeschiedenis correspondent was bij de New York Times en schrijft voor allerlei kranten en nieuwsagentschappen. Hij schreef onder veel meer The Brothers: John Foster Dulles, Allen Dulles, and Their Secret World War, Times Books, 2013. ISBN 978-0-8050-9497-8, Reset ook gepubliceerd onder de titel Reset Middle East: Old Friends and New Alliances: Saudi Arabia, Israel, Turkey, Iran, I.B. Tauris, 2010, ISBN 978-1-84885-765-0 en All the Shah’s Men: An American Coup and the Roots of Middle East Terror, John Wiley & Sons, 2003, ISBN 0-471-26517-9. Momenteel werkt hij als senior medewerker in het ‘Watson Institute for International Studies’ van de Amerikaanse Brown-universiteit te Providence, Rhode Island.

Klik hier voor het opinie-artikel van Stephen Kinzer.

Staatgevaarlijk politici

Op 15 februari zal het Europees parlement (EU-parlement) naar verwachting akkoord gaan met CETA, het Comprehensive Economic and Trade Agreement; de handelsovereenkomst tussen het fatsoenlijke Canada en EU om de vereisten aan producten en de omstandigheden waarin zij vervaardigd worden op elkaars wetgevingen af te stemmen en vooral om de in Canada en EU gevestigde grootbedrijven tegen nationale parlementen te beschermen.

Gedurende een eeuw zwaar bevochten wet- en regelgeving betreffende
arbeidsomstandigheden,
dierenwelzijn,
fysieke veiligheid,
milieuwetgeving,
voedselveiligheid en
volksgezondheid
worden omwille van winstvergroting van multinationale ondernemingen zonder inhoudelijke inspraak te grabbel gegooid. De betrokken parlementen kunnen CETA alleen afkeuren of goedkeuren.

De ironie wil dat deze bedrijven, die zo min mogelijk belasting aan nationale parlementen afstaan, via CETA wèl de mogelijkheid krijgen een miljoenen- of miljardenclaim bij nationale parlementen te leggen wanneer nieuwe wetgeving hen iets kost. Hun investeringskosten, iets waar een beetje ondernemer altijd risico’s loopt, worden zodoende met CETA veilig gesteld: komt het niet uit de handel dan komt het bij nieuwe wet- en regelgeving wel uit de pot die u en ik via inkomsten- en alle andere belastingen bij elkaar hebben gespaard om te besteden aan het algemeen nut.

Ik heb mij altijd al op het standpunt gesteld dat degenen die EU vertegenwoordigden bij de CETA- en TTIP-onderhandelingen niet competent daartoe bleken. Anders hadden zij, op het moment dat ISDS, het Investor-state dispute settlement, geagendeerd werd de onderhandelingen wel direct opgeschort. ISDS is inmiddels vervangen door het even kwalijke ICS; het investment court system.
Nu stel ik mij op het standpunt dat ieder parlementslid dat woensdag 15 februari 2017 vòòr CETA stemt staatsgevaarlijk is.

Twee dagen na het verschijnen van dit blog heeft Lode Vanoost in ‘De wereld morgen’ een – volgens mij – heel duidelijke uitleg gegeven over CETA met onder die uitleg allerlei doorverwijzingen voor degenen die zich nog meer willen verdiepen in de materie van wat ‘vrijhandelsverdragen’ genoemd wordt. Voor degenen die deze uitleg over CETA willen lezen: klik hier.

Maken politieke beloften ook schuld?

‘Centrum’ en ‘Rechts’ zijn in hun politieke betekenis synoniem geworden voor ‘uitzichtloze crisis’.

De ruggengraat van rechtse denkers is het kapitalisme zoals we dat in dit land nu al zo’n 40 jaar concretiseren. Alle centrumpartijen hebben dit kapitalisme omarmd. Er is in Nederland haast geen politieke partij met een alternatief voor dit rechts-kapitalisme. Op de zonderling na, die Hoog Cartharijne een heerlijk winkelcentrum vindt, zal niemand nu nog beweren dat onze kapitalistische economie de garantie vormt voor de hoogste welvaart voor iedereen.

Integendeel, steeds meer mensen komen tot het inzicht dat het kapitalisme van vandaag een economisch model is dat massale armoede produceert ten voordele van de weergaloze fortuinen voor een handjevol mensen: de aandeelhouders, de directeuren en de bestuurlijke top van grootbanken en grootbedrijven met hun machtige politieke lobby-apparaat. Bedrijven, die eerder soms staatsbedrijven waren, waarvan deze mensen nu jaarlijks en soms zelfs maandelijks tonnen euro’s bijgeschreven krijgen.

Als antwoord op de decennia lang beleden economische godsdienst “There Is No Alternative!” kunnen in dit tijdgewricht extreemlinks en extreemrechts laten zien dat er wel een alternatief is.

Dit volksinzicht groeit doordat de armoede ook toeslaat in de zogenaamde “centrumgebieden” van het kapitalisme: het ooit zo rijke Westen waar velen eraan gewend waren weg te kijken voor humanitaire rampen elders. Het komt nu zo dichtbij dat wegkijken haast niet meer lukt. Buiten een handjevol rijke lui heerst dan ook bij menigeen de overtuiging dat de hele zaak niet deugt. Slechts over wat ‘de hele zaak’ is, is discussie. Als antwoord op toenemende verarming stelt Rechts een nog snellere en veralgemeende verarming voor: op toenemende werkloosheid stelt ze een nog-verdere flexibilisering van de arbeidsduur-verlenging voor, een nog-verdere verarming van degenen die geen betaald werk hebben en een nog-verdere verzwakking van het ontslagrecht.

Ik heb me bij dit kapitalisme als een zo onbetwist vereerd gouden kalf nooit thuis gevoeld. Politiek moet volgens mij in de eerste plaats gaan om de kwaliteit van ons bestaan, en niet om geld. Geld is slechts een handig ruilmiddel. Over wie ‘ons’ is ben ik zeer ruimdenkend, maar ik weet dat veel mensen geen enkele andere boodschap hebben aan knechting, slavernij en uitbuiting van mensen elders dan een “Och, och, zou dan nou zo zijn? Daar zouden ze toch iets aan moeten doen.

Op vernieuwingen binnen de samenleving reageert Rechts, en ook de centrumpartijen, met fascisme, nationalisme, racisme en/of vreemdelingenhaat. Conflicten en milieurampen elders in de wereld – een zeer belangrijke oorzaak voor migratie en dus voor toenemende diversiteit binnen onze samenleving – beantwoorden rechtse en centrumpartijen met uitheemse detentiecentra, oorlog en terreur. Gevraagd naar het hoe en het waarom van dit alles produceert Rechts kindertaal: “America / Britain is the world’s greatest country”, “Dat is nu eenmaal zo”,“It’s gonna be great, it’s gonna be huge”, “Geen moskee in mijn dorp / straat / stad”, “Dit is knettergek”, “Dit is een nepparlement / neprechter”, “Doe eens normaal, man”, “Wat is daar nu verkeerd aan?”, “Wir schaffen das”. Het zijn woorden van mensen die volgens mij beseffen dat ze inhoudelijk niets meer te vertellen hebben.

Kapitalisme als bron van creativiteit, sociale dynamiek en vernieuwing heeft eveneens opgehouden te bestaan. We worden nu warm gemaakt voor verfijningen en minieme veranderingen aan oude technologieën. De basistechnologie van de auto is ruim een eeuw oud, die van straalmotoren 70 jaar en die van de computer eveneens al enkele decennia. Bedrijven voeren geen marketing meer voor revolutionair vernieuwende dingen; ze voeren alleen nog enorme campagnes over de adjectieven die we aan die dingen moeten hechten: een stijlvolle Mercedes, een sexy paar laarzen, een coole iPhone.

De ‘blanke boze burger’ is volgens mij helemaal niet boos, maar hecht geen waarde meer aan de jarenlange stroom van mooie beloften en lelijke bedreigingen. De politieke vernieuwing komt nu uit de marges van het politieke spectrum die in onze mainstream-media altijd met “extreem” werden aangeduid: ‘extreemlinks’ of ‘extreemrechts’.

De nieuwe massabewegingen van kritische burgers zullen hun nieuwe verhalen wikken en wegen. Wanneer die verhalen niets anders blijken te zijn dan een geslaagde marketingcampagne voor precies dezelfde uitverkoop van wat ooit rechten waren, dan kan dat nog enkele verkiezingsoverwinningen opleveren. Maar vroeg of laat zullen we – zoals het er nu volgens mij naar uitziet – ons vertrouwen in Rechts en in alle centrumpartijen en masse verliezen. Volgens de eerste debatten wordt door de grootste kanshebbers ingezet op samenwerking zonder voor de oorzaken van het weglopen van kiezers bij rechtse en centrumpartijen een alternatief te bieden.

Als antwoord op de decennia lang beleden economische godsdienst “There Is No Alternative!” kunnen in dit tijdgewricht extreemlinks en extreemrechts laten zien dat er wel een alternatief is. Komende verkiezingen maken de Nederlandse politieke partijen, die haast allemaal stuk voor stuk het rechts-kapitalisme omarmen, nog een flinke kans op succes. De vraag voor mij is alleen nog of de meerderheid na hun teleurstelling volgend op dit succes zal gaan kiezen voor Trumpisme. Inmiddels zijn generaties gewend aan een zekere orde en stabiliteit, waardoor teveel mensen zich niet meer voor kunnen stellen dat met moeite tot stand gekomen instituten afgeschaft kunnen worden. Inclusief elke vorm van democratie of inspraak.

Of zou gekozen worden voor een koers die juist alle mensen spaart, inclusief de aarde en het klimaat voor zover dat nog mogelijk is?

Of een koers die weer alleen gericht is op het welzijn van de ogenschijnlijk brave Nederlanders met een BSN-nummer?

En ik zie u in gedachten al denken: “Och, och, zou dan nou zo zijn?

Bron: Dit blog is sterk geënt op “Wat met de toekomst van rechts” door Jan Blommaert* via https://www.dewereldmorgen.be op 4 februari 2017.
_______________
* Jan Blommaert (1961) is volgens Wikipedia-nl een Belgisch sociolinguïst en taalkundig antropoloog en werkzaam aan de Tilburg University als hoogleraar taal, cultuur en globalisering en directeur van het Babylon Centrum voor de studie van superdiversiteit.

Een NKBV-winterweekend

Vrijdag passeerde ik rond 16 uur bij Visé de grens tussen Nederland en België. De nieuwe tunnel onder Maastricht vond ik wat tegenvallen, maar in dat stukje langs de Maas richting Luik waan ik me direct in een bergachtig buitenland. Dat gevoel werd bij Verviers nog sterker. Wat vind ik dit Belgische heuvellandschap mooi. Bij La Reid, tussen Spa, Remourchamps en Theux, vond ik met wat hulp van de plaatselijke bevolking de auberge Gervova, waar ik de rest van de groep NKBV-ers zou treffen. NKBV staat voor de Nederlandse klim- en bergsportvereniging. Twee van hen waren mij voor. En zij hadden magnetronmaaltijden meegenomen, dus in mijn uppie ging ik uit eten in een van de twee plaatselijke café-restaurants. Ik voelde me echt op vakantie.

Bij terugkomst druppelden nog 6 deelnemers binnen. Ik ging vrij vroeg naar bed om de volgende ochtend lekker vroeg op te staan. Tijdens ons ontbijt arriveerden de laatste 2 deelnemers, zodat we nog voor 10 uur konden vertrekken.

We wandelden over gladde, kleiige paden door de bossen ten noorden van La Reid tot we een eerste riviertje langs ons pad vonden: de Chefna, een echte rivier met watergeruis en watervallen. Die rivier staken we zo’n acht keer over over een recht of scheef liggende halve boomstam. Wanneer de boomstam te scheef lag, gingen we over droogliggende stenen of legden ons er bij neer dat het niet anders kon dan door de rivier heen te stappen waar het (net) niet te diep was voor onze schoenen. Ik zag huizen in deze onherbergzame omgeving waarin ik graag mijn kinderen grootgebracht had. Het lijkt mij heerlijk om kinderen zo diep verscholen in de natuur groot te brengen. Het is er niet van gekomen. En wij kwamen daarna langs de Amblève te lopen, een brede rivier, tot we een café vonden waar we, voordat het zou gaan regenen, verse koffie, warme chocolademelk of bier konden drinken met door een magnetron opgewarmde apfelstrudel.

’s Avonds zette een van ons zich aan de voorbereiding van een pasta-tomatensoep en een ander aan de voorbereiding van een boerenkoolmaaltijd. Met alle geklets over bergtochten, materialen, wat de groepsleider vermag en wat verder ter tafel kwam werd het voor mij laat. En de volgende ochtend vertrokken we om 8.12 uur voor een volgende tocht ten zuiden van La Reid. Dat kwam doordat we volgens het programma om 9 uur zouden vertrekken en omdat 8 van de 10 deelnemers om 8 uur wilde vertrekken en 2 aan 9 uur wilden vasthouden, kwamen we samen uit op: 2/10 van 60 minuten is 12 minuten.

Deze zuidelijke tocht leidde ons met name over asfalt- en holle wegen door het heuvellandschap. Ik genoot van de uitzichten en de ontmoeting met een lynx in wat een safaripark genoemd werd. Na een consumptie in het overvolle plaatselijke café van La Reid arriveerden we rond 14 uur bij onze auberge. Daar aten en dronken we nog wat, kleedden we ons om en schoonden gebroederlijk alle gebruikte auberge-lokalen om tegen 15 uur weer op weg te gaan naar onze respectievelijke woningen in Nederland. We waren stuk voor stuk een NKBV-winterweekend-ervaring rijker en gingen zo de zesde week van dit jaar tegemoet. Wat gaat die ons brengen?

Over opbouw, afbraak en hoop

Ik ben geboren in 1953 en ben me van kinds af aan bewust in een bijzonder interessante tijd en plaats op de wereld te leven. In Nederland heb ik heel mijn leven al weinig te vrezen van ongelimiteerd onrecht en/of enige andere vorm van terreur.

En vanuit Nederland, met haar mogelijkheden voor haast iedereen om zich nagenoeg ongelimiteerd te informeren over van alles en nog wat, kan ik mij over heel veel op de hoogte stellen. Dat ik er van mijzelf nog een eigen leven op na wil houden is de belangrijkste beperking niet over alles het meest belangrijke te weten.

Daarnaast maak ik de ontwikkelingen in Nederland mee. In mijn ouderlijk gezin kregen we het financieel en materieel steeds beter totdat berichten verschenen dat Nederland ‘bijna af’ was. Dat was in de jaren ’70. Daarna werd de verzorgingsstaat stukje bij beetje afgebroken met inmiddels alweer 40 jaar politieke beloftes dat we het door die afbraak steeds beter zouden krijgen. Nederland is inmiddels allang niet meer ‘bijna af’.

Wat politieke beloftes in verkiezingstijden waard zijn, denk ik na enkele zware teleurstellingen inmiddels wel te weten. Ik houd me er doof voor en beoordeel politieke partijen en politici op hun stemgedrag en hun verklaringen gedurende de afgelopen 4 jaar.

De inkomens en vermogensongelijkheid loopt in de wereld en ook in Nederland uit de hand.
Multinationals bepalen wat we aanschaffen en zelfs wat we drinken en eten; er zijn nauwelijks nog zelfstandig ondernemende winkeliers.
Banken hielpen Nederland aan een indrukwekkend doel voor ons bijeengebrachte belastinggeld en mogen inmiddels weer vrijelijk hun gang gaan; de volgende financiële crisis tegemoet.
Degenen die zich van begin af aan voor hun levensonderhoud in Nederland hebben moeten melden bij voedselbanken, dreigen het nu zonder deze noodverziening te moeten doen. Dat heeft ermee te maken dat er in dit rijke land zoveel mensen niet in hun levensonderhoud kunnen voorzien dat er een beperking gesteld is aan het aantal jaren dat van deze – overigens voor een rijk land als Nederland beschamende – voorziening gebruik gemaakt mag worden.

En wat mij nog het meest intrigeert is dat het bewustzijn van het gevaar dat mensen voor elkaar kunnen betekenen afgenomen is. Het in mijn ogen onverantwoorde politieke beleid, dat onze Tweede Kamer sinds – laat zeggen – Balkenende in elkaar timmert, getuigd daarvan:
Sympathie voor verdragen die de verdragsteksten stellen boven nationale wetgeving; de Tweede Kamer is al akkoord gegaan met CETA waarin dit geregeld wordt.
Grondrechten en de universele verklaring van de rechten van de mens lapt de Kamer aan haar laars inzake bijvoorbeeld anti-Marokkanisme, Islamofobie en het wel weren van vluchtelingen, maar geen enkele actie ondernemen om ons aandeel in het ontstaan van stromen vluchtelingen richting Europa aan te pakken.
Het ondersteunen van regelgeving en wetgeving die het welzijn van mensen ondergraaft ten gunste van financieel beleid, lees het aan de liberale EU-regels voldoen van het begrotingstekort en begrotingsoverschrijdingen, waardoor de vraag steeds is: “Hoe betalen we …?” Vul maar in: AOW, gehandicaptenzorg, geestelijke gezondheidszorg, gezondheidszorg, pensioenen, uitkeringen, enzovoort. De vraag is niet: “Wat achten wij onszelf, gezien onze beschaving en de rijkdom van Nederland, verplicht te doen aan genoemde zaken?
In het algemeen kunnen we wellicht stellen dat mensen het in Nederland beter hebben dan in veel buitenland, maar de financiële zorgen voor grote groepen Nederlanders, die al langere tijd buiten de boot vallen, zijn bijzonder groot en groeiend en de mogelijkheden op vast inkomen voor deze mensen wordt stukje bij beetje – door het steeds verder afschaffen van voorzieningen – steeds kleiner.

Inmiddels zijn we eraan gewend geraakt dat – anders dan onze ouders – de volgende generaties het financieel en materieel in Nederland, zijnde een van de rijkste landen van de wereld, slechter krijgen dan de generaties voor hen. Politici die lagere belastingen bepleiten of een kleinere overheid wensen, werken volgens mij mee de overheid tandeloos te maken waar het aankomt op de bescherming van de zwakkeren in de samenleving – u en ik – tegen de sterkeren, zoals aandeelhouders, grootbanken en grootbedrijven. Terwijl ik de bescherming van de machtelozen tegen de machtigen als dè kerntaak van de overheid zie. Maar de politiek kiest kamerbreed voor de economie van de grootbanken en grootbedrijven en laat zich al decennia weinig gelegen liggen aan de economie van uw en mijn huishoudboekje. Inmiddels is het heel gewoon dat in een gezin beide ouders inkomen moeten verwerven en dan nog moeite hebben rond te komen, waaraan de flexibilisering van wat ‘arbeidsmarkt’ genoemd wordt ook een zware wissel trekt op de bestaanszekerheid van gezinnen.

Wat politieke beloftes in verkiezingstijden waard zijn, denk ik na enkele zware teleurstellingen inmiddels wel te weten. Ik houd me er doof voor en beoordeel politieke partijen en politici op hun stemgedrag en hun verklaringen gedurende de afgelopen 4 jaar. Dat biedt mij een beter houvast – hoop ik – dan me te laten overtuigen door verkiezingsbeloften waarover ik na de stemming op 15 maart begrip moet hebben dat ze niet nagekomen worden in ons staatsbestel waarin politieke partijen door ‘te geven en te nemen’ hun politieke macht verdelen.

Ik denk te zien hoe desastreus liberaal beleid de afgelopen 4 decennia heeft uitgewerkt op ons dagelijks leven en ons denken. En één ding weet ik daardoor al bijna zeker: ik stem niet op een liberale politieke partij. Dus van de 28 partijen, die straks meedoen, valt voor mij volgens een ruwe schatting zo al zo’n 75% af. En verder blijf ik genieten van deze voor mij interessante tijden.

Bezinning in de marge

Het is tijd voor bezinning. Het is altijd tijd voor bezinning en een aimabel-ogende man bood mij stof om in de marge van de Stuitende Taferelen* in de wereldpolitiek tot een kern door te dringen.

De aimabel-ogende man ontmoette ik een tijd geleden in Amsterdam en onlangs raakten we verzeild in een mailwisseling over onjuiste geschiedschrijving. Hij stelde in zijn laatste mail van deze week: “Mensen hebben recht op hun eigen mening, niet op hun eigen waarheid.”

Dat was even slikken voor mij, omdat ik ertoe neig alles te zien als interpretatie. Hoe aimabel is deze ogende man? Is er één waarheid en zouden we die kunnen kennen? “De wetenschap leert en toont ons enkel het uiterlijke of de vorm en de schijn van de ‘dingen’; het ‘innere’ kan men niet kennen” denk ik ingegeven door Duitse filosoof Immanuel Kant (1724 – 1804).

Wij zijn gedoemd vrij te zijn
Jean-Paul Sartre

Ik denk er niet aan te kunnen ontkomen in mijn eigen waarheid en mijn eigen werkelijkheid te verkeren; een waarheid met als bouwelementen:
– mijn levensgeschiedenis voor zover die mij gevormd heeft,
– voor mijn vorming relevante gedachten, inzichten en waarnemingen,
– de invloed die mijn omgeving op mij gehad heeft en
– mijn interpretatie van de situatie waarin ik in het hier en nu verkeer.
Naar mijn idee geldt dit voor ieder mens. Ik dacht dat dit een algemene aanname was, maar de aimabel-ogende man denkt hier dus anders over. Hij schreef mij deze week dat wat hem betreft pas als alle kennis boven water komt, er tijd is voor interpretaties. Zijn stelling roept bij mij de vraag op hoe hij dan juist kan doen, want volgens mij zal nooit zal alle kennis bekend, laat staan ontsloten zijn.

Gelukkig wist de Engelse jurist, filosoof en sociaal hervormer Jeremy Bentham (1748 – 1832) wel raad met zulke vragen. Hij vond een maximum aan genot en een minimum aan leed en verdriet nastrevenswaardig. Zo stelde hij dat de juistheid van een handeling wordt bepaald door de gevolgen ervan: leverde een handeling in totaal voor de mensheid meer, langduriger en intenser genot op en minder leed of verdriet dan was de handeling juist geweest. Kom er maar eens om bij de huidige wereldleiders.

Het petekind van Bentham, de Engels filosoof en econoom John Stuart Mill (1806 – 1873) was het wel met zijn peetoom eens. Hij onderscheidde daarbij hogere (intellectuele) en lagere (platvloerse) vormen van genot. Toch is mijn probleem met Bentham en Stuart Mill is dat alleen achteraf uitgerekend kan worden of een handeling juist is geweest. Gevolgen kun je nu eenmaal niet allemaal van tevoren overzien.

De Brits filosoof-ethicus Bernard Williams (1929 – 2003) was een vernietiger van denksystemen en viel alle “ismen” aan met gelijke kracht, ook het utilisme van Bentham en Stuart Mill. Williams argumenteerde dat er een cruciaal moreel onderscheid bestaat tussen een moord die ik pleeg of een moord die iemand anders pleegt omwille van iets wat ik gedaan heb. Hij stelt zodoende dat men de juistheid van een handeling niet puur kan berekenen aan de hand van gevolgen voor de mensheid en introduceert ‘verantwoordelijkheid’ en ‘bevoegdheid’.

De Amerikaans filosoof Robert Nozick (1938 – 2002) redeneert in dit verband over de juistheid van een handeling vanuit een heel andere invalshoek. Hij toonde aan dat een maximum aan genot en een minimum aan leed en verdriet helemaal niet is wat mensen willen: “Mensen willen hun leven leven.” Dat spreekt mij aan.

De Franse filosoof en schrijver Jean-Paul Sartre (1905 – 1980) stelde dat men keuzes moet maken en voor de gemaakte keuzes verantwoordelijkheid moet dragen. Hij stelde: “Wij zijn gedoemd vrij te zijn”. Feitelijk zegt hij, net als de pre-socratici en de eerste Griekse sofisten zoals Protagoras van Abdera (± 490 – 420), dat “de mens de maat van alle dingen is”; voor de volledigheid: “van de dingen die zijn wat ze zijn en van de dingen die niet zijn wat ze niet zijn.

Toch blijken er problemen met een universele moraal, en als we het erover hebben of we in ‘interpretaties van de werkelijkheid’ zouden leven, of ons pas een interpretatie zouden mogen veroorloven als we alle kennis boven tafel hebben, spreken we over een universele moraal. Problemen met een universele moraal zijn
– dat traditionele waarden ondergeschikt worden aan een wereldwijd denken en
– dat de moraliteiten binnen verschillende culturen nogal eens met elkaar botsen.
Bovendien hebben we inmiddels weet over de ellende die het denken heeft veroorzaakt van de fascistische dictator Benito Mussolini (1883 – 1945), de bolsjewistische dictator en autocraat Jozef Stalin (1878 – 1953), de extreem-racistische nationaalsocialistische provocateur, populist en latere dictator Adolf Hitler (1889 – 1945) en de communist en dictator Mao Zedong (1893 – 1976) om er maar een paar te noemen; er zijn er nog veel, veel meer. “Wees maar voorzichtig met een alomvattende moraal”, hebben zij hun nabestaanden naar mijn hoop geleerd.

Toch handel ik voortdurend door te doen en door na te laten. Hoe bepaal ik de juistheid van mijn handelingen?
Ik heb daarop wel een antwoord: ik weet waarheen ik de mensheid zou willen leiden: wereldvrede. Mijn doen en laten beoordeel ik langs de meetlat in hoeverre mijn handel en wandel op mijn bescheiden plaats tussen de wereldbevolking bijdraagt aan wereldvrede. Ik sluit me daarom vooralsnog wederom aan bij Immanuel Kant, die stelde
– dat de intentie van een handeling belangrijker is dan het gevolg ervan,
– dat we de mens altijd óók als doel op zich en nooit allèèn als middel tot een doel mogen gebruiken, en
– dat wij alles wat wij doen als algemene regel zouden moeten kunnen èn willen laten gelden.
Het is bijvoorbeeld volgens Kant niet goed om te stelen, want de algemene regel ‘Stelen mag’, zou resulteren in een chaotische wereld waarin wij zelf niet zouden willen leven.

Ik kan er wel mee uit de voeten en voor mij is het ondoenlijk pas tot een besluit te komen wanneer ik (nagenoeg) de gehele waarheid ken.

Bronnen: “Filosofie voor het echte Leven” (2015) door de Vrije Academie en Brandstof en College “Hoe doe ik het goed?” door Lammert Kamphuis van de Vrije Academie op 17 december 2015 en https://nl.wikipedia.org op 22 december 2015 en 27 januari 2017.

De kern van dit blog verscheen als blog 266 eerder op de voorloper van deze website, die ‘uit de internet-lucht’ gehaald is.
______________
* De Werkgroep Socialisten in de PvdA gaf tussen 1991 en 1994 een blad uit met de titel ‘Stuitende taferelen’ als woordspeling op het in 1987 verschenen PvdA-rapport ‘Schuivende Panelen’.

Over zon en regen

Binnen een week is het zover. Dan wordt Donald Trump officieel wereldleider. Zo heeft de bevolking van de Verenigde Staten van Amerika bepaald, geholpen door hun kieswet. Eindelijk wordt deze 45ste Amerikaanse president geen traditionele president, die het fundamentele leidende principe van het Amerikaans presidentschap trouw zal uitvoeren: in standhouden van de economische en militaire overmacht over de rest van de wereld en het vrijwaren van de overmacht van grote bedrijven op de economie in eigen land. Eindelijk een ‘ongeleid projectiel’.

Van een Bernie Sanders had ik een goede invloed op de wereld en de burgers van de Verenigde Staten van Amerika verwacht, en ik ben er nog steeds niet rouwig om dat Hillary Clinton niet als Amerikaans president verkozen is. Met haar op die plek zou het op een andere manier ernstig fout gegaan zijn in de wereld, is mijn inschatting. Haar kijk op de wereld, het bekende beleid dat ooit door Ronald Reagan als 40ste Amerikaanse president ingezet werd, heeft genoeg slachtoffers gemaakt. Ook in Europese landen holt dat beleid al 4 decennia onze samenlevingen sociaal uit, waarbij overheden hun belangrijkste plicht verzaken: kwetsbaren beschermen tegen degenen met macht.

De jaren ’30 en ’40 hebben op Europese bodem de maatschappelijke wetten, die nu procesmatig dominant worden, blootgelegd. Dus, zou ik tot een minderheid behoren èn in de Verenigde Staten van Amerika wonen, dan werd het nu tijd om naar een buitenland te emigreren. Ook al zou ik tot een minderheid behoren die kwantitatief een meerderheid vormt.

Op orde volgt chaos en op chaos volgt orde. Misschien heeft de wereld een Trumpiaanse president nodig om de bevolking weer politiek bewust te krijgen en zich een beetje inzicht te verschaffen op de misdrijven die overal op de wereld in hun en onze politieke naam gepleegd worden. Tussen de jaren ’50 en ’80 bleek ook dat na complete chaos eventjes 3 ordelijke decennia aanbraken.

Na regen komt zonneschijn en na zonneschijn… juist.

Een man met Korsakov*

De eerste keer dat ik hem in oktober uitgebreider sprak, vroeg hij of ik interesse had in zijn ondernemingsplan. Daarop liet hij mij 3 velletjes zien met een vet, minstens driemaal groter lettertype dan gebruikelijk. Op elk velletje las ik 2 à 3 regels. Hij ging Jaquars verhuren met of zonder hem als chauffeur. Hij had alleen nog geldschieters en klanten nodig. De eersten om 3 verschillende Jaquars te kopen en de laatsten om inkomsten te genereren. Zijn droom zou volgende week al in vervulling kunnen gaan, want de banken toonden interesse in zijn plan.

De volgende keer had hij een paard gekocht en een nieuw businessplan ontwikkeld: Hij zou hele dagen vanuit huis gaan telefoneren, waarmee hij flink geld zou gaan verdienen. Die keer vertelde hij ook in 3 huizen te wonen. Dus dat geld was hard nodig. Hoewel, de was zou zijn moeder blijven doen. Last but not least zou zijn accountant hem binnenkort trakteren op een diner.

Daarna, het was inmiddels half november, zou hij komend voorjaar een vriend gaan helpen met de verhuur van zomerhuisjes. Hij was wat zakelijker dan die vriend, legde hij mij uit, dus die vriend had zijn hulp hard nodig. Hij zou zijn diensten aanbieden tegen een vriendenprijs, te weten reiskosten, kost en inwoning.

Na enige tijd kreeg ik een enthousiast telefoontje van hem. Hij had een nieuwe keuken gekocht, waardoor zijn ‘voor de helft onder water staande huis’ nog slechts voor 10% ‘onder water zou staan’. En dat was niet het enige goede nieuws. Hij had ook een Peugeot gekocht en zou voor Uber gaan rijden.

Pak me dan, als je kan, je kan me toch niet krijgen

Weer wat later kreeg ik de vraag hem bijna € 600 voor te schieten voor een 4de huis. Het leek mij geen verantwoorde investering van mijn geld en ik werkte aan dat nieuwe project niet mee.

Weer later kreeg ik een sms-je dat hij ergens in Frankrijk met honger naast zijn Peugeot stond. Het was avond en hij had heel de dag slechts één broodje gegeten. En dat kwam allemaal doordat ik niet meewerkte.

Vervolgens kondigde hij begin december aan terstond uit mijn leven te verdwijnen, omdat hij toch niets aan mij had. Hij had duidelijk teveel gedronken en hij was woedend op me. Als in een slecht toneelstuk zei hij nooit meer met mij te willen praten; en ging vervolgens nog zeker een half uur door met tegen me aan te praten. Nou ja, praten? Hij nam geen afscheid en trok de deur zachtjes achter zich dicht.

Daarna bedreigde hij mij een keer. Nu hij toch “nooit meer” met mij wilde praten heb ik hem toen direct maar geblokkeerd. Het waren overigens geen enge bedreigingen, want ik ken hem deze 10 weken als een goed-bedoelende man met een vriendelijk karakter. Nee, het waren kinderlijke intimidaties en uitdagingen van het niveau ‘Pak me dan, als je kan, je kan me toch niet krijgen’. In mijn beleving niet passend bij zijn 54 jaar.

Overigens ontmoette ik deze man als privé-persoon en niet vanuit mijn coachingbureau.

___________________________
* Het Syndroom van Korsakov is een ziektebeeld met een combinatie van ziekten in de spijsverteringsorganen van mond tot lever en alvleesklier en psychische problemen, zoals een specifiek geheugenverlies en gedragsstoornissen. Veelal zitten mensen ‘met Korsakov’ tot hun nek in maatschappelijke en sociale problemen. Het syndroom wordt veroorzaakt door alcoholmisbruik en een tekort aan vitamine B1, hetgeen met alcoholmisbruik kan samenhangen. Over het algemeen zijn de toekomstperspectieven voor een Korsakovpatiënt weinig rooskleurig, hetgeen vaak leidt tot ontkenning van hun problemen en weer nieuwe psychische problemen.

Bron: “Het syndroom van Korsakov” (2004) door Klaas Arts, uitgegeven door De Gelderse roos in Wolfheze.