De formatie kan beginnen, net als een diepgravende herbezinning op normen en waarden

Zo. Het zit er weer op. Voor voorlopig dan. VVD, D66, CDA en CU kunnen zachies aan beginnen met formeren. Daar zullen ze wel uitkomen, want op de keper beschouwd zijn er nauwelijks verschillen. Stuk voor stuk omarmen ze de mondiale en Nederlandse status quo.

Wat ik aan deze uitslag zorgelijk vind, is dat daarmee het staatsgevaarlijke CETA zonder hindernissen geratificeerd gaat worden. Ook zal deze coalitie het zo mogelijk nog gevaarlijker TiSA accepteren. Wat deze bedreigingen voor respectievelijk onze democratie en vrijheid betreft zijn we nu voorlopig volledig aangewezen op ontwikkelingen in andere landen van de Europese Unie.

Als winst van deze uitslag zie ik de mogelijkheid voor PvdA en GL om zich vanuit de oppositiestoelen te bezinnen op wat van ons kapitalisme fnuikend is voor principes als gelijkheid, het mondiale milieu, natuurbehoud, sociale rechtvaardigheid, solidariteit en vrede. Voor zover dit nog relevante thema’s zijn voor deze partijen.

Verder viel mij op dat in Limburg veel en langs de Duitse grens enkele gemeenten in meerderheid voor PVV kozen, dat GL de meeste stemmen kreeg in de Noordelijke helften van het Friese en Groningse vasteland, terwijl Oost Groningse gemeenten de meeste stemmen aan SP toevertrouwden. Dat de Nederlandse kaart verder nagenoeg helemaal VVD-blauw kleurt had volgens mij in de vorige eeuw niemand als vooruitzicht over nu kunnen bedenken. Dit keer krijg ik er geen buikpijn meer van al bevreemdt het mij dat men zelfs op de door mij geliefde Waddeneilanden in meerderheid voor VVD stemde.

Bron: “VVD 33 zetels, PVV voorlopig tweede partij” door de redactie Politiek van de NOS op 16 maart 2017”

Slecht nieuws voor nieuwsvolgers m/v

Wanneer ik op straat of in een bos gesprekken opvang, denk ik wel eens met een lach: “Oh, ja, daar heb ik het ook ooit over gehad; zelfde toon, zelfde boodschap.” Maar wanneer die gesprekken gaan over het nieuws wordt ik een enkele keer bevangen door een gevoel over sommige zaken beduidend meer te weten dan de prater. Hetzelfde gevoel wanneer ik iemand met een ING-pinpas zie betalen: “Die heeft sinds de Giro en de Postbank nooit meer een krant gelezen.” Onzin natuurlijk, maar dat gevoel heb ik wel, doordat ik weet – of denk te weten – hoeveel slechts ING (bijvoorbeeld) met ons geld in de wereld uitvreet en me niet kan voorstellen dat de pinpas-houder er achter zal staan dat zijn of haar geld voor dergelijke praktijken gebruikt wordt.

Onze onwetendheid is gevaarlijk, want ze is de basis waarop we in actie schieten.

Echter, voor degenen die het nieuws wel actief bijhouden heb ik slecht nieuws en een advies. Eerst het slechte nieuws: In het opinie-artikel ‘The media are misleading the public on Syria’ in de krant ‘Boston Globe’ van 18 februari jl. geeft Stephen Kinzer* zijn mening over de vooringenomenheid van de berichtgeving in de Amerikaanse mainstreammedia.

Kinzer ziet een verontrustend patroon in de selectieve manier waarop de Amerikaanse (en in hun kielzog de Westerse) media berichten over Syrië. De berichtgeving over oorlogsmisdaden blijkt volgens hem te worden bepaald door de kant die de journalisten hebben gekozen: de ‘onze’ of de ‘andere’, in plaats van door de ingewikkeld te duiden feiten. Zijn conclusies luiden: “De media misleiden het publiek over Syrië” en “De berichtgeving over de oorlog in Syrië zal worden herinnerd als een van de meest beschamende episodes in de geschiedenis van de Amerikaanse pers.

De meeste Amerikaanse media berichten volgens Kinzer het omgekeerde van wat er werkelijk aan het gebeuren is. ‘Gematigde rebellen’ blijken in werkelijkheid fanatieke wreedaards te zijn, die de bevolking terroriseren op een zo niets ontziende manier dat zij de soldaten van president Assad als ‘bevrijders’ verwelkomden.

Kinzer: “Die journalisten schrijven vanuit Washington dat ‘al Nusra’ een machtige groep is bestaande uit ‘rebellen’ en ‘gematigden’. Ze schrijven niet dat deze groep banden heeft met en voortkomt uit ‘al Qaïda’. Zij schrijven dat Saoedi-Arabië ‘vrijheidsstrijders’ steunt, terwijl het de hoofdsponsor is van IS (…) En alles wat Rusland en Iran in Syrië doen wordt beschreven als destabiliserend en negatief, omdat dat de officiële lijn is.

Kinzer: “De meeste Amerikaanse kranten en weekbladen hebben geen buitenlandse correspondenten meer (…) Berichten worden geschreven in de redactielokalen in Washington. Journalisten, die over Syrië schrijven, halen hun informatie bij het Pentagon, het ministerie van buitenlandse zaken, het Witte Huis en ‘experts’ van denktanken (…) Deze vorm van stenografie produceert het slappe infotainment dat doorgaat voor ‘Nieuws uit Syrië’.

Veel Amerikanen – en veel journalisten – zijn tevreden met het officiële verhaal: ‘Bestrijd Assad, Iran en Rusland! Vecht samen met onze Koerdische, Saoedische en Turkse vrienden om de vrede te bewerkstelligen!’ Dit is echter een weerzinwekkende omkering en vereenvoudiging van de uitermate complexe realiteit in en rond Syrië. Deze verzinsels zullen de oorlog daar onnodig verlengen en nog meer Syriërs veroordelen tot lijden en dood.

Volgens alternatieve Amerikaanse media is de vervormde berichtgeving niet de afwijking maar de norm; zeker in de grote commerciële mainsteammedia, ook als het over Syrië gaat. Echter, dat een man met de reputatie van Stephen Kinzer* dit schrijft, wijst op een dieper liggend probleem: zelfs de mainstreammedia beginnen aan te voelen dat het zo niet langer kan. De kloof tussen de waarheid en de berichtgeving erover wordt kennelijk te groot. Bovendien werken deze media zo de facto mee aan de verergering van de situatie in het Midden-Oosten.

Kinzer: “Men zegt dat Amerikanen onwetend zijn over de wereld. Dat is zo, maar dat zijn we niet meer dan in andere landen. Als de mensen in Bhutan of Bolivië een verkeerd idee hebben van wat in Syrië gebeurt heeft dat echter geen enkele consequentie. Onze onwetendheid daarentegen is gevaarlijk, want ze is de basis waarop we in actie schieten.

Mijn advies: Denk maar niet de waarheid via de mainstreammedia te vinden en behoud altijd een beetje achterdocht door u bij elk nieuwtje af te vragen: Welk belang wordt hiermee gediend?

Bronnen: “The media are misleading the public on Syria” door Stephen Kinzer in Boston Globe op 18 februari 2017, “De media misleiden het publiek over Syrië” door Lode Vanoost via de website van De wereld morgen en websites onder wikipedia (org), beide op 20 februari 2017.

________________
* Stephen Kinzer (1951) is een Amerikaans auteur en journalist, die onder andere op cruciale momenten in de wereldgeschiedenis correspondent was bij de New York Times en schrijft voor allerlei kranten en nieuwsagentschappen. Hij schreef onder veel meer The Brothers: John Foster Dulles, Allen Dulles, and Their Secret World War, Times Books, 2013. ISBN 978-0-8050-9497-8, Reset ook gepubliceerd onder de titel Reset Middle East: Old Friends and New Alliances: Saudi Arabia, Israel, Turkey, Iran, I.B. Tauris, 2010, ISBN 978-1-84885-765-0 en All the Shah’s Men: An American Coup and the Roots of Middle East Terror, John Wiley & Sons, 2003, ISBN 0-471-26517-9. Momenteel werkt hij als senior medewerker in het ‘Watson Institute for International Studies’ van de Amerikaanse Brown-universiteit te Providence, Rhode Island.

Klik hier voor het opinie-artikel van Stephen Kinzer.

Een NKBV-winterweekend

Vrijdag passeerde ik rond 16 uur bij Visé de grens tussen Nederland en België. De nieuwe tunnel onder Maastricht vond ik wat tegenvallen, maar in dat stukje langs de Maas richting Luik waan ik me direct in een bergachtig buitenland. Dat gevoel werd bij Verviers nog sterker. Wat vind ik dit Belgische heuvellandschap mooi. Bij La Reid, tussen Spa, Remourchamps en Theux, vond ik met wat hulp van de plaatselijke bevolking de auberge Gervova, waar ik de rest van de groep NKBV-ers zou treffen. NKBV staat voor de Nederlandse klim- en bergsportvereniging. Twee van hen waren mij voor. En zij hadden magnetronmaaltijden meegenomen, dus in mijn uppie ging ik uit eten in een van de twee plaatselijke café-restaurants. Ik voelde me echt op vakantie.

Bij terugkomst druppelden nog 6 deelnemers binnen. Ik ging vrij vroeg naar bed om de volgende ochtend lekker vroeg op te staan. Tijdens ons ontbijt arriveerden de laatste 2 deelnemers, zodat we nog voor 10 uur konden vertrekken.

We wandelden over gladde, kleiige paden door de bossen ten noorden van La Reid tot we een eerste riviertje langs ons pad vonden: de Chefna, een echte rivier met watergeruis en watervallen. Die rivier staken we zo’n acht keer over over een recht of scheef liggende halve boomstam. Wanneer de boomstam te scheef lag, gingen we over droogliggende stenen of legden ons er bij neer dat het niet anders kon dan door de rivier heen te stappen waar het (net) niet te diep was voor onze schoenen. Ik zag huizen in deze onherbergzame omgeving waarin ik graag mijn kinderen grootgebracht had. Het lijkt mij heerlijk om kinderen zo diep verscholen in de natuur groot te brengen. Het is er niet van gekomen. En wij kwamen daarna langs de Amblève te lopen, een brede rivier, tot we een café vonden waar we, voordat het zou gaan regenen, verse koffie, warme chocolademelk of bier konden drinken met door een magnetron opgewarmde apfelstrudel.

’s Avonds zette een van ons zich aan de voorbereiding van een pasta-tomatensoep en een ander aan de voorbereiding van een boerenkoolmaaltijd. Met alle geklets over bergtochten, materialen, wat de groepsleider vermag en wat verder ter tafel kwam werd het voor mij laat. En de volgende ochtend vertrokken we om 8.12 uur voor een volgende tocht ten zuiden van La Reid. Dat kwam doordat we volgens het programma om 9 uur zouden vertrekken en omdat 8 van de 10 deelnemers om 8 uur wilde vertrekken en 2 aan 9 uur wilden vasthouden, kwamen we samen uit op: 2/10 van 60 minuten is 12 minuten.

Deze zuidelijke tocht leidde ons met name over asfalt- en holle wegen door het heuvellandschap. Ik genoot van de uitzichten en de ontmoeting met een lynx in wat een safaripark genoemd werd. Na een consumptie in het overvolle plaatselijke café van La Reid arriveerden we rond 14 uur bij onze auberge. Daar aten en dronken we nog wat, kleedden we ons om en schoonden gebroederlijk alle gebruikte auberge-lokalen om tegen 15 uur weer op weg te gaan naar onze respectievelijke woningen in Nederland. We waren stuk voor stuk een NKBV-winterweekend-ervaring rijker en gingen zo de zesde week van dit jaar tegemoet. Wat gaat die ons brengen?

Over opbouw, afbraak en hoop

Ik ben geboren in 1953 en ben me van kinds af aan bewust in een bijzonder interessante tijd en plaats op de wereld te leven. In Nederland heb ik heel mijn leven al weinig te vrezen van ongelimiteerd onrecht en/of enige andere vorm van terreur.

En vanuit Nederland, met haar mogelijkheden voor haast iedereen om zich nagenoeg ongelimiteerd te informeren over van alles en nog wat, kan ik mij over heel veel op de hoogte stellen. Dat ik er van mijzelf nog een eigen leven op na wil houden is de belangrijkste beperking niet over alles het meest belangrijke te weten.

Daarnaast maak ik de ontwikkelingen in Nederland mee. In mijn ouderlijk gezin kregen we het financieel en materieel steeds beter totdat berichten verschenen dat Nederland ‘bijna af’ was. Dat was in de jaren ’70. Daarna werd de verzorgingsstaat stukje bij beetje afgebroken met inmiddels alweer 40 jaar politieke beloftes dat we het door die afbraak steeds beter zouden krijgen. Nederland is inmiddels allang niet meer ‘bijna af’.

Wat politieke beloftes in verkiezingstijden waard zijn, denk ik na enkele zware teleurstellingen inmiddels wel te weten. Ik houd me er doof voor en beoordeel politieke partijen en politici op hun stemgedrag en hun verklaringen gedurende de afgelopen 4 jaar.

De inkomens en vermogensongelijkheid loopt in de wereld en ook in Nederland uit de hand.
Multinationals bepalen wat we aanschaffen en zelfs wat we drinken en eten; er zijn nauwelijks nog zelfstandig ondernemende winkeliers.
Banken hielpen Nederland aan een indrukwekkend doel voor ons bijeengebrachte belastinggeld en mogen inmiddels weer vrijelijk hun gang gaan; de volgende financiële crisis tegemoet.
Degenen die zich van begin af aan voor hun levensonderhoud in Nederland hebben moeten melden bij voedselbanken, dreigen het nu zonder deze noodverziening te moeten doen. Dat heeft ermee te maken dat er in dit rijke land zoveel mensen niet in hun levensonderhoud kunnen voorzien dat er een beperking gesteld is aan het aantal jaren dat van deze – overigens voor een rijk land als Nederland beschamende – voorziening gebruik gemaakt mag worden.

En wat mij nog het meest intrigeert is dat het bewustzijn van het gevaar dat mensen voor elkaar kunnen betekenen afgenomen is. Het in mijn ogen onverantwoorde politieke beleid, dat onze Tweede Kamer sinds – laat zeggen – Balkenende in elkaar timmert, getuigd daarvan:
Sympathie voor verdragen die de verdragsteksten stellen boven nationale wetgeving; de Tweede Kamer is al akkoord gegaan met CETA waarin dit geregeld wordt.
Grondrechten en de universele verklaring van de rechten van de mens lapt de Kamer aan haar laars inzake bijvoorbeeld anti-Marokkanisme, Islamofobie en het wel weren van vluchtelingen, maar geen enkele actie ondernemen om ons aandeel in het ontstaan van stromen vluchtelingen richting Europa aan te pakken.
Het ondersteunen van regelgeving en wetgeving die het welzijn van mensen ondergraaft ten gunste van financieel beleid, lees het aan de liberale EU-regels voldoen van het begrotingstekort en begrotingsoverschrijdingen, waardoor de vraag steeds is: “Hoe betalen we …?” Vul maar in: AOW, gehandicaptenzorg, geestelijke gezondheidszorg, gezondheidszorg, pensioenen, uitkeringen, enzovoort. De vraag is niet: “Wat achten wij onszelf, gezien onze beschaving en de rijkdom van Nederland, verplicht te doen aan genoemde zaken?
In het algemeen kunnen we wellicht stellen dat mensen het in Nederland beter hebben dan in veel buitenland, maar de financiële zorgen voor grote groepen Nederlanders, die al langere tijd buiten de boot vallen, zijn bijzonder groot en groeiend en de mogelijkheden op vast inkomen voor deze mensen wordt stukje bij beetje – door het steeds verder afschaffen van voorzieningen – steeds kleiner.

Inmiddels zijn we eraan gewend geraakt dat – anders dan onze ouders – de volgende generaties het financieel en materieel in Nederland, zijnde een van de rijkste landen van de wereld, slechter krijgen dan de generaties voor hen. Politici die lagere belastingen bepleiten of een kleinere overheid wensen, werken volgens mij mee de overheid tandeloos te maken waar het aankomt op de bescherming van de zwakkeren in de samenleving – u en ik – tegen de sterkeren, zoals aandeelhouders, grootbanken en grootbedrijven. Terwijl ik de bescherming van de machtelozen tegen de machtigen als dè kerntaak van de overheid zie. Maar de politiek kiest kamerbreed voor de economie van de grootbanken en grootbedrijven en laat zich al decennia weinig gelegen liggen aan de economie van uw en mijn huishoudboekje. Inmiddels is het heel gewoon dat in een gezin beide ouders inkomen moeten verwerven en dan nog moeite hebben rond te komen, waaraan de flexibilisering van wat ‘arbeidsmarkt’ genoemd wordt ook een zware wissel trekt op de bestaanszekerheid van gezinnen.

Wat politieke beloftes in verkiezingstijden waard zijn, denk ik na enkele zware teleurstellingen inmiddels wel te weten. Ik houd me er doof voor en beoordeel politieke partijen en politici op hun stemgedrag en hun verklaringen gedurende de afgelopen 4 jaar. Dat biedt mij een beter houvast – hoop ik – dan me te laten overtuigen door verkiezingsbeloften waarover ik na de stemming op 15 maart begrip moet hebben dat ze niet nagekomen worden in ons staatsbestel waarin politieke partijen door ‘te geven en te nemen’ hun politieke macht verdelen.

Ik denk te zien hoe desastreus liberaal beleid de afgelopen 4 decennia heeft uitgewerkt op ons dagelijks leven en ons denken. En één ding weet ik daardoor al bijna zeker: ik stem niet op een liberale politieke partij. Dus van de 28 partijen, die straks meedoen, valt voor mij volgens een ruwe schatting zo al zo’n 75% af. En verder blijf ik genieten van deze voor mij interessante tijden.

Twee heren op leeftijd

Er zijn veel mooiere plekken in Utrecht, maar regelmatig wandel ik rond 8 uur vanaf het Vreeburg, tegenwoordig Vredenburgplein, Hoog Catharijne binnen. En wanneer men iets op vaste tijden doet, ontdekt men andere mensen die daar ook op dat moment zijn. Twee oudere heren, daarover gaat dit stukje. De een bedrijvig en morsig, de ander bebrild, lang en vriendelijk ogend.

Zij waren rond die tijd steeds in druk gesprek aan tafels in het Godebaldkwartier of stonden daar, de een druk gebarend, of waren onderweg richting Vredenburg; tegenwoordig Vredenburgplein. Altijd in druk gesprek. Ik begon hen te groeten en zij mij. Ik houd wel van zulke mannen en moet mij inhouden hier niet ‘mannetjes’ te schrijven.

Altijd waren ze daar, zoals de schoonmaker en de hooggehakte dame. Eerder dit jaar was er slechts de een. Soms alleen en soms geanimeerd in gesprek met andere vaste bezoekers. Ik vroeg hem naar de ander.
Die is 2 weken op vakantie in Spanje met zijn zus.
Of hij die ander miste?
Welnee. En de tijd vliegt.

Daarna zag ik ze steeds weer samen in druk gesprek in het Godebaldkwartier of onderweg richting Vredenburg. Of Vredenburgplein. En we groetten elkaar weer als vanouds.

Op een gegeven moment kwam de ander op mij af. Ik weet niet waar vandaan. De een was overleden. Een hartstilstand.
Hij had niet naar mij geluisterd”, vertelde hij vriendelijk. “Hij had naar de dokter moeten gaan, maar heeft dat niet gedaan.
Of hij die ene mistte?
Welnee.
Verbaasd legde ik hem voor dat ze altijd geanimeerd in druk gesprek waren.
Nee hoor, hij was in gesprek, maar ik niet. Ik hoorde hem aan. Bovendien vertelde hij altijd hetzelfde. Hij hield nooit op. Nee, ik mis hem niet en heb vanmorgen mijn krantje gehaald, de Metro op het Centraal Station, en mijn kopje koffie gedaan bij dat cafetaria vlakbij het Centraal. En zo direct ga ik naar de koffiekring. Nee hoor, daar heb ik hem allemaal niet bij nodig.

Wat we al niet kunnen maken en weten

Wat mij aan het nieuwsbericht het meest fascineert is dat ‘we’ weten dat ‘het’ er is, ook al is het zo ver weg dat het licht de tijd nog niet heeft gehad om de aarde te bereiken. ‘We’ weten het dus eerder dan ‘we’ het hebben kunnen waarnemen, want gehoord hebben ‘we’ het ook niet, en het is niet te proeven, te ruiken of te voelen:  ‘slechts’ 100.000.000.000 sterrenstelsels kunnen ‘we’ met de ruimtetelescoop Hubble traceren, de overige 900.000.000.000 zien ‘we’ nog niet. En toch weten ‘we’ dat ze er zijn.

Britse wetenschappers van de Universiteit van Nottingham weten dit door modellen te maken van wat ze wel waargenomen hebben. En dan; want daarom was het nieuws, blijkt het totaal aantal sterrenstelsels 20x zoveel als ‘we’ eerst dachten.

Bovendien hebben de wetenschappers een beeld gekregen van sterrenstelsels in verschillende periodes in de geschiedenis van het heelal. Hun onderzoek gaat terug naar meer dan 13.000.000.000 jaar. Dat is in de buurt van de oerknal die het heelal zou hebben gevormd. ‘Ze’ missen nog 6% van de geschiedenis van ons universum, te weten het allereerste stukje van zo’n 800.000.000 jaar.

Mensen zijn ook tot zulke indrukwekkende prestaties in staat.

Zo kunnen ‘wij’, die zelf tussen de 60 en 100 jaar oud worden, miljarden jaren terug bestuderen en een biljoen lichtjaren om ons heen in kaart brengen, terwijl ik het al bijzonder vind een zonsondergang, Noorderlicht of de planeet Venus te zien.

En dan – voor het evenwicht – nog even naar het overzichtelijke. Vandaag had ik hulp ingeroepen bij het vervangen van een batterij van mijn computer. Laatste is 9 jaar oud en de batterij, die de tijd bijhoudt als de computer uitgeschakeld is, was op. In de Roobolkapel, waar de batterij vervangen werd, hield ik een complete computer met een geheugen van 1 terrabite in mijn handpalm. Hij had de grootte van een klein luciferdoosje en het gewicht van een viltstift. De stekker in- en uitgangen waren het grootst, want zonder die zou de inhoud gelijk zijn aan alleen het omhulsel van een luciferdoosje.

Wat kunnen mensen een hoop ontdekken en maken.

Bron: “Universum bevat twee biljoen sterrenstelsels” door en via http://www.nu.nl op 14 oktober 2016.

Een vroeg avontuur

Vanmorgen liep ik door het natuurgebiedje “De Hoorneboegse Heide”. Die naam heb ik niet bedacht. Het natuurgebiedje zou vroeger “Hilveroord” of “Hornebok” genoemd zijn. Buitenplaats “De Hoorneboeg”, op het hoogste deel, is nu de naamgever van deze heide omzoomd door bossen. De naam is afgeleid van deze heuvel, die “Hoogenberg” of “Hoornboo” genoemd werd. Het is het hoogste punt en de heuvel heeft de vorm van een hoorn. Aan het eind van de achttiende eeuw ontstond de buitenplaats hier waarvan de naam later verbasterd zou zijn tot “Hoorneboeg”. Op de buitenplaats zijn onder andere twee herenhuizen te vinden waarin nu een conferentiecentrum van de Remonstrantse Broederschap is gevestigd. Daarvoor stonden vanmorgen veel geparkeerde auto’s, maar ik zag er niemand.

Ik was vroeg op, de zon scheen en ik bedacht even op de fiets te springen om daar, een kilometer of zes verderop, een wandeling te maken voor ik de dingen zou doen die ik vandaag van plan ben te doen. Het voelde een beetje als spijbelen, wat het niet was.

Net toen ik aan mijn wandeling begon, hoorde ik gerommel schuinboven mij. Daar was een grote bonte specht aan het hameren. Met zijn snavel maakte hij dat drumgeluid, dat je vaker in bossen hoort. Dat verbrak heel af en toe de stilte in het bos. En boven mij rommelde ook nog iets of iemand. Dit bleek een ander soort specht te zijn; de groene. Geen bijzondere waarneming voor vogelaars, maar wel voor mij. Een monter beestje met mooie groene veren en rood op zijn kopje. Het was kennelijk in de bast van een boom naar insecten aan het zoeken. Ja, het gaat er in de natuur voor prooidieren wreed aan toe.

Dit in dat stille bos mee te maken, maakte mijn hele dag zo vroeg in de morgen al goed. Hier waar niemand – behalve ik bij toeval – het merkt, gaat het leven door. Bovendien, de boom zal er niet veel last van ondervinden. De weggehapte insecten en spinnen des te meer. Wat zouden die ervan meekrijgen opgeschikt te worden door getimmer en gedrum alvorens evenplots opgegeten te worden? Beide spechten – denk ik – en ik beleefden er een mooie dag aan.

Misschien beleefden de inzittenden van de auto’s voor de buitenplaats “De Hoorneboeg” andere spannende avonturen. Bij gebrek aan gegevens kan ik daarover helaas niets zeggen.

Bron: http://www.ivn.nl, http://www.wikipedia.org, beide op 13 maart 2015, en “Straatnamenboek van Hilversum: Hilversums historie vanuit de straatnaam” door A. H. Meijer (1988) ISBN 90-6550-317-X

Dit blog publiceerde ik eerder op de ter ziele gegane website http://www.gerardus.blog.com, dus het eerste woord ‘vanmorgen’ vond ruim anderhalf jaar geleden plaats. Heel die dag op 13 maart 2015 bleef ik overigens van dit avontuur nagenieten…

Heel veel dat net goed gaat

Terwijl ik net wel gebruik kon maken van mijn NS-abonnement, waarmee ik op werkdagen pas na 9 uur kan inchecken was ik ruim op tijd op Schiphol. Zo ruim dat ik, voordat ik door de paspoort-controle ging, nog even op mijn gemakje iets ging drinken. Dat had ik achteraf beter niet kunnen doen.

Na mijn gemakje werd ik met een hoop andere mensen op weg naar de paspoort-controle tegengehouden. Het was er zo druk, dat we er op gewezen werden dat we ook bij de terminal voor intercontinentale vluchten de paspoort-controle konden passeren. Ik bleef waar ik was. Terecht bleek later, want ook in de andere terminal was het een drukte van belang met lange wachtrijen.

Eenmaal door de controle zette ik me aan de lange wandeling naar British Airways aan het eind van terminal D. Vijf minuten voordat mijn vliegtuig zou vertrekken sloot ik achteraan aan op de lange rij boardende passagiers. De twee passagiers, die naast mij een stoel hadden gereserveerd, hadden meer pech. Die moesten een ander ticket kopen om in Gattwick te komen. Ik daarentegen had de ruimte.

De Britten zijn ‘verry polite’; in het verkeer gaat heel veel maar net goed.

Ruim een uur later nam ik de trein naar de Engelse zuidkust, vandaar een trein naar Rye en vandaar mocht ik meerijden naar Camber Sands. Daar wachtte een verrassing. Doen de huizen in Sussex mij denken aan rood bebaksteende speelgoedhuisjes naar Charles Dickens en voor de jongeren onder ons: naar J.K. Röwling, wij hadden een ruim oud-nieuwbouw appartement met grote, lichte kamers, direct aan de duinen. De verry polite buurman, alle mensen die we ontmoetten waren zo polite, maakte ons wegwijs wat betreft regionale bezienswaardigheden, het parkeren in de buurt en de betere restaurants. De mensen zijn aan de dikke kant en kleden zich weinig modieus. Middeleeuwse kastelen, kerken en poorten – en meestal de overblijfsels daarvan – herinneren aan een rijke Britse historie. Het koningshuis is in kerken nadrukkelijk aanwezig. En tradities worden meer in ere gehouden dan wij hier gewend zijn. Uiteraard genoten we in een Tearoom op een pier in de zee van een Light afternoon tea, zo’n Engelse thee met een wolkje melk (en die dan nog niet te pruimen is), met scones, aardbeienjam, boter en clotted cream. Het glooiende, kleinschalige landschap voelt overzichtelijk en aangenaam. Er doorheen wandelen is andere koek: een footpath bleek een lange route – niet een pad – dwars over haast eindeloze akkers te zijn. En dat glooiende is verraderlijk: wordt overal gewaarschuwd voor wat eventueel in een zeker geval fout zou kunnen gaan “Mind the gab between the train and the platform; bij de Seven sisters ‘Bailey’s Hill’, ‘Brass Point’, ‘Flagstaff Brow’, ‘Haven Brow’, ‘Rough Brow’, ‘Short Brow’ and ‘Went Hill’ houdt het glooiende landschap onaangekondigd op om na een diep ravijn van hoge krijtrotsen verder te gaan als op de kust en een vuurtorentje beukende zee.

Onder de indruk was ik ook nog van de goede organisatie rondom de Kanaaltunnel. En wat mijn bezoek aan Kent en Sussex nog wel even zal bijblijven: hier werd ik gewaar hoe gevaarlijk we met elkaar in het verkeer doen. Niet gewend aan links rijden, merkte ik tal van gevaarlijke situaties op: de hoge snelheden waarop auto’s elkaar en fietsers passeren. Terug op het vaste land ben ik dat gevoel al snel weer kwijt, maar in Engeland merkte ik door mijn onwennigheid op dat in het verkeer heel veel maar net goed gaat.

Freddie Vork

Ik draag contactlenzen. Tijdens mijn vakantie zag ik, nadat ik ze ingedaan had, oh schrik, met een oog niet scherp. De hoop dat mijn lens bij het indoen mijn tent ingewaaid was, liet ik varen nadat ik mijn tentje 3 keer ‘uitgekamd’ had. Gisteren bestelde ik in Utrecht een vervangende. Daarna dronk ik nog een biertje op de Neude.

Er kwam een soldaat aangefietst. Althans een man in legergroene kleren, groene schoenen, een groene fiets en een bruine bal. Midden op de Neude begon hij met die bal te spelen. Hij deed de meest onmogelijke dingen met die bal: hij liet hem op zijn tenen balanceren, op de wreef van zijn voet, op zijn scheenbeen, op zijn dijbeen en op zijn voorhoofd. Hij liet die bal stuiteren van de ene voet naar de andere, via zijn scheenbeen en liggend op zijn buik naar zijn hoofd en terug; van linker naar rechter schouder en terug; van linker naar rechter elleboog en terug. De bal hoog in de lucht zwiepend, ving hij hem op zo’n manier op dat de bal in een keer tot stilstand kwam op de wreef van zijn voet. Ik dacht nog: “Hij zal bij een voetbalwedstrijd toch je tegenstander zijn… Ik zou niet weten hoe hem de bal af te troggelen”.

Nadat ik van mijn biertje genoten had, liep ik langs hem en vroeg hoe lang hij op al deze kunsten geoefend had. “35 jaar”, was zijn antwoord. Hij bleek ‘freestyler’ Freddie Vork te zijn. Hij was geïnteresseerd in allerlei spirituele stromingen en stoorde zich aan de angst en onnadenkendheid van de mensen, die hij op straat ontmoette, “Wèl vanuit de verte videootjes maken, maar geen contact met mij durven leggen“. De Nederlands radiomaker, ‘spiegeloog’, tijdschriftenmaker, verhalenverteller en Fluxus-kunstenaar Willem de Ridder achtte hij ‘de meest wijze mens van Nederland’. Bij fluxus werden de grenzen tussen beeldende kunst en muziek opgeheven waardoor op 13 november 1964 in het Kurhaus in Scheveningen een Concert voor belegde broodjes en een Concert voor pakpapier opgevoerd kon worden. En zo hadden we nog een heel gesprek. En toen ik de volgende winkel voor een laatste boodschap bezocht, zette hij zijn balgoochelkunsten voort.

En wanneer u zelf zijn onmogelijke balkunsten wilt zien, klik dan hier, dan ziet u ook verschillende plekjes van Utrecht.

Tussen gras, gruis en stenen

Het regende dus ik draaide me nog even om voor een hazenslaapje. Wat later werd ik wakker, misschien wel van de stilte. Ik ritste mijn cabine open en zag dat mijn tent nog nat was. Opnieuw draaide ik me om, maar nu om verder te lezen in De Groene Amsterdammer van 1 september jl.. De regen was kennelijk opgehouden. Na geboeid een of twee artikelen gelezen te hebben vond ik het tijd om mijn spullen in te pakken.

Zo gedacht zo gedaan. Het bleek buiten ijzig koud. Het landschap zag er fenomenaal uit. Ik stond dan ook met mijn tentje op 2.320 meter hoogte bij de twee ‘Steinwandseen’ die deel uitmaken van het massief ‘Corno bianco di Pennes’. Onder de wolken was het helder, zodat ik uitzicht had op de bergen ver weg. Boven mij hing nog een zwarte wolk die aan het optrekken was. Ik besloot mijn winterkleding aan te trekken. En dat in Italië op 5 september 2016.

Nadat alles ingepakt was inspecteerde ik de omgeving waar mijn tent gestaan had en rondom ‘mijn’ kooksteen even verderop aan een beginnend riviertje. Ik had niets achtergelaten, dus kon vertrekken. De dag daarvoor had ik zonder bagage al verkend hoe ik via een mooie route de weg naar het pad terug kon vinden. Deze verkende weg nam ik. Sentimenteel of niet, voor mij is het elke keer ‘afscheid nemen’ van zo’n mooi plekje. Alleen de herinneringen er aan en de foto’s er van neem ik mee.

Na een tijdje klimmen kwam ik terug op ‘het pad’ dat ik gevolgd had voordat ik naar de meertjes afgedaald was. Daar was duidelijk meer gelopen. Het pad voerde me verder en verder het bergmassief op tot ik over de berg heen kon kijken het volgende dal in. Dat is voor mij altijd ook een bijzonder moment tijdens zo’n tocht. Ja, dit soort tochten zit voor mij vol bijzondere momenten. Op een bergrug haal ik een doel en kijk plotseling een volkomen nieuwe wereld in. De markeringen op deze bergrug brachten me in verwarring. Moest ik die volgen of niet? Had ik misschien ergens een afslag gemist? Met mijn kaart bekeek ik ‘Giogo d Frane’, de plek waar ik was, van verschillende kanten. Ineens begreep ik hoe de kaart juist was en de markeringen ook klopten. Mijn handschoenen konden onderhand wel uit; mijn wintermuts bleef op.

Ik volgde een steile afdaling waarin ik 210 meter daalde over 300 meter afstand. Dat bleek zo steil dat de zolen van mijn bergschoenen aan de voorkant er los van raakten. Nog zo’n 500 meter afdalen verderop, daar waar ik weer zou gaan stijgen, besloot ik mijn ontbijt of lunch te gaan gebruiken: water, brood en kaas. Ik berekende waar ik zou overnachten, gezien de hoeveelheid dag die blijkens de stand van de zon nu nog restte. Uiteindelijk bleek dat ik onverwacht 3 kilometer eerder een fantastisch mooi plekje met stromend water tegenkwam. Daar besloot ik mijn tentje op te zetten. Die steile afdaling hakte er niet alleen voor mijn schoenen, maar ook voor mij in. Ik ben dan ook geen 16 meer. Ik zou nu slapen op 2.285 meter hoogte.

Heel de dag was ik geen mens tegengekomen. Ik rustte, verkende de omgeving, die ik klaarblijkelijk deelde met wat geiten, ik genoot van de stilte en mijn nieuwe uitzicht over gebergten en ik genoot van mijn avondmaaltijd. Wegens pech met mijn gastoestel bestond die uit pinda’s, brood, kaas en chocola toe. Een nacht met harde windvlagen, afgewisseld door perioden van stilte zou volgen.

Dat is voor mij vakantie.