Alweer een Scandinavisch land winnaar

Even iets anders dan de gevolgen van het nieuwe Coronavirus-uitbraak. In het World Hapiness Report is Finland voor het derde jaar op rij uitgeroepen tot het land met de gelukkigste inwoners ter wereld. Dit is gebaseerd op peilingen van zes variabelen, te weten
1. afwezigheid van corruptie,
2. bruto binnenlands product per hoofd van de bevolking,
3. gezonde levensverwachting,
4. sociale steun,
5. vrijgevigheid en
6. vrijheid

Sinds het begin in 2012 hebben slechts vier landen de koppositie veroverd. Denemarken in 2012, 2013 en 2016, Zwitserland in 2015, Noorwegen in 2017 en Finland in 2018, 2019 en 2020. Nu mis ik de winnaar van 2014, maar van dat jaar ontbreekt een rapport.
Het mondiaal geluksrapport wordt uitgebracht door het Sustainable Development Solutions Network (SDSN-UN) van de Verenigde Naties. De tien eerste plekken in 2020 zijn:

1. Finland
2. Denemarken
3. Zwitserland
4. IJsland
5. Noorwegen
6. Nederland
7. Zweden
8. Nieuw-Zeeland
9. Oostenrijk
10. Luxemburg

Dus Nederland doet het met een zesde plaats ook goed. Toch staan sinds aanvang de vijf Noordse landen – Denemarken, Finland, Noorwegen, IJsland en Zweden – allemaal steeds in de top tien van de jaarlijkse lijst. Dat valt op.

Hoe kouder hoe beter? Nee, volgens het verslag hebben de gelukkigste landen vaak een hoog niveau van de variabelen die het welzijn ondersteunen.
> gezonde levensverwachting,
> hebben van iemand om op te rekenen,
> voldoende inkomen en
> vrijheid.
In de enquête van dit jaar werd bij het bepalen van iemands gelukstoestand ook gekeken naar omgevingsfactoren, waarbij gegevens over klimaat, temperatuur en vervuiling gebruikt werden. Ook de gevolgen van ongelijkheid werden meegewogen, en hoe de sociale omgeving de gevolgen van ongelijkheid kan helpen verzachten. Dit suggereert het geheim van het Scandinavische geluk: de verzorgingsstaat, die relatief genereuze voordelen mogelijk maakt, en een regulering van de arbeidsmarkt om uitbuiting te voorkomen.
De kwaliteit van de overheid en overheidsinstellingen zijn belangrijk voor de nationale tevredenheid. Bovendien blijkt een relatief hoog inkomensniveau ook nog eens samen op te gaan met goed functionerende democratieën en – uiteraard – een groter gevoel van autonomie en vrijheid in de best scorende landen, terwijl de sociale cohesie ook een sterke indicator van geluk in een land blijkt te zijn. Daarom bezetten Scandinavische landen waarschijnlijk steeds de topplaatsen op dit gebied.

De tien landen met de minst gelukkige inwoners zijn volgens het SDSN-UN in 2020:
India
Malawi
Yemen
Botswana
Tanzania
De Centraal Afrikaanse Republiek
Rwanda
Zimbabwe
Zuid-Soedan
Afghanistan

Fijn toch, dat we nog negen volle maanden kunnen genieten van deze zesde plaats; wat er ook gebeurt.

Bron: “World Happiness: Finland takes top ranking for third year in a row 8¨ door Luke Hurst via Euronews op 20 maart 2020

En voor wie dit stukje wat te zoetsappig vindt, breng ik hier graag een link onder uw aandacht, die een ander politiek inzicht biedt. Dit inzicht is wel gebaseerd op de politieke reacties op het Covid-19-virus dat onder ons is.

Bij 2 Corona Extra gratis 1 Mort Subite

Vandaag zal blijken wat de werkelijke agenda van onze regering is: in goed Nederlands Bailout the people of Bailout the banks and the multinationals. Je kunt als overheid beslissen om enkele maanden de huur en de facturen voor nutsvoorzieningen te betalen van mensen die door de crisis minder inkomen en meer uitgaven hebben. Of je kunt als overheid beslissen om elk bedrijf, ook het meest belasting-ontwijkende en meest vervuilende overeind te houden. Om maar wat uitersten te noemen.

Het Coronavirus veroorzaakt een acute crisis die door al die steunpaketten ongetwijfeld ook in een economische crisis zal ontaarden. De Europese Unie heeft immers duidelijke regels voor begrotingstekorten en overheidsschulden bedacht (ook al staat de rente op schulden historisch laag). We ontdekken dat besparingen van de voorbije decennia in alle overheidssectoren niet de beste voorbereiding waren op een gezondheidscrisis van deze omvang, maar deze wetenschap houden we nog even onder de pet.

De acute Coronacrisis komt op een moment dat we met elkaar ook een bedreiging van de wereld als leefwereld voor nu levende mensen (dieren en planten) het hoofd moet bieden: klimaatverandering. Nu al vragen verschillende bedrijfstakken (met de reeds flink gesubsidieerde en klimaatverandering bevorderende luchtvaartindustrie voorop) om financiële steun van overheden. Even zijn we (lees ‘ze’) vergeten dat overheidsbemoeienis voor de vrije markt volgens de invloedrijke predikers van de afgelopen 40 jaar uit den boze is; zoals steeds weer wanneer er bij overheden wat te halen valt.

Volgens dr. Fatih Birol, de baas van het International Energy Agency, kan Corona naast bedreiging ook een kans zijn in die fundamentele transitie van onze economie en onze energiesystemen. De bedreiging zit ‘m in met name
– onderbroken aanvoerlijnen vanuit China, waar de meeste duurzame energie-technieken vandaan komen,
– dalende olieprijzen, die energie-efficiency minder financieel aantrekkelijk maken en
– overvraagde politici, die zo druk zijn met Corona dat ze andere bedreigingen, zoals armoede, klimaatverandering en gebrek aan toekomstperspectief, uit het oog verliezen.
Kansen zitten hem vooral in de steunmaatregelen, die overheden nu voorbereiden om de economie op gang te houden. Het belastinggeld dat nu wordt uitgetrokken om sectoren te steunen, die het door maatregels om Coronabesmetting tegen te gaan zwaar hebben, zou wat mij betreft gekoppeld moeten worden aan duurzame doelen. Daarmee houden we ook volgens Birol niet alleen nu de economie op gang, maar bouwen we direct aan de economie van de toekomst.

Frankrijk legt 10% van het bruto binnenlands product (BNP) op tafel als garantie voor banken, die geld geleend hebben aan bedrijven die nu dreigen ten onder te gaan. Nieuw-Zeeland maakt 4% van het BNP vrij om bedrijven en werknemers te ondersteunen. De Verenigde Staten van Amerika vergoeden in elk geval de schade, die heel de luchtvaartindustrie lijdt, voor 100%.

Vanavond, wanneer het Nederlandse pakket aan steunmaatregels bekend gemaakt wordt, wordt zo de lakmoesproef afgenomen:
– gaan we geld uitgeven om fossiele sectoren in het zadel te houden of geven we geld uit om hen op een koolstofarme toekomst voor te bereiden?
– Krijgen de aarde, de gezondheidszorg en mensen prioriteit of de economie, waaraan binnen ons hijgere kapitalisme alle welvaart en welzijn voor gewone mensen* uiteindelijk ondergeschikt zijn?

Ik heb er weinig vertrouwen in met een regering, die eerder al plaatsen waar meer dan 100 mensen samenkomen sloot, maar scholen open wilde houden. Niet omdat het onderwijs zo belangrijk is, maar omdat anders kinderen elders opgevangen moesten worden.

Bronnen: “Waarom we nu een volmachtenregering hebben (en dat is niet voor onze gezondheid)” door Christophe Callewaert via DeWereldMorgen op 17 maart 2020 en “Energieagentschap: ‘Gebruik coronavirus om energietransitie te versnellen’” door Ties Joosten via FollowTheMonney op 16 maart 2020.

* In verkiezingstijd worden deze mensen, voor zover ingezetenen, aangeduid met de term ‘Hardwerkende Nederlanders’. Overigens verwijs ik voor de achtergrond van deze zin naar wat ik enkele jaren heb bijgehouden over wat mensen vermag. Dat is hier te vinden onder het kopje “Over mensen”.

Ruimte nemen om mezelf te verbeteren

De trombone is onder de blaasinstrumenten wat de cello onder de snaarinstrumenten is. Ik speel nu bijna 2 jaar cello; zo’n groot viool-achtig muziekinstrument dat (meestal) met een pootje op de grond staat. De klankkleur van dit muziekinstrument vind ik prachtig; kan prachtig zijn. Dat hoorde ik twee jaar geleden bij een concert met de titel “De menselijke stem van de cello” uitgevoerd door leerlingen van het Utrechts conservatorium. Daarvoor had ik nog nooit een strijkstok vastgehouden. Wel heb ik in een grijs verleden verdienstelijk schuiftrombone gespeeld.

Het noten lezen moest na 40 jaar weer opgefrist worden. Onlangs heb ik een overzichtje gemaakt van de 15 toonladders met de bijbehorende grepen voor zover ik daar zicht op heb. Ik leer nu de zogenaamde ‘grote grepen’ op de eerste positie (een verschuiving van duim of vingers met een halve noot) en het spelen op de ‘tweede en “duimpositie”‘ (van de vijf). Het maken van dergelijke overzichten is voor mij gemakkelijker dan elke keer weer spelend de snaren op de juiste plek op de juiste manier in te drukken of aan te raken, wanneer vingers de snaren niet moeten aanraken ze erboven te houden en voor te bereiden wanneer ze weer in actie moeten komen en met mijn duim, die geen snaren indrukt maar als ‘oriëntatiepunt’ gebruikt wordt, met de gewenste druk tegen de hals aan te houden, of juist los daarvan te houden, met de andere hand de strijkstok losjes en toch sturend vast te houden en met mijn strijkstok op de bij de te produceren tonen behorende manier op de juiste plek onder de gewenste hoeken te strijken met de juiste druk en met het te wensen deel van de haren van de strijkstok en met verder ontspannen armen, tenzij er getokkeld moet worden. Om dat allemaal te leren en vingervlugheid te oefenen heb ik ook les; morgen de 40ste.

Bepaalde dingen leren vind ik leuk, wanneer ze mij interesseren. Het leren dit muziekinstrument te bespelen vind ik bijzonder leuk. Mijn docent inspireert me. Ze weet me al twee jaar te stimuleren door te gaan met schier onmogelijke dingen aan- en afleren en ze weet mijn leerstof te doceren. Ik ga door het cellospelen ook anders naar muziek luisteren en heel de dag spelen er deuntjes door mijn hoofd. Meestal melodieën die te maken hebben met wat ik op mijn cello onder de knie probeer te krijgen. Muziek is nu al twee jaar terug in mijn leven. Veel meer dan toen ik geen instrument leerde te bespelen en vaak naar fado’s luisterde; intenser.

Het moet leuk blijven.

Sinds een jaar speel ik op mijn verzoek ook samen met andere cellisten; leerlingen van mijn cellodocent. Het samen muziek maken vind ik leuk als aanvulling op mijn oefeningen. Zeker bij muziekstukken, waarin de ene stem ritmisch anders is dan de andere, klinkt de muziek een stuk voller dan wanneer ik alleen speel. Het is voor mij door de gerichtheid op wat de ander speelt en daarop aan te sluiten ook leerzaam. Het is meer muziek maken dan oefenen. Vandaag waren mijn medecellist en ik bijzonder tevreden over hoe mooi het soms klinkt. Zelfs voor het eerst een beetje trots.

Sinds ruim een half jaar speel ik ook nog mee in een amateur-orkest. Dat is voor mij flink aanpoten; vooralsnog eigenlijk te hoog gegrepen. Maar ik mocht na een auditie blijven, ik leer er veel van en mijn leercurve stijgt nu sneller dan toen ik er nog niet in meespeelde. Ik zorg ervoor niet te detoneren wanneer ik onzeker ben over een aantal maten van een muziekstuk en ik heb er heel veel plezier in zoveel als mogelijk op de door de dirigent gewenste manier mee te spelen; deel uit te maken van zo’n groter geheel dat allerlei stemmingen weet op te roepen. Daar komt bij dat de sfeer er heel prettig is.

Afgelopen week heb ik tijdens onze oefenavond tegen de dirigent gezegd dat het aan haar is om te beslissen, maar dat ik wat mij betreft de komende uitvoering voor publiek liever nog niet meespeel. Ik deed dat nadat ik dat al veel eerder aan het bestuur gemeld had. Muziek maken moet, omdat ik het puur voor de lol doe, geen prestatiedruk opleveren. Het moet leuk blijven. Voor mij ontstaat er zo ruimte om met alle plezier in mijn tempo te blijven oefenen en mezelf op de cello beetje bij beetje te verbeteren en fijn samen te spelen; ik op mijn niveau.

Voor de komende voorspeelmiddag van mijn cellodocent, waarvoor ik deze week een uitnodiging ontving, heb ik me direct weer opgegeven.

Niet begrepen worden (en daarmee om moeten gaan)

“Wer nur der liebe Adorno lässt walten,
der wird den Kapitalismus ein Leben lang behalten”
ofwel “Wie die aardige Adorno gewoon zijn gang laat gaan,
behoudt het kapitalisme zijn leven lang
”.

Deze tekst hadden enkele studenten van de Frankfurter Schule in 1969 op het bord geschreven, waar Adorno college zou gaan geven. Adorno, moet u weten, is de vader van de ‘kritische theorie’ (door Nederlandse bewonderaars toentertijd vaak als ‘kritiese theorie’ geschreven). De kritische theorie was de specialiteit van het Frankfurter Institut für Sozialforschung; de Frankfurter Schule dus. Het instituut was in 1923 opgericht als een marxistische ‘thinktank’, in de verwachting dat de Russische revolutie elk moment kon overslaan naar Duitsland en andere industriestaten. Het was een tijd waarin we nog niet veramerikaniseerd waren en ‘kritiek’ hoger stond aangeschreven dan ‘succes’ of ‘veel cashen‘. Toen die verwachting niet uitkwam, werd het instituut een wereldwijd bekend platform voor linkse economen, psychologen en sociologen. Zij betoogden dat de ideeën van de achttiende-eeuwse Verlichting in hun tegendeel zijn ontaard. Het primaat van het verstand zou immers de Verlichte mens bevrijden van de knechting van religie en ander magisch denken. Ons verstand zou ons waardigheid en kritisch zelfbewustzijn schenken. Echter, omdat aan de uitkomsten van techniek en wetenschap niet mag worden getwijfeld, zijn wij zelf nieuwe mythen geworden. We dragen al doende zelfs bij aan de moorddadigheid en nietsontziende uitbuiting van het kapitalistische systeem.

Het is een uitgangspunt waarvan de inhoud mij heel mijn leven al aanspreekt. Net als de oneliner van Adorno, die op de gevelsteen van het huis waar hij zijn leven lang gewoond heeft (met uitzondering van de tijd dat Adolf Hitler aan de macht was) gebeiteld staat: “Es gibt kein richtiges Leben im Falschen” ofwel “In een wereld zonder moraal is het maken van juiste keuzes onmogelijk”. De maatschappelijke voorwaarden voor het fascisme bestaan immers nog, meende hij, zoals de ‘concentratietendens’ bij het kapitaal, en het maatschappelijk-economisch afglijden van groeperingen die zichzelf nog zien als ‘burgerlijk’ (middenklasse, zou je nu misschien zeggen). Die richten hun frustratie niet tegen het kapitaal, maar tegen groeperingen die kritisch staan tegenover het systeem waarin ze zelf eens ‘status’ bezaten.

Als theoreticus ging Adorno voor in het verzet tegen de kapitalistische consumptiemaatschappij, waarin het streven naar winst alle andere menselijke strevingen overschaduwt. Zijn hoorcolleges waren zo populair dat de toehoorders ook de trappen van de collegezaal en de ruimte rond het spreekgestoelte vulden.

Maar ja, toen kwamen de roerige jaren ’60. De subtiele denker Adorno zag met lede ogen aan hoe ‘zijn’ activistische studenten radicaliseerden en overgingen tot daden. Hij koos welbewust niet voor actie voeren, maar wilde het vermaledijde kapitalisme met het verstand, met de ratio bevechten. ‘Zijn’ studenten namen hem zijn gerichtheid op goed doordenken kwalijk. Toen hij in april 1969 achter het spreekgestoelte had plaatsgenomen, omringden de drie vrouwelijke studenten van de boordtekst aan het begin van dit stukje hem, ontblootten hun borsten en wierpen rozenblaadjes over zijn hoofd. Geschokt door deze ludiek bedoelde actie probeerde Adorno de ‘aanval’ af te weren met zijn aktetas en beende vervolgens de gehoorzaal uit. Hij keerde er nimmer terug. Een half jaar later overleed hij tijdens een wandeling in de bergen van Zwitserland, waarbij hij te veel van zijn hart had gevergd.

Och ja, ik voel me ook wel eens niet begrepen. Laatst nog… Nou, ja, dat hoort hier niet.

Frankfurt am Main kan nu gekarakteriseerd worden door indrukwekkend glanzende glazen banktorens, overvloed voor the have’s en torenhoge huizenprijzen. Het is vermoedelijk een van de weinige plaatsen ter wereld waarin een monument voor geld staat: een 14 meter hoog, blauw euroteken met twaalf gele sterren. Op de AfD stemden er de laatste verkiezingen 9% van de stemgerechtigden.

Bronnen: “Flessenpost uit Duitsland” Profiel van Theodor W. Adorno door Raymond van den Boogaard in de Groene Amsterdammer van 4 maart 2020 en de website van ‘AfD-Fraktion im Frankfurter Römer’ op 11 maart 2020.

Sommige elementen van Adorno’s analyses zijn door de tijd ingehaald. Zo meende hij dat de opkomst van de NPD, De Nationaldemokratische Partei Deutschlands, mede werd veroorzaakt door angst voor het Oostblok, en dat de Duitsers nooit echt hebben gebroken met de ‘identificatie’ met het fascisme, terwijl dat in Italië zo prachtig gelukt zou zijn. Ook zag hij ‘anti-Amerikanisme’ als een belangrijke voedingsbodem voor rechts-radicale gevoelens en hij meende dat de EEG, de voorloper van de Europese Unie, een list was van het kapitaal om de broodnodige collectivisering van de Duitse landbouw tegen te houden. Hij blijkt een broertje dood gehad te hebben aan het Franse ‘existentialisme’, dat mij zo aanspreekt. Het zou het intellectuele klimaat volgens hem hebben vergiftigd en zo de weg vrij gemaakt hebben naar rechts-radicale aanvallen op echte ‘dragers van de geest’, en naar anti-intellectualisme. Jean-Paul Sartre moet ervan hebben opgekeken.

Hoewel de gedachte dat de Europese Unie een list is, mij wel aanspreekt. Ik zou zeggen: zich ontwikkeld heeft tot een list alsof de keuze bestaat uit
of géén enkele samenwerking (of zelfs oorlog)
of een onderlinge samenwerking zoals de aandeelhouders van multinationals, grootbanken en andere grootbedrijven die graag ingevuld zien (met voor de bühne wat ‘linkse’ regelgeving).

Verrassend veel van Adorno’s ideeën laat zich echter nog steeds lezen als commentaar op onze huidige wereld. Zo signaleerde hij dat de rechts-radicalen weliswaar de mond vol hebben van ‘de natie’, maar donders goed weten dat het nationalistische repertoire anachronistisch en versleten is. Adorno wees ook op het door rechts-radicalen met graagte opgeroepen beeld van een soort eindtijd van ‘sociale catastrofe’. Typerend voor rechts-radicalisme was volgens Adorno verder de pretentie dat men spreekt uit naam van een grote aanhang, zo niet namens iedereen, terwijl het in werkelijkheid gaat om een minderheid, of zelfs een verzameling ‘Einzelgänger’, eenlingen. Het rechts-radicalisme, meende Adorno, is geen richting met een werkelijk maatschappelijk programma, maar slechts ‘geniale propaganda’. Zo is er de gewoonte om suggestief te refereren aan ‘dingen die je niet mag zeggen’. Voor de ‘goede verstaander’ is dan bijvoorbeeld duidelijk dat de spreker vindt dat de jodenvervolging onder Hitler sterk wordt overdreven. Adorno heeft vanwege zijn katholieke vader, die van Joodse origine was, onder Hitler de wijk moeten nemen, nadat werken hem onmogelijk gemaakt was. In het verlengde daarvan ligt de gedachte bij rechts-radicalisten dat Duitsland moet ophouden steeds maar excuses aan te bieden voor het verleden en zich daarvoor te schamen. Dit is een wens die de AfD met de NPD gemeen heeft. Wat verder als hedendaagse kritiek op rechts-radicalisme op gaat: met feiten staat het volgens Adorno op gespannen voet. De beweging streeft naar wat hij ‘konkretisme’ noemde: een alternatief geheel van verzonnen, oncontroleerbare stellingen, die als feiten gepresenteerd worden. Het heeft daarom volgens hem weinig zin om het rechts-radicalisme met feitelijke argumenten te bestrijden, en ook moraliseren is vruchteloos, meende hij. Je zou de rechts-radicaal hoogstens kunnen bereiken door hem op zijn concrete belangen te wijzen. Daar zouden we wellicht nog steeds van kunnen leren.

Heeft u ook zo’n wens om te weten?

Degenen die mij een beetje kennen weten wel dat ik ons nieuws ervaar als gemankeerd entertainment. Maar van het wereldnieuws dat ik wèl graag verneem wordt ik vaak ook niet blij.

In zoveel landen blijken zogenaamde minderheden (vrouwen worden ook vaak als een minderheid gezien) rechteloos te worden geknecht of zelfs te worden gemarteld, van huis en land verdreven, verkracht en vermoord.
Tussen zoveel landen worden conflicten met geweld uitgevochten, waarbij moorden en verkrachtingen gewoon zijn.
Dit gaat ook over landen waar wij – met degenen die het er voor het zeggen hebben – handel drijven. Sterker, we hebben een financieel belang bij de knechting van mensen; zouden zij humane arbeidsvoorwaarden krijgen en een eerlijk loon dan zouden de prijzen hier flink stijgen.
Zo gaat het altijd over macht; macht van de ene sociaal-culturele groep mensen over een andere. Macht om de macht te verstevigen of macht ter zelfverrijking of beide.
Net als bij het biologische principe “survival of the fittist” zijn mijns inziens volgens een mondiaal en regionaal geldend sociologisch principe de kwetsbaarste groepen mensen telkens weer het haasje. Overigens, wat betreft zelfverrijking stopt het niet bij het steeds maar weer versterken van de macht over groepen mensen; ook dieren, planten, land en zee moeten er aan geloven wanneer dat voor sommige mensen pecunia of een redeloos prettig gevoel oplevert; naar Hannah Arendt: de banaliteit van het kwaad ongeacht de gevolgen.

Heeft u dat ook?

Het is op mijn zesenzestigste mooi om hier geleefd te hebben. Ik heb gezien hoe onze overzichtelijk gefragmenteerde samenleving, die vol van zat van hypocrisie en taboes, na de vijftiger jaren aan inclusiviteit ging doen; hoe allerlei groepen mensen in Noord-Europa geëmancipeerd raakten; hoe ieder mens hier recht op rechten kreeg. Hoe we daar met elkaar aan wenden, totdat we ons een andere realiteit niet meer konden indenken; de geleerde lessen uit de Tweede Wereldoorlog vergaten. En ik heb gezien hoe daarna het ene na het andere recht aan de meest kwetsbare mensen ontnomen werden; meestal met smoezen.
Nu staan we zelfs op het punt multinationale ondernemingen, die de laatste decennia van onze politici hun macht ongebreideld mochten uitbreiden, met CETA altijd hun verwachte winsten uit te keren; is het niet door omzet, dan wel door een claim op belastinggeld in te dienen. Dit onder de dekmantel van ‘vrije handel’. Een levensstijl die ons welzijn niet of nauwelijks bevordert en waaronder het welzijn van mondiaal de meest kwetsbare mensen teniet doet. En wanneer de claim door een boven de nationale en Europese wetgeving geplaatst Hof toegekend wordt, zullen de kwetsbaarste mensen hier, die zich dagelijks niets vermoedend een mening vormen over alles wat hun televisie hen aanbiedt, zoals altijd de rekening daarvan gepresenteerd krijgen.

En dan nog hebben we het hier goed, vergeleken met de volstrekte rechteloosheid in oorlogsgebieden en daar waar vandaag al dan niet op basis van democratisch gekozen regeringen bevolkingsgroepen planmatig en systematisch uitgeroeid worden. Hier wordt ieder mens door onze overheden meestal nog wel met enig respect behandeld.

We zijn tot het ergst en het mooist denkbare in staat

We hebben het hier relatief goed zonder (goed) geïnformeerd te worden over allerlei werkelijke tendensen over wat mensen elkaar akelig dichtbij en verder weg aan geïnstitutionaliseerd onrecht aandoen. En ik ben nu op een punt aanbeland dat ik misschien begin te begrijpen waarom we tevreden zijn met de weinige informatie die we voorgeschoteld krijgen. Veel mensen zijn immers – net als ik – wars van onrecht; al helemaal van onrecht dat ‘in naam der wet’ gepleegd wordt. Het weten over dit doodgezwegen hedendaags onrecht, over die miljoenen achterblijvers die nergens verhaal kunnen halen, over de miljoenen door overheidsgeweld verminkte geesten die in angst verder moeten leven of zich van het eigen leven moeten beroven, over de miljoenen hongerenden en over de miljoenen vluchtelingen in combinatie met er niets tegen te kunnen beginnen verlamd mij ook wel eens.
Toch weet ik liever dan dat ik onwetend blijf; ook al is dergelijke wetenschap haast niet te hanteren.

Heeft u ook zo’n wens om te weten op het gevaar af er een machteloos gevoel aan over te houden? De wens liever een nutteloze toeschouwer te zijn dan onwetend te blijven over wat er in de wereld gebeurt?

Of bent u bang daar depressief van te worden. Dat zou ik goed begrijpen. Eigenlijk snap ik van mezelf niet goed dat ik ondanks veel van al die nare tendensen te weten ook van zoveel moois om mij heen en tussen mensen kan blijven genieten. We zijn kennelijk tot het ergst denkbare en tot het mooist denkbare in staat.
Is dàt niet van belang om dagelijks te beseffen?

Nieuw in het nieuws

Ons nieuws gaat – naast oranjevrouwen en voetbal – al een tijdje over de brexit, het coronavirus, de grandslam in Australië waar ook buitengewoon veel natuurbranden woeden, hitte heerst en noodweer onder meer overstromingen veroorzaakt, impeachment, Kobe Bryant, vuurwerk en Nederlandse warmterecords. Allemaal natuurlijk belangrijk, hoewel het me niet allemaal interesseert. Maar ik heb steeds het gevoel belangrijker nieuws, dat me ook interesseerd, te missen en kijk dus ook elders; bijvoorbeeld op internet. En soms vind ik wat:

Wist u bijvoorbeeld dat in 2018 in Armenië een geweldloze revolutie heeft plaatsgevonden? Ik niet. Ik las het pas deze week. Geïnspireerd door wat Mahatma Gandhi met zijn zoutmars in India teweeg gebracht had, is Nikol Pashinyan dat jaar ook van huis op stap gegaan. Uiteindelijk heeft hij zo’n beetje in zijn eentje een kwart van de inwoners van de Armeense hoofdstad Jerevan op de been gebracht. Hij eiste met zijn aanzwellende achterban het vertrek van de onrechtmatig aanblijvende president Serzj Sarkisan, uiteindelijk met succes en een democratische verkiezing bracht hem en zijn Alliance-partij op 9 december 2018 met 70% van de stemmen aan de regeringsmacht.

In Burkina Faso, Burundi, de Centraal-Afrikaanse Republiek, Eritrea, Ethiopië, Noord-Korea, Kenia, Madagaskar en Zambia en rond het Tsjaadmeer (Kameroen, Niger en Nigeria en Tsjaad) zijn bij elkaar ruim 40.000.000 mensen dagelijks in ernstige nood. Zij lijden aan chronische honger, die bij jonge kinderen vaak een groeiachterstand tot gevolg heeft. De oorzaken zijn net als in Australië rampen als droogte, hitte of overstromingen, maar ook nog escalerend of voortdurend oorlogsgeweld en/of ziektes. Of ze zijn op de vlucht geslagen voor dit soort ellende. Geen van deze problemen in genoemde landen krijgt aandacht in onze media. Zij vormen tezamen een toptien van gemist nieuws, las ik.

Mijn vraag is dan waarom we Auschwitz herdenken, maar de hulpelozen van nu negeren? We worden over hun omstandigheden niet eens ingelicht. Zij hebben er toch ook niets aan, net zo min als de Joden, homo’s, krijgsgevangenen, politieke gevangenen, Roma, Sinti en verzetsstrijders van toen, wanneer over 75 jaar hun namen plechtig tijdens een gepaste ceremonie uitgesproken worden?

Bronnen: “Stap voor stap; Revolutie in Armenië” op 8 februari te zien in de Balie (Amsterdam) tijdens het Human Rights Weekend; een bijdrage van Diederik Baazil aan de GroeneAmsterdammer op 29 januari 2020 en “Deze tien crisissen halen de krantenkoppen niet” door Inter Press Service via DeWereldMorgen op 30 januari 2020.

Is er sinds de slag om Troje iets nieuws onder de zon?

Onze samenleving heeft zijn wortels in de oude Griekse beschaving. Dat zijn we wel met elkaar eens. Met die oud-Griekse beschaving zijn we minder bekend, terwijl we er haast alles over zouden kunnen weten.

Neem Odysseus, een belangrijk personage in de Ilias van Homerus; in Homerus’ Odyssee zelfs de hoofdpersoon. Ook andere klassieke dichters, zoals Sophokles, schreven over hem. Odysseus is de koning van het eiland Ithaka, een listige Griekse legeraanvoerder, zelfs de bedenker van de list met het houten paard waardoor na tien jaar de oorlog tegen Troje wordt gewonnen. Daarna zwerft hij voor hij thuiskeert nog eens tien jaar rond over de Middellandse Zee.

Filosofen grepen graag terug op Odysseus, die zij als toonbeeld van doorzettingsvermogen en vernuft zagen. De veelheid aan moorden op baby’s en jonge kinderen in de Odyssee werden vaak verzwegen, net als de vele verkrachtingen die hij pleegde. Dat lieten Lola Bogaert, Sara Haeck en Yinka Kuitenbrouwer hun publiek in het Utrechtse theater Kikker afgelopen dins- en woensdag weten. Zij deden dat in de voorstelling “Drie Griekse verhalen door drie vrouwen in (min of meer) drie kwartier”. Zo zou Odysseus’ vrouw Penelope, voor velen het toonbeeld van geduld en huwelijkstrouw, eerst door hem verkracht zijn, waarna hij haar eerste baby gedood heeft. Van Odysseus wordt zij weer zwanger en schenkt Telemachos het leven. Omdat Odysseus twintig jaar van huis is, voedt zij haar zoon alleen op, terwijl zij list na list bedenkt om andere mannen van het lijf te houden. Odysseus vult zijn huwelijkstrouw aan Penelope anders in: tijdens zijn reizen verkracht hij kinderen en vrouwen en leeft samen met godinnen en vrouwen, waarbij hij met Circe, een tovenares en dochter van de zon, nog drie kinderen krijgt.

Is er iets nieuws onder de zon?” vraag ik mij af, “Kijken we nu anders aan tegen die dubbele moraal voor mannen en vrouwen dan toentertijd? Zijn de verhoudingen tussen mannen en vrouwen inmiddels gelijkwaardig? Laat staan de verhoudingen tussen heteroseksuele mannen en biseksuelen, homo’s, lesbiennes en transgenders?

De boeiende, vernieuwende voorstelling van Lola, Sara en Yinka gaat erover wat er zou gebeuren als de vrouwen uit de oude Griekse verhalen niet langer tevreden zijn met hun bijrol als oorlogsbuit of onderdanige weefster? Wat als ze niet langer machteloos toekijken hoe hun kinderen worden geofferd voor een gunstige wind of van een muurtje worden gegooid? Wat als ze uit hun slachtofferrol kruipen en opkomen voor hun eigen behoeften, verlangens en wensen? Sterker nog: wat als de vrouwen het verloop van het stuk bepalen?

Zelf zou ik het wel weten en u vast ook. Hoe komt het toch dat we er zelden bij stilstaan of de loop van een verhaal voor de anderen dan de hoofdpersonen wel te verkroppen is? Volgens mij is het hoog tijd dat we, en dan met name de niet-mannen met steun van geëmancipeerde wel-mannen, allemaal onze vrijheid vorm gaan geven in onze persoonlijke levens. Hoe zou de samenleving er uit gaan zien wanneer we en masse zouden opkomen voor onze dromen, drijfveren en wensen? Hoe leefbaar zou de wereld voor iedereen worden? Of hoe gewelddadig?

Nou, ja, voordat we over beschaving praten moet eerst die dubbele moraal maar eens om zeep geholpen worden, lijkt me.

Misschien ging het om het slotakkoord

De heren spelen het laatst in, want ze spelen het eerst na de pauze”, zei mijn cellodocent (v) en zo geschiedde vanmiddag.

De andere heer en ik hadden eerder deze week al even een celloles samen gehad, om voor vanmiddag wat puntjes op wat i’s te zetten: dit is een vraag en dat is het antwoord, hier start jij en jij valt daar in, op dit akkoord komt het aan. Van dat soort aanwijzingen boden ons een focus om het voorspelen van vanmiddag tot een zo groot mogelijk succes te maken.

Later deze week hadden we de stukken nog eens samen gespeeld om ons de aanwijzingen eigen te maken. Vanmiddag was het dan zover. Na de pauze beluisterde het publiek, bestaande uit medeleerlingen, vaak met hun ouders, onze drie stukken en een hartelijk applaus viel ons ten deel.

Zelf wist ik heel goed wat ik niet goed gedaan had; waar ik er naast gezeten had, maar daar ging het niet om. Het was een goede ervaring om op mijn cello voor een beetje publiek te spelen en samen kwamen we er bij alle drie de stukken goed uit.

De andere cellisten, wiens vader of opa we hadden kunnen zijn, speelden voor en na de pauze minstens net zo goed als wij, en meestal stukken beter. Ik vond het fijn om ze te beluisteren en het gemak of juist de inspanning van hun gezichten af te lezen. Ze speelden vooralsnog voorbeeldig voor mij.

Het bijzondere van zelf muziek maken is voor mij dat het altijd weer op het moment aankomt: precies daar in dit muziekstuk moet ik dit loopje zo mooi mogelijk spelen zoals de componist het waarschijnlijk bedoeld heeft, moet die fis zuiver gespeeld worden en moet ik die lastige bes voorbereiden om hem even later te laten horen.

Mijn cellovriend en ik gaan vrolijk door met op gezette tijden samen cello te spelen. Na het voorspelen maakten we daarvoor de volgende afspraak.

Anders dan alleen spelen, vraagt het samenspelen ook nog om een voortdurende afstemming. Dat is een deel van de pret. En het klinkt weer anders dan het dagelijks oefenen in mijn eentje. Bij het samenspelen moeten we precies tegelijk in die tel rust een stilte laten vallen, precies tegelijk of juist iets na elkaar inzetten en steeds luisteren of de ander en ik nog wel samen opgaan. En toen we vanmiddag ons gezamenlijk slotakkoord speelden, keken we elkaar aan om exact tegelijk te stoppen. Dat was mooi!

Een preciese (met een ‘s’) milieuactivist

Ik ben op pagina 279, bijna aan het eind van Paul Kingsnorth’s “Bekentenissen van een afvallig milieuactivist; een radicaal andere kijk op natuurbescherming”. Ik ben benieuwd naar de laatste twee essays. Een van mijn gedachten, die zich al lezend bij mij ontvouwt, is dat we maar een jaartal in de toekomst moeten kiezen: 2025, 2050, 2075, 2100; de toename van het mensdom in dat jaartal bepalen en onszelf vervolgens opleggen dat we (: de Westerse mens) vanaf dat jaartal alleen nog mogen consumeren op een manier dat onze ecologische voetafdruk gelijk kan zijn met alle andere dan levende mensen. Alleen op die manier, vermoed ik, kunnen we wat we doen ‘beschaving’ blijven noemen; ergens is een grens aan de groei, omdat de aarde niet met ons meegroeit. En als voorhoede van het vergaren en beschermen van geneugten stoppen we daar dus op zeker moment mee en geven de rest van het mensenrijk de gelegenheid om op dezelfde schaal als wij te gaan leven. Dan vervalt het ongelijkheidsmotief om onderling strijd te leveren. Het zal er wel op neerkomen dat we dan direct al moeten consuminderen, maar dat lijkt ons allemaal de toekomst van onze (kinds) kinderen wel waard, toch?

Ik vermoed dat Kingsnorth aan het slot van zijn boeiende bundel een andere kant opgaat.

Overigens herken ik tot nu toe deze van zijn visies op het leven:
· de flexibiliteit, macht en zelfs wijsheid van ongerepte natuur,
· de uiteindelijk onbeduidende rol van mensen op dit alles (niet omdat het onbeduidend is wat we aan chaos en disbalans teweegbrengen, maar gezien de grootsheid van het ondermaanse waar we onze levens slijten; laat staan onze onbeduidende rol binnen het universum),
· de doodlopende kapitalistische weg, die we met ons allen ingeslagen zijn, terwijl we elkaar op de keper beschouwd domweg op de mouw spelden dat we er wel bij varen, want ons welzijn zit in veel minder dan de vergaarde materiële zaken en
· de waanzin van de milieubeweging(en) zich te richten op duurzame energie-opwekking ten koste van ongerepte natuur, waardoor intrinsieke waarden van wat niet-menselijk is over het hoofd gezien worden.
Dit alles is misschien in één zin samen te vatten: ik herken me in zijn opvatting dat we nooit onze wortels moeten verlaten, hoe verleidelijk het luilekkerland, dat we ervoor terug zouden krijgen, ook lijkt.

De man kan schrijven (en zijn vertalers konden het mooi naar makkelijk leesbaar Nederlands omzetten). Naar mijn idee heeft hij als roepende in de woestijn ook wel iets interessants te melden; ik zou iedereen willen aanraden dit boek ook te lezen. Zelf kreeg ik het van een vriendin. Ze wil het van me lenen als ik het uit heb, omdat zij eveneens in de inhoud geïnteresseerd is. Dat lijkt me een goed plan, dus ik lees nu nog even door hoe Kingsnorth zelf zijn essaybundel eindigt.

Maar eerst nog even dit: er zijn altijd Preciesen en Rekkelijken. Kingsnorth beschouw ik als een van de Preciesen binnen de milieu- en natuurbescherming. Vandaar zijn ogenschijnlijke afvalligheid en de ogenschijnlijke spelfout in de titel boven dit stukje.

De eerste stappen in 2020 zijn gezet

De eerste stappen in 2020 zijn alweer gezet. Mijn nieuwe arbeidscontract heb ik op de valreep toch maar niet getekend. Omdat de aanpak van het bestuur in de laatste weken van 2019 een voorspel kan zijn voor hoe het in 2020 verder zal functioneren, besloot ik uiteindelijk op 2 januari mijn portie aan Fikkie te geven. Met los zand kan niemand kleien.

Het doet mij natuurlijk verdriet mijn mij-passende en vaak leuke werk te beëindigen en het valt me zwaar om de bestuurders en medewerkers van ‘mijn’ organisatie, die stuk voor stuk goed bedoelen, die zo positief betrokken zijn bij de organisatie en bij elkaar voortijds aan hun lot over te laten.

Ik heb er toch vanaf gezien mijn nieuwe arbeidscontract te tekenen om zo niet-doende wel goed voor mijzelf te zorgen. Op een zekere leeftijd is dat misschien nog wel het enige dat telt: een goede zorg voor wie mij dierbaar zijn, voor mijzelf en voor wie mij nabij zijn. Toch lastig dat een aantal collega’s mij dierbaar geworden zijn…

Gelukkig resteren de andere leuke vooruitzichten voor 2020, waar ik het eerder in mijn stukje op 29 december jl. over had.